← België

V. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A

Art. 6

.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 4 Het feit dat de rechter die moet oordelen over de internering zich door een psychiater- deskundige moet laten voorlichten over de geestestoestand van de beklaagde ten tijde van de feiten en van het deskundigenonderzoek en over het mogelijke oorzakelijk verband tussen de geestesstoornis en de feiten, staat niet eraan in de weg dat het de rechter zelf is die onaantastbaar oordeelt over de geestestoestand van de beklaagde op het moment van de beslissing en dat het advies van de deskundige enkel een hulpmiddel is bij de globale inschatting van die geestestoestand door de rechter; bijgevolg verplichten noch de artikelen 5, §1, en 9, §1, 2° Interneringswet noch artikel 5.4 EVRM de rechter, die overweegt de internering van de beklaagde te bevelen voor samenhangende strafbare feiten, voor elk van die feiten een deskundigenonderzoek of de actualisatie van een reeds in de procedure uitgevoerd deskundigenonderzoek te bevelen; de rechter kan zich ook baseren op het verslag van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek dat reeds vroeger in de procedure werd bevolen voor andere samenhangende feiten, wanneer hij van oordeel is dat dit verslag hem voor alle te beoordelen feiten een voldoende advies verschaft over de geestestoestand van de beklaagde op het moment van zijn beslissing

