← België

T. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 Rolnummer: P.22.0579.N Zaak: T. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 886 - laatst gezien 2026-06-19 03:09 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.19 Fiches 1 - 2 Uit artikel 833 Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat in zoverre als wrakingsgrond de in het arrest van de preliminaire zitting vervatte weigeringsbeslissing om getuigen niet te horen wordt aangevoerd, het wrakingsverzoek ingediend na meerdere rechtszittingen van het hof van assisen laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Hof van assisen - Preliminaire zitting - Beslissing om bepaalde getuigen niet te horen - Onpartijdigheid van de voorzitter van het hof van assisen - Wrakingsgrond aangevoerd tijdens de behandeling van de zaak ten gronde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Beslissing om bepaalde getuigen niet te horen - Onpartijdigheid van de voorzitter van het hof van assisen - Wrakingsgrond over het niet horen van getuigen aangevoerd tijdens de behandeling van de zaak ten gronde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Uit artikel 281, §2 Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de voorzitter van het hof van assisen ertoe gehouden is om indien door getuigen of raadslieden van andere partijen gegevens worden aangevoerd die een negatief licht kunnen werpen op een beschuldigde, ambtshalve tussen te komen; dat geldt evenzeer indien uit die gegevens een miskenning van het vermoeden van onschuld zou kunnen worden afgeleid; het staat immers niet aan de voorzitter van het hof van assisen om in de plaats van de raadslieden van een beschuldigde diens verdediging uit te oefenen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Voorzitter van het hof van assisen - Discretionaire macht - Moraliteitsonderzoek - Getuigenverhoor - Gegevens die een negatief daglicht werpen op de beschuldigde - Gebrek aan opmerkingen of toelichting van de voorzitter over die gegevens - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 281, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Voorzitter van het hof van assisen - Discretionaire macht - Moraliteitsonderzoek - Getuigenverhoor - Gegevens die een negatief daglicht werpen op de beschuldigde - Gebrek aan opmerkingen of toelichting van de voorzitter over die gegevens - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 281, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Het vermoeden van onschuld verzet zich niet ertegen dat tijdens de behandeling voor het hof van assisen door getuigen-deskundigen, getuigen of raadslieden van partijen melding wordt gemaakt van op een beschuldigde betrekking hebbende feitelijkheden, die als een misdrijf kunnen worden omschreven maar die geen aanleiding hebben gegeven tot een veroordeling, voor zover daarmee niet wordt aangegeven dat deze beschuldigde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt; uit het enkele feit dat bij het verhoor van de gerechtsdeskundigen is verwezen naar het omvangrijk verleden van de verzoeker en dat de over het moraliteitsonderzoek getuigende politie-inspecteur in de geschreven presentatie onder een rubriek Gerechtelijk verleden melding heeft gemaakt van politionele interventies betreffende de verzoeker, volgt niet dat daardoor wordt aangenomen dat deze beschuldigde zich aan de vermelde strafbare feiten heeft schuldig gemaakt en het vermoeden van onschuld is miskend
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Hof van assisen - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Vermoeden van onschuld - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Vermoeden van onschuld - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0579.N E. T., verzoeker tot wraking, met als raadsman mr. Frank Scheerlinck, advocaat bij de balie Gent, IN DE ZAAK VAN DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, tegen
  1. E. T., reeds vermeld, beschuldigde, aangehouden,
  2. A. N., beschuldigde, aangehouden, tevens inzake
  3. R. I., burgerlijke partij,
  4. G. R., burgerlijke partij,
  5. M. P., burgerlijke partij,
  6. A. R., burgerlijke partij,
  7. L. R., burgerlijke partij,
  8. D. R., burgerlijke partij,
  9. R. R., burgerlijke partij,
  10. T. R., burgerlijke partij,
  11. R. R., burgerlijke partij,
  12. G. S.,
  13. V. F., burgerlijke partij,
  14. M. H. R., burgerlijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wraking van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg in de zaak met notitienummer TG.30.L6.009436/
  15. De magistraat van wie de wraking wordt gevraagd, heeft op 29 april 2022 de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd, waarbij hij aangeeft zich niet van de zaak te willen onthouden. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Het wrakingsverzoek
  16. Het wrakingsverzoek is ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, op 28 april
  17. Het is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
  18. Het verzoek is gesteund op artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek. In essentie wordt aangevoerd dat er gewettigde verdenking is omdat de voorzitter van het hof van assisen (hierna de voorzitter) bij uitlatingen van getuigen of van de raadsman van een burgerlijke partij over politionele antecedenten van de verzoeker (zoals feiten van slagen en verwondingen, bedreigingen, wapenbezit en dergelijke meer, die geen uitstaans hebben met de ten laste gelegde feiten) een onvolledige duiding zou hebben verstrekt en niet de wering zou hebben bevolen van stukken die flagrant ingaan tegen het vermoeden van onschuld van de verzoeker. Daarbij wordt onderstreept dat het door de verzoeker geformuleerde verzoek om zes getuigen te horen met het arrest van de preliminaire zitting werd verworpen zodat het niet mogelijk was om het eenzijdig geschetst beeld van de verzoeker tegen te spreken.
