← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Vereiste van een van een nauwkeurig, geactualiseerd en individueel onderzoek - Hernieuwde beoordeling van eerdere gegevens - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 Uit het feit dat een sinds langere tijd aangehouden inverdenkinggestelde sinds geruime tijd niet meer werd verhoord, volgt niet noodzakelijk dat: 1° zijn voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is; het komt de onderzoeksrechter toe om in het licht van de noodwendigheden van het onderzoek te bepalen of en wanneer een (her)verhoor van een inverdenkinggestelde zich opdringt; 2° het gerechtelijk onderzoek vertraging oploopt en dat de duur van de voorlopige hechtenis op ongepaste wijze wordt verlengd; 3° er wat betreft die inverdenkinggestelde geen gevaar voor collusie meer kan worden aangenomen; het gevaar voor collusie is immers niet noodzakelijk afhankelijk van het al dan niet verhoren van een aangehouden inverdenkinggestelde; 4° het onderzoek in afwezigheid van de inverdenkinggestelde zou verlopen en zijn recht van verdediging wordt miskend: de betrokkene of zijn raadsman heeft immers ter gelegenheid van de beslissingen over de handhaving van de voorlopige hechtenis toegang tot het dossier en hij kan om de in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde samenvattende ondervraging of aanvullend onderzoek verzoeken

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijke termijn - Het ontbreken van een recent verhoor van de aangehouden inverdenkinggestelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Het ontbreken van een recent verhoor van de aangehouden inverdenkinggestelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 5 Uit het feit dat bepaalde mede-inverdenkinggestelden aangehouden blijven dan wel zijn vrijgelaten, volgt niet dat er met betrekking tot een andere aangehoudene geen collusiegevaar meer kan worden aangenomen; het collusiegevaar moet immers individueel worden beoordeeld en een voorlopige hechtenis kan wel degelijk beletten dat tussen de betrokkene en andere al dan niet aangehoudenen afspraken worden gemaakt over de inhoud van af te leggen verklaringen of dat contacten worden gelegd om verklaringen te wijzigen of in te trekken

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Invrijheidstelling van een medeverdachte - Collusiegevaar - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 6 - 8 Bij de beoordeling van recidivegevaar kan het onderzoeksgerecht wel degelijk veroordelingen uit een al dan niet ver verleden betrekken, zonder dat daaruit een miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid; of er nog een noodzaak bestaat voor de handhaving van de voorlopige hechtenis en of de redelijke termijn al dan niet is overschreden, wordt in het licht van het voorgaande onaantastbaar beoordeeld door het onderzoeksgerecht; wel gaat het Hof na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Vermoeden van onschuld - Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Vermoeden van onschuld - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 10 Indien de inverdenkinggestelde de regelmatigheid betwist van de bewijsverkrijging waaruit de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid, dan is het onderzoeksgerecht slechts gehouden tot een prima facie-onderzoek van de voorgehouden onregelmatigheid en kan het, zo nodig, vervolgens het door artikel 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde onderzoek verrichten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Ernstige aanwijzingen van schuld - Controle prima facie op de regelmatigheid van het bewijs - Ontbreken van een verzoek tot een zuiveringsprocedure op basis van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 136 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Regelmatigheid van de procedure - Ernstige aanwijzingen van schuld - Controle prima facie op de regelmatigheid van het bewijs - Ontbreken van een verzoek tot een zuiveringsprocedure op basis van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 136 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0548.N L. C. A., inverdenkinggestelde, aangebouden, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en de artikelen 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale conventionele norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang krijgt op het interne recht, de proportionaliteit en het recht van verdediging: het arrest geeft geen enkel gewicht aan de objectieve vaststelling dat de sinds meer dan negentien maanden aangehouden eiser sinds meer dan acht maanden niet meer is ondervraagd, terwijl zijn hechtenis wordt gehandhaafd op grond van nieuwe bezwaren; deze redengeving is strijdig met de uit te voeren wettigheidscontrole en de bij de toetsing in acht te nemen bijzondere zorgvuldigheid; ze is ook intern tegenstrijdig en voldoet niet aan de uit artikel 5.1, 5.3 en 5.4 EVRM voortvloeiende specifieke motiveringsplicht; een ondervraging zou het door het arrest aangenomen gevaar uitsluiten voor afspraken over de inhoud van de af te leggen verklaringen of het leggen van contacten om verklaringen te wijzigen of in te trekken; de eiser die nochtans bereid is om te worden ondervraagd, wordt in het lopend onderzoek behandeld alsof hij afwezig is, waardoor de duur van de voorlopige hechtenis op ongepaste wijze wordt verlengd; artikel 5.3 EVRM verzet zich ertegen dat de voorlopige hechtenis wordt verlengd omwille van de beweerde gevaarlijkheid van de betrokkene of wegens het gevaar op toekomstige strafdaden; de in het arrest voorkomende stereotype herhalingen met betrekking tot het actuele gevaar voor recidive en collusie zijn op zichzelf niet dienend om de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis te verantwoorden; het collusiegevaar terwijl meerdere andere betrokkenen zijn aangehouden of zelfs zijn vrijgelaten is louter denkbeeldig en wordt niet concreet geloofwaardig gemaakt; het recidivegevaar kan in 2022 niet uit een veroordeling van november 2006 worden afgeleid; de motivering is strijdig met het vermoeden van onschuld.