(1).
(1)In dezelfde zin Cass. 23 november 2021, AR P.21.0888.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.2, T. Strafr. 2022, 57; Cass. 11 oktober 2017, AR P.17.0784.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.8, AC 2017, nr. 550; K. HANOULLE; "Potpourri III als sluitstuk van de nieuwe interneringswetgeving", NC 2016, 392. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Actualisering van het deskundigenverslag - Actueel advies over de geestestoestand van de beklaagde - Verslag opgesteld in een eerdere procedure over samenhangende feiten - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 5, § 1, en 9, § 1, 2° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Debat over de internering van de beklaagde - Deskundigenonderzoek - Actualisering van het deskundigenverslag - Actueel advies over de geestestoestand van de beklaagde - Verslag opgesteld in een eerdere procedure over samenhangende feiten - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 5, § 1, en 9, § 1, 2° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Debat over de internering van de beklaagde - Deskundigenonderzoek - Actualisering van het deskundigenverslag - Actueel advies over de geestestoestand van de beklaagde - Verslag opgesteld in een eerdere procedure over samenhangende feiten - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 5, § 1, en 9, § 1, 2° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1540.N N. I. D. V., g beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen B. R., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie
  2. Overeenkomstig de artikelen 427, eerste en tweede lid, en 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering moet de beklaagde zijn cassatieberoep tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering laten betekenen aan de burgerlijke partij en zijn memorie aan die partij ter kennis brengen.
  3. Die betekening en die kennisgeving blijken niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, zijn het cassatieberoep en de memorie niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a en 6.3.b EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser in staat was zijn verdediging adequaat te voeren; de eiser heeft immers noch in eerste aanleg noch in hoger beroep de kans gehad om rustig en op zijn tempo het dossier integraal te bestuderen en hij beschikte bijgevolg niet over de tijd en de middelen om zijn verdediging te voeren; dat de eiser de gelegenheid heeft gehad het dossier te bespreken met zijn raadsman en dat zijn raadsman hem zelf inzage heeft bezorgd in stukken van het strafdossier, doet daaraan geen afbreuk; het is immers aan de hoven en rechtbanken om de eiser inzage te bezorgen en hem voldoende tijd en faciliteiten te bezorgen om zijn verdediging te kunnen voeren.
  5. Een beklaagde die het strafdossier heeft ingezien via zijn advocaat, met wie hij dat dossier heeft kunnen bespreken, kan niet gegriefd zijn door het enkele feit dat de hoven en de rechtbanken hem die inzage niet hebben verleend. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  6. Het arrest (p. 10-11) oordeelt niet dat de eiser onvoldoende tijd en middelen heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden, maar integendeel dat: - de eiser expliciet erkent dat hij inzage kreeg van de stukken van het strafdossier via zijn advocaat, hetgeen aantoont dat zijn advocaat inzage en een kopie van de dossierstukken kon verkrijgen; - in beide aanleggen op verzoek van de partijen voldoende ruime conclusietermijnen werden verleend om elk van de partijen toe te laten op een betekenisvolle wijze zijn verdediging te organiseren; - hoewel de eiser op een aantal specifieke ogenblikken om bepaalde redenen zijn dossier niet eigenhandig kon inkijken, blijkt uit hetgeen voorafgaat en uit het geheel van de dossierstukken dat de eiser via zijn raadsman kennis heeft kunnen krijgen van alle relevante dossierstukken en dat hij in beide aanleggen over voldoende tijd beschikte om zijn verdediging in staat te stellen; - het feit dat de eiser kon beschikken over de dossierstukken alsook over voldoende tijd om zijn verdediging op te bouwen, ook blijkt uit de kwaliteit van zijn schriftelijke argumentatie in beide aanleggen, uit het namens hem gevoerde pleidooi en uit zijn eigen gezegden ten overstaan van de appelrechters. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 9, § 2, Interneringswet: het arrest beveelt de internering van de eiser wegens de bewezen verklaarde feiten in de gevoegde strafdossiers HA.37.L1.23050-18 (onder meer verkrachting) en HA.53.L1.26228-19 (belaging), terwijl enkel in dat tweede strafdossier een deskundige is aangesteld; op grond van artikel 9, § 2, Interneringswet kan de internering nochtans enkel worden bevolen na uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek; dat onderzoek dient op tegenspraak te worden uitgevoerd en de beoordeling van de geestestoestand van de beklaagde in het licht van de ten laste gelegde feiten is een essentieel deel van de tegenspraak, zodat het deskundigenonderzoek niet zomaar van het ene strafonderzoek naar het andere kan worden overgeheveld; het wettelijk vereiste deskundigenonderzoek moet de rechter adviseren over de geestestoestand van de beklaagde op het ogenblik van de feiten en over het mogelijke oorzakelijk verband tussen de geestesstoornis en de feiten; het thans gebruikte deskundigenverslag doet geen uitspraak hierover omdat het is opgesteld in een ander strafdossier met betrekking tot andere feiten; bijgevolg is er voor de bewezen verklaarde feiten van onder meer verkrachting geen deskundigenonderzoek dat voldoet aan artikel 5 Interneringswet.
  8. Artikel 5, § 1, Interneringswet bepaalt dat, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 van die wet bedoelde toestand, het openbaar ministerie of de rechter een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek beveelt teneinde onder meer na te gaan of (1°) de persoon op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast en (2°) er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten. Artikel 5, § 3, tweede lid, Interneringswet bepaalt dat een actualisering van het deskundigenonderzoek kan worden gevraagd wanneer dit nodig wordt geacht. Artikel 9, § 1, 2°, Interneringswet bepaalt dat de rechter slechts kan overgaan tot de internering van een persoon die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast. Overeenkomstig artikel 9, § 2, van die wet beslist de rechter na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek.
  9. Het feit dat de rechter zich zodoende door een deskundige moet laten voorlichten over de geestestoestand van de beklaagde ten tijde van de feiten en van het deskundigenonderzoek en over het mogelijke oorzakelijk verband tussen de geestesstoornis en de feiten, staat niet eraan in de weg dat het de rechter zelf is die onaantastbaar oordeelt over de geestestoestand van de beklaagde op het moment van de beslissing en dat het advies van de deskundige enkel een hulpmiddel is bij de globale inschatting van die geestestoestand door de rechter.
  10. Bijgevolg verplichten noch de vermelde wetsbepalingen noch artikel 5.4 EVRM de rechter, die overweegt de internering van de beklaagde te bevelen voor samenhangende strafbare feiten, voor elk van die feiten een deskundigenonderzoek of de actualisatie van een reeds in de procedure uitgevoerd deskundigenonderzoek te bevelen. De rechter kan zich ook baseren op het verslag van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek dat reeds vroeger in de procedure werd bevolen voor andere samenhangende feiten, wanneer hij van oordeel is dat dit verslag hem voor alle te beoordelen feiten een voldoende advies verschaft over de geestestoestand van de beklaagde op het moment van zijn beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 15) oordeelt: - in het dossier met notitienummer HA.53.L1.26228-19 stelde de onderzoeksrechter dr. F. M., forensisch psychiater, en R. M., forensisch psycholoog, als gerechtsdeskundigen aan; - zij legden op 6 december 2020, derhalve minder dan een jaar geleden, hun definitief verslag neer; - de samenvoeging van de dossiers met de notitienummers HA.53.L1.26228-19 en HA.37.L1.23050-18 werd zowel door de eerste rechters als door het hof van beroep bevolen, zodat het betreffende verslag bij de behandeling van beide dossiers ter kennisname voorlag; - de besluitvorming van de voormelde gerechtsdeskundigen werd namens de eiser inhoudelijk niet bekritiseerd; - er liggen aan het hof van beroep geen actuele bewijsstukken voor die van aard zijn de actualiteit van de vaststellingen van de gerechtsdeskundigen in twijfel te trekken; - het verslag van de gerechtsdeskundigen is voldoende actueel; - het feit dat het deskundigenonderzoek werd bevolen in het kader van het dossier HA.53.L1.26228-19 en dat er in het dossier HA.37.L1.23050-18 niet eveneens een dergelijk onderzoek werd bevolen, heeft in de gegeven omstandigheden niet tot gevolg dat er thans opnieuw gerechtsdeskundigen moeten worden aangesteld om opnieuw de geestestoestand van de eiser te onderzoeken. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.