  19. Meer concreet wordt aan de voorzitter het volgende verweten: - hij heeft, nadat de raadsman van een burgerlijke partij bij de ondervraging van de gerechtsdeskundigen heeft verwezen naar een voorgehouden omvangrijk verleden van de verzoeker en daarbij heeft opgemerkt dat hij betrokken was bij enorm veel interventies, niet dadelijk gereageerd maar slechts na een reactie van de raadslieden van de verzoeker en dan nog zonder enige instructie te geven over de wering van veronderstellingen die geen vaststaande gegevens zijn; - de raadsman van een burgerlijke partij is “blijven proberen” en de voorzitter is een passieve houding blijven aannemen en is slechts tussengekomen na verzet van de raadslieden van de verzoeker; - op de openbare rechtszitting van 27 april 2022 heeft een politie-inspecteur een overzicht geschetst van het gerechtelijk verleden van de verzoeker, met vermelding van tal van feiten waarvoor de verzoeker niet werd veroordeeld en dit zonder enige duiding of enig gevoerd onderzoek, waarbij deze getuigenis niet werd geweerd en er geen wijziging of aanpassing van dit overzicht plaatsvond; - de voorzitter heeft, pas na tussenkomst van de raadslieden van de verzoeker, gesteld dat de voorgaanden van de verzoeker een onderdeel uitmaken van de beoordeling nu dit een beeld schetst van het verloop van het leven van de verzoeker, maar dat de verzoeker enkel werd veroordeeld voor de feiten die op zijn strafblad zijn vermeld, waarmee het vermoeden van onschuld is miskend en er wordt vertrokken van een vermoeden van schuld; - de verzoeker heeft in dat kader zelfs persoonlijk aangehaald dat hij voor bepaalde vermeldingen onder de titel gerechtelijk verleden werd vrijgesproken, zonder enige reactie van de voorzitter; - de getuigende politie-inspecteur heeft een getuigenis afgelegd waarbij de feiten als vaststaande gegevens werden geponeerd, zonder dat de voorzitter daarover is tussengekomen; - nadat de raadsman van een burgerlijke partij volkomen leugenachtig heeft voorgehouden dat de verzoeker een tipgever zou zijn om te insinueren dat hij daarom niet is vervolgd voor tal van feiten die politionele antecedenten uitmaken en nadat de raadslieden van de verzoeker zijn tussengekomen, heeft de voorzitter gesteld dat het in zijn professionele loopbaan meermaals is voorgekomen dat bepaalde personen sinds jaren feiten plegen zonder dat daaraan enig gevolg wordt gegeven, waarmee het vermoeden van onschuld flagrant zou zijn miskend en de voorzitter is uitgegaan van het vermoeden van schuld; - de voorzitter, hoewel hij op grond van artikel 281, § 2, Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden is uit eigen beweging een gepaste duiding te geven, op eigen initiatief aan te geven dat de vermeldingen met betrekking tot de verzoeker louter ANG-gekende gegevens betreffen waaraan geen gerechtelijk gevolg werd gegeven en de gevolgen van een seponeringsbeslissing uit te leggen, dit heeft verzuimd. De tijdigheid van de aangevoerde wrakingsgrond
  20. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van de wraking later zijn ontstaan.
  21. Het arrest van de preliminaire zitting waarbij werd beslist om bepaalde personen, van wie het verhoor op de rechtszitting door de verzoeker werd gevraagd, niet te horen, dateert van 14 maart
  22. De zaak werd behandeld door het hof van assisen op de rechtszittingen van 22 april 2022, 25 april 2022, 26 april 2022 en 27 april
  23. De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek slechts ingediend op 28 april
  24. In zoverre als wrakingsgrond de in het arrest van de preliminaire zitting vervatte weigeringsbeslissing om getuigen niet te horen wordt aangevoerd, is het wrakingsverzoek laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. De in de conclusie aangevoerde feitelijkheden
  25. In zoverre in de op de rechtszitting van 3 mei 2022 ingediende conclusie andere wrakingsgronden worden aangevoerd dan in het wrakingsverzoek, zijn die niet ontvankelijk. Het bewijs van de aangevoerde wrakingsgrond voor het overige
  26. Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking.
  27. Er is gewettigde verdenking indien de aangevoerde feiten bij de verzoeker tot wraking, de partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de betrokken magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen. Die verdenking moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn.
  28. De rechter wordt vermoed onafhankelijk en onpartijdig te zijn. Dit vermoeden is weerlegd indien uit vaststaande feitelijke gegevens het tegendeel blijkt.
  29. Artikel 839 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de verzoeker tot wraking geen bewijs door geschriften of geen begin van bewijs levert, de wraking kan worden verworpen op de eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs kan worden bevolen.
