← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14 Rolnummer: P.22.0537.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 770 - laatst gezien 2026-06-19 04:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De voorafgaande ondervraging voorgeschreven door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen; de wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen; wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten

(1).
(1)Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0265.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Doel en wijze van de ondervraging - Gelegenheid van de verdachte om opmerkingen te geven over de hem verweten feiten Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 3 Indien de verdachte, nadat de onderzoeksrechter hem heeft ingelicht over de feiten die aan de beschuldigingstelling ten grondslag liggen en hem kennis heeft gegeven van de mogelijkheid dat tegen hem een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd, dadelijk verklaart zich op zijn zwijgrecht te beroepen, dan volgt daaruit dat hij geen vragen wenst te beantwoorden betreffende de feiten die ten grondslag liggen aan de beschuldiging; het staat aan de verdachte, die in voorkomend geval de bijstand geniet van een raadsman, te beslissen over de uitoefening van zijn zwijgrecht; de uitoefening van dit zwijgrecht is niet afhankelijk van het stellen van één of meer vragen betreffende de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen; de uitoefening door de verdachte van zijn zwijgrecht berooft hem bovendien niet van zijn in artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde recht om zelf of via zijn raadsman opmerkingen te formuleren over het verlenen van een bevel tot aanhouding en van het recht van de raadsman bij toepassing van artikel 16, § 2, derde lid, Voorlopige Hechteniswet en artikel 47bis, § 6, 7), Wetboek van Strafvordering opmerkingen te formuleren. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Voorlopige hechtenis - Bevel tot aanhouding - Voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Kennisgeving van de strafbare feiten en van de mogelijkheid tot het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding. - Dadelijk inroepen van het zwijgrecht - Ontbreken van vragen over de strafbare feiten en ernstige aanwijzingen van schuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 6, 7) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Voorafgaande ondervraging door de onderzoeksrechter - Kennisgeving van de strafbare feiten en van de mogelijkheid tot het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding. - Dadelijk inroepen van het zwijgrecht - Ontbreken van vragen over de strafbare feiten en ernstige aanwijzingen van schuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 6, 7) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0537.N S. K., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.c EVRM en artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verweer dat het bevel tot aanhouding onregelmatig is bij afwezigheid van een daadwerkelijke en nauwkeurige ondervraging door de onderzoeksrechter over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot een bevel tot aanhouding; er blijkt niet dat ondanks de vermelding “Verklaring: Ik beroep me op mijn zwijgrecht” in het proces-verbaal van verhoor de onderzoeksrechter voorafgaand aan het uitvaardigen van het bevel tot aanhouding aan de eiser enige vraag heeft gesteld; uit geen enkel stuk blijkt dat de onderzoeksrechter de eiser voorafgaandelijk heeft ondervraagd op een wijze die voldoet aan de vereisten van de vermelde bepaling uit de Voorlopige Hechteniswet; de eiser heeft het recht pas over de uitoefening van zijn zwijgrecht te beslissen nadat hem een of meerdere vragen zijn gesteld.
  4. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen.
  5. De voorafgaande ondervraging heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen.
  6. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen. Wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten.
  7. Indien de verdachte, nadat de onderzoeksrechter hem heeft ingelicht over de feiten die aan de beschuldigingstelling ten grondslag liggen en hem kennis heeft gegeven van de mogelijkheid dat tegen hem een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd, dadelijk verklaart zich op zijn zwijgrecht te beroepen, dan volgt daaruit dat hij geen vragen wenst te beantwoorden betreffende de feiten die ten grondslag liggen aan de beschuldiging.
  8. Het staat aan de verdachte, die in voorkomend geval de bijstand geniet van een raadsman, te beslissen over de uitoefening van zijn zwijgrecht. De uitoefening van dit zwijgrecht is niet afhankelijk van het stellen van één of meer vragen betreffende de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen.
  9. De uitoefening door de verdachte van zijn zwijgrecht berooft hem bovendien niet van zijn in artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde recht om zelf of via zijn raadsman opmerkingen te formuleren over het verlenen van een bevel tot aanhouding en van het recht van de raadsman bij toepassing van artikel 16, § 2, derde lid, Voorlopige Hechteniswet en artikel 47bis, § 6, 7), Wetboek van Strafvordering opmerkingen te formuleren.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest oordeelt als volgt: - het door de eiser ondertekende proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter vermeldt onder andere: “Beknopte beschrijving van de feiten waarover het verhoor zal gaan: Witwas van ruim 390.000 euro (…) Verklaring: Ik beroep me op mijn zwijgrecht (…). De advocaat van de inverdenkinggestelde wenst volgende opmerkingen te formuleren over het verloop van het verhoor en/of aanhoudingsmandaat: vast adres in Brussel, vaste werkplaats. Voorwaarden: vast adres”; - hieruit blijkt op afdoende wijze dat de eiser op de hoogte werd gebracht van de hem ten laste gelegde feiten en de gelegenheid kreeg desbetreffend zijn opmerkingen te formuleren en aldus zijn recht van verdediging kon uitoefenen; - de eiser werd derhalve ondervraagd over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding zoals vereist door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet; - het feit dat het beroep door de eiser op zijn zwijgrecht bij de onderzoeksrechter haaks zou staan op het voorafgaande één uur durend verhoor bij de politie, is niet van aard om aan het voorgaande afbreuk te doen. Met die redenen, die het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verantwoordt het arrest de beslissing naar recht dat er geen sprake is van een schending van artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet en er dus geen grond is om de eiser om die reden in vrijheid te stellen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  12. De schending van artikel 5.1.c EVRM is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.