  3. Het oordeel over de noodzaak van het laten voortbestaan van de voorlopige hechtenis vereist een nauwkeurig, geactualiseerd en individueel onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, omdat de voorlopige hechtenis de uitzondering is en redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen.
  4. Ingeval uit dat onderzoek blijkt dat de duur van de voorlopige hechtenis niet meer redelijk is zoals vereist door artikel 5.3 EVRM, moet de inverdenkinggestelde in vrijheid worden gesteld.
  5. Bij deze beoordeling mag het onderzoeksgerecht geen blijk geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
  6. Het verbod op automatisme houdt evenwel niet in dat het onderzoeksgerecht bij een hernieuwde en dus geactualiseerde beoordeling geen rekening mag houden met de elementen die het voorheen in aanmerking heeft genomen. Het staat immers aan het onderzoeksgerecht te oordelen of uit die elementen, desgevallend aangevuld met andere, rekening houdend met de voortgang van het onderzoek en het verstreken tijdsverloop, nog steeds gevaren voor recidive, collusie en onttrekking kunnen worden afgeleid die een verdere handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijk maken.
  7. Uit het feit dat een sinds langere tijd aangehouden inverdenkinggestelde sinds geruime tijd niet meer werd verhoord, volgt niet noodzakelijk dat: - zijn voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is. Het komt de onderzoeksrechter toe om in het licht van de noodwendigheden van het onderzoek te bepalen of en wanneer een (her)verhoor van een inverdenkinggestelde zich opdringt; - het gerechtelijk onderzoek vertraging oploopt en dat de duur van de voorlopige hechtenis op ongepaste wijze wordt verlengd; - er wat betreft die inverdenkinggestelde geen gevaar voor collusie meer kan worden aangenomen. Het gevaar voor collusie is immers niet noodzakelijk afhankelijk van het al dan niet verhoren van een aangehouden inverdenkinggestelde; - het onderzoek in afwezigheid van de inverdenkinggestelde zou verlopen en zijn recht van verdediging wordt miskend: de betrokkene of zijn raadsman heeft immers ter gelegenheid van de beslissingen over de handhaving van de voorlopige hechtenis toegang tot het dossier en hij kan om de in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde samenvattende ondervraging of aanvullend onderzoek verzoeken.
  8. Uit het feit dat bepaalde mede-inverdenkinggestelden aangehouden blijven dan wel zijn vrijgelaten, volgt niet dat er met betrekking tot een andere aangehoudene geen collusiegevaar meer kan worden aangenomen. Het collusiegevaar moet immers individueel worden beoordeeld en een voorlopige hechtenis kan wel degelijk beletten dat tussen de betrokkene en andere al dan niet aangehoudenen afspraken worden gemaakt over de inhoud van af te leggen verklaringen of dat contacten worden gelegd om verklaringen te wijzigen of in te trekken.
  9. Bij de beoordeling van recidivegevaar kan het onderzoeksgerecht wel degelijk veroordelingen uit een al dan niet ver verleden betrekken, zonder dat daaruit een miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid.