  30. Het Hof acht het bevelen van een getuigenonderzoek in deze zaak niet nuttig voor zijn oordeelsvorming. Het beoordeelt het wrakingsverzoek dan ook uitgaande van de vermeldingen opgenomen in de processen-verbaal van de rechtszittingen van het hof van assisen en van de uitlatingen en de houding van de voorzitter zoals door hem beschreven in de door hem overeenkomstig artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek afgelegde verklaring. De gegrondheid van de voor het overige aangevoerde wrakingsgrond
  31. Artikel 281, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de voorzitter van het hof van assisen zelfs ambtshalve elke nuttige maatregel neemt om alle bewijzen à charge en à décharge te verzamelen, hij het debat leidt op een objectieve en onafhankelijke wijze en hij een discretionaire macht bezit krachtens dewelke hij alles vermag te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden.
  32. Uit die bepaling volgt niet dat de voorzitter van het hof van assisen ertoe gehouden is om indien door getuigen of raadslieden van andere partijen gegevens worden aangevoerd die een negatief licht kunnen werpen op een beschuldigde, ambtshalve tussen te komen. Dat geldt evenzeer indien uit die gegevens een miskenning van het vermoeden van onschuld zou kunnen worden afgeleid. Het staat immers niet aan de voorzitter van het hof van assisen om in de plaats van de raadslieden van een beschuldigde diens verdediging uit te oefenen.
  33. Het vermoeden van onschuld verzet zich niet ertegen dat tijdens de behandeling voor het hof van assisen door getuigen-deskundigen, getuigen of raadslieden van partijen melding wordt gemaakt van op een beschuldigde betrekking hebbende feitelijkheden, die als een misdrijf kunnen worden omschreven maar die geen aanleiding hebben gegeven tot een veroordeling, voor zover daarmee niet wordt aangegeven dat deze beschuldigde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt.
  34. Uit het enkele feit dat bij het verhoor van de gerechtsdeskundigen is verwezen naar het omvangrijk verleden van de verzoeker en dat de over het moraliteitsonderzoek getuigende politie-inspecteur in de geschreven presentatie onder een rubriek Gerechtelijk verleden melding heeft gemaakt van politionele interventies betreffende de verzoeker, volgt niet dat daardoor wordt aangenomen dat deze beschuldigde zich aan de vermelde strafbare feiten heeft schuldig gemaakt en het vermoeden van onschuld is miskend.
  35. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 27 april 2022 (p. 49), het wrakingsverzoek zelf en de door de voorzitter afgelegde verklaring blijkt dat, al dan niet na opmerkingen van de raadslieden van de verzoeker op dit punt, de voorzitter op de rechtszitting de jury heeft gewezen op het onderscheid tussen op het strafregister vermelde veroordelingen en politionele inlichtingen of antecedenten die geen aanleiding hebben gegeven tot een veroordeling, op de omstandigheid dat die politionele inlichtingen of antecedenten niet toelaten enige gevolgtrekking te maken betreffende de schuld van de verzoeker aan die feiten en het begrip gerechtelijk verleden zowel kan slaan op vermeldingen op het strafregister als op andere gerechtelijke antecedenten.
  36. Noch uit deze reactie van de voorzitter noch uit het feit dat deze reactie er slechts zou zijn gekomen na opmerkingen van de raadslieden van de verzoeker noch uit het feit dat niet de wering werd bevolen van de verklaringen of de gebruikte presentatie kan een miskenning van het vermoeden van onschuld van de verzoeker of enige grond tot gewettigde verdenking wat betreft de voorzitter worden afgeleid. Daaruit kan immers, objectief gezien, niet worden afgeleid dat de voorzitter niet langer in staat zou zijn op onafhankelijke en onpartijdige wijze de zaak te behandelen en te oordelen.
  37. Uit de door de voorzitter afgelegde verklaring blijkt dat, nadat de raadsman van een burgerlijke partij aan de met betrekking tot de moraliteit getuigende politie-inspecteur had gevraagd of het kon dat de verzoeker een politionele informant was onder meer omdat hij, hoewel het geweten was dat hij drugs verkocht op straat, daarvoor de laatste tijd niet werd vervolgd of veroordeeld, hij na een mondeling bezwaar van de raadsman van de verzoeker, aan de raadsman van de burgerlijke partij heeft gevraagd de discussie te beëindigen nu ze prima facie niet relevant leek voor de beoordeling van de zaak en dat hij in de context van de opmerking van de raadsman van de burgerlijke partij heeft aangegeven dat het tijdens zijn loopbaan meermaals is voorgekomen dat personen gedurende meerdere jaren feiten konden plegen zonder dat daaraan enig gevolg werd gegeven.
  38. Noch uit deze reactie van de voorzitter noch uit het feit dat deze reactie er slechts is gekomen na opmerkingen van de raadslieden van de verzoeker, kan een miskenning van het vermoeden van onschuld van de verzoeker of enige grond tot gewettigde verdenking wat betreft de voorzitter worden afgeleid. Daaruit kan, objectief gezien, niet worden afgeleid dat de voorzitter niet langer in staat zou zijn op onafhankelijke en onpartijdige wijze de zaak te behandelen en te oordelen.
  39. Het wrakingsverzoek is bijgevolg in zoverre ongegrond. Dictum Verwerpt het wrakingsverzoek. Zegt dat overeenkomstig artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek de griffier dit arrest zal ter kennis brengen van de partijen per gerechtsbrief. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.19 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241220.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.22 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.