  10. Of er nog een noodzaak bestaat voor de handhaving van de voorlopige hechtenis en of de redelijke termijn al dan niet is overschreden, wordt in het licht van het voorgaande onaantastbaar beoordeeld door het onderzoeksgerecht. Wel gaat het Hof na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen als volgt: - na een geactualiseerd, nauwkeurig en geïndividualiseerd onderzoek van het strafdossier en het aanhoren van de pleidooien en lezing van de ingediende stukken wordt besloten dat de ernstige aanwijzingen van schuld lastens de eiser nog steeds aanwezig zijn; - op basis van die ernstige aanwijzingen van schuld is een verlenging van de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd; - dit gerechtelijk onderzoek kent nog steeds een normaal verloop nu de onderzoekshandelingen elkaar regelmatig opvolgen en de processen-verbaal van die handelingen worden neergelegd in een grootschalig dossier naar een internationale organisatie die inbreuken zou plegen op de drugwetgeving en dit tot op de datum van het arrest; - de regie en de timing van de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen met betrekking tot de eiser blijft in handen van de onderzoeksrechter en er is in het onderzoek nog geen enkele stilstand geweest, ook niet naar de persoon van de eiser; - de huidige duur van de voorlopige hechtenis is nog steeds verantwoord; - het argument van de eiser dat hij de laatste acht maanden geen enkel keer werd ondervraagd, is niet van aard om enige afbreuk te doen aan die overweging en heeft niet tot gevolg dat ten aanzien van hem geen geactualiseerde, precieze en gepersonaliseerde analyse van de bezwaren in de afgelopen periode is gebeurd; - na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de bestanddelen van de zaak wordt besloten dat de voorlopige hechtenis nog steeds verder is vereist voor de openbare veiligheid en om het nog steeds actuele recidive- en collusiegevaar te neutraliseren; - het collusiegevaar is momenteel nog uiterst actueel nu niet uitgesloten kan worden dat afspraken worden gemaakt over de inhoud van nog af te leggen verklaringen of dat contacten worden gelegd om verklaringen te wijzigen of in te trekken; - er bestaat een groot gevaar op recidive aangezien de eiser reeds meermaals is veroordeeld wegens inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen; - de ten laste gelegde feiten hebben een lucratief karakter, wat doet vrezen voor recidive; - de eiser lijkt zich te bevinden in een crimineel milieu; - er bestaat tevens een gevaar voor het laten verdwijnen van eventueel nog niet gekend bewijsmateriaal gelet op de omvang van de feiten in binnen- en buitenland en het vermoedelijk groot aantal mogelijke betrokkenen; - deze gevaren blijken uit de contacten die de eiser zelfs in een toestand van detentie in een gevangenisinstelling met de buitenwereld heeft gelegd.
  13. Uit die redenen volgt dat het arrest wel degelijk een bijzondere zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de beoordeling of de voorwaarden voor voorlopige hechtenis nog zijn vervuld en blijk heeft gegeven van een zorgvuldige afweging van belangen, alsook dat dit is gebeurd zonder te vervallen in stereotypen, zonder enige tegenstrijdigheid en zonder het vermoeden van onschuld op enige wijze te miskennen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen eisers voorlopige hechtenis te handhaven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1, 5.3, 5.4, 6, 8 en 10 EVRM, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 159 Grondwet, de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale conventionele norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang krijgt op het interne recht, de legaliteit en het recht van verdediging: de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat er voor de massale, niet-geïdentificeerde opsporing en confiscatie van telefoongegevens welke blijken uit een reeks van afschriften die vanuit een ander strafdossier bij het voorliggende strafdossier werden gevoegd (bulk-intercepties), geen wettelijke basis is; de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering zijn daarvoor onvoldoende dienstig; het gaat hier niet om gerichte interventies met betrekking tot een bepaalde persoon; massale intercepties vergen een specifieke nationale wetgeving die intern waarborgen vastlegt op meerdere punten; uit artikel 8 EVRM wordt een positieve rechtsplicht afgeleid om in een dergelijk specifiek wettelijk kader te voorzien; het door het arrest gegeven antwoord betreffende de regelmatigheid van de bewijsgaring kan onmogelijk worden gelezen als een gemotiveerd antwoord op het verweer, zoals nochtans vereist door artikel 5.1.c, 5.3 en 5.4 EVRM.
  15. De eiser heeft in zijn appelconclusie niet het gedetailleerde verweer gevoerd betreffende het ontbreken van een afdoende wettelijke basis dat hij thans voert in zijn cassatiememorie (p. 12-15). Hij heeft in zijn appelconclusie (p. 6, nr. 13, tweede alinea) enkel het volgende aangevoerd: “[De eiser] heeft reeds ingeroepen dat voor een dergelijke massale confiscatie van telefoongegevens, in het algemeen, zonder waarborgen en zonder verantwoording met een specifieke motivering in België geen wettelijke basis aanwezig is (…). Daarenboven tonen de medegedeelde stukken nergens aan welke de rechtmatige oorsprong van de gegevens zouden zijn. Aldus wordt art. 5 EVRM geschonden (onwettigheid van de procedure), evenals het algemeen beginsel van de rechten van verdediging.” In zoverre het middel aanvoert dat de eiser een ruimer verweer heeft gevoerd, berust het op een onjuiste lezing van zijn appelconclusie en mist het feitelijke grondslag.
  16. Indien de inverdenkinggestelde de regelmatigheid betwist van de bewijsverkrijging waaruit de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid, dan is het onderzoeksgerecht slechts gehouden tot een prima facie-onderzoek van de voorgehouden onregelmatigheid en kan het, zo nodig, vervolgens het door artikel 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde onderzoek verrichten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Het arrest oordeelt met betrekking tot de door de eiser in zijn appelconclusie aangevoerde onregelmatigheid van de bewijsverkrijging dat de bewijsgaring regelmatig is en niet strijdig met nationale en internationale normen. Daaruit blijkt dat het onderzoeksgerecht de aangevoerde onregelmatigheid prima facie heeft onderzocht en verworpen. Bij afwezigheid van een verzoek daartoe door de eiser, diende het onderzoeksgerecht de procedure van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering niet toe te passen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAK.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.35 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.