← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 Rolnummer: P.22.0021.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 963 - laatst gezien 2026-06-19 04:11 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 Fiches 1 - 2 De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is; aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen; het staat aan de strafrechter om te oordelen over de schuld van een beklaagde aan een aan deze laatste ten laste gelegd misdrijf; binnen dat kader dient de strafrechter te onderzoeken of de eventueel door hem toe te passen strafbepaling ten tijde van het feit klaarblijkelijk voldeed aan de vereisten van precisie, duidelijkheid en voorspelbaarheid opdat die bepaling op de beklaagde kan worden toegepast; het feit dat die vereisten een algemene draagwijdte hebben die mee in de beoordeling moet worden betrokken, belet niet dat de strafrechter ze in de hem voorgelegde zaak concreet moet toepassen, rekening houdend met de persoon van de beklaagde en diens situatie ten tijde van het feit; dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met het vereiste van redelijke voorzienbaarheid; er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen; het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteit van de strafwet - Nauwkeurigheid en voorspelbaarheid van de strafwet - Evolutie van de strafbare gedragingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteit van de strafwet - Nauwkeurigheid en voorspelbaarheid van de strafwet - Evolutie van de strafbare gedragingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 3 Of er sprake is van een bos in de zin van artikel 3 Bosdecreet hangt af van de feitelijke toestand op het terrein; daarover oordeelt de rechter onaantastbaar met inachtneming van de criteria vermeld in die bepaling; die criteria zijn niet vaag en zij verlenen aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid, maar zijn klaarblijkelijk voldoende duidelijk en nauwkeurig opdat eenieder zou weten wanneer hij zich in een bos bevindt; uit het enkele feit dat de rechter dat laatste slechts kan uitmaken op grond van de concrete situatie die hij beoordeelt na de feiten, volgt niet dat artikel 3, § 1, Bosdecreet het legaliteitsbeginsel miskent
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BOSSEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Definitie van een bos - Beoordeling van een terrein door de rechter Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 2 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Fiches 4 - 5 Uit de samenhang tussen artikel 3, §1 Bosdecreet en de artikelen 12bis tot en met 12novies Decreet Natuurbehoud alsook de wetsgeschiedenis van het decreet van 22 juni 2018 houdende diverse wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu volgt dat de onderscheiden toegankelijkheid van bossen voor voetgangers en gemotoriseerd verkeer voortvloeit uit de beperkte impact die voetgangers hebben op de aard en de functies van bos- en natuurgebieden; daartegenover staat dat de impact van gemotoriseerd verkeer van een geheel andere orde is gelet op onder meer de snelheid, het gevaar en het geluid dat kan uitgaan van dergelijk verkeer; dit verschil is een feit van algemene bekendheid dat zodanig vanzelfsprekend is dat het geen verdere toelichting vereist; hieruit volgt dat, voor wat betreft de toegang tot een bos of tot bepaalde plaatsen in een bos, de rechtstoestand van voetgangers en deze van gemotoriseerde voertuigen zodanig verschillend is dat de beide categorieën onderling niet te vergelijken zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BOSSEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Toegang - Gemotoriseerd vervoer - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Decr. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu - 21-10-1997 - Artt. 12bis tot en met 12novies - 40 ELI link Pub nr 1998036441 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Decreet Natuurbehoud - Toegang tot bossen - Gemotoriseerd vervoer - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Decr. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu - 21-10-1997 - Artt. 12bis tot en met 12novies - 40 ELI link Pub nr 1998036441 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0021.N J. M. L. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan De Groote, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 december
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 15 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 3 mei 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 12, 13 en 14 Grondwet en artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen over de miskenning van het legaliteitsbeginsel door artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud samen met artikel 3, § 1, Bosdecreet, de artikelen 12septies en 12novies Decreet Natuurbehoud en artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM; het arrest steunt daarvoor ten onrechte op de uitzonderingsbepaling van artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof; het arrest koppelt de legaliteitstoets louter aan de feitelijk voorliggende situatie in plaats van een algemene toets te doen op grond van de wettelijke bepalingen zelf; het is onmogelijk op voorhand te weten wat de rechter als een bos zal aanzien; dat de eiser zich “klaarblijkelijk” in een bos zou hebben bevonden, impliceert niet dat de betekenis van een bos klaarblijkelijk duidelijk zou zijn; aldus verwart het arrest de legaliteitsbeoordeling van de strafwet met de toepassing van de strafwet; uit het arrest blijkt ook niet welk onderdeel van de definitie van een bos “klaarblijkelijk” genoeg duidelijk is opdat op grond van de strafbaarstelling kan zijn geweten wat een bos is en opdat geen vraag aan het Grondwettelijk Hof zou moeten worden gesteld. Het middel vraagt om eventueel de volgende vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt het artikel 16.6.1 § 1, lid 1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid iunctis de artikelen 3 §§ 1, 2 en 3 van het Bosdecreet, het artikel 2, 52° en de artikelen 12septies, 12novies van het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu de artikelen 14 van de Grondwet en/of de artikelen 7 EVRM en 15 BUPO-verdrag in die zin dat het begrip “bos” in onvoldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke bossen toegankelijk zijn en op welke wijze?”
  3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  4. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen.
  5. Het staat aan de strafrechter om te oordelen over de schuld van een beklaagde aan een aan deze laatste ten laste gelegd misdrijf. Binnen dat kader dient de strafrechter te onderzoeken of de eventueel door hem toe te passen strafbepaling ten tijde van het feit klaarblijkelijk voldeed aan de vereisten van precisie, duidelijkheid en voorspelbaarheid opdat die bepaling op de beklaagde kan worden toegepast. Het feit dat die vereisten een algemene draagwijdte hebben die mee in de beoordeling moet worden betrokken, belet niet dat de strafrechter ze in de hem voorgelegde zaak concreet moet toepassen, rekening houdend met de persoon van de beklaagde en diens situatie ten tijde van het feit.
  6. Dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met het vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben.
  7. Op grond van artikel 12septies, § 1, eerste lid, 2°, Decreet Natuurbehoud is een bos toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen. Artikel 2, 57°, van dat decreet definieert openbare wegen als de wegen die een bestemming hebben gekregen als openbare weg, meer bepaald de wegen die de administratieve overheid zelf daarvoor heeft bestemd en de wegen waarop door verjaring een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang is gevestigd. Private wegen zijn overeenkomstig artikel 2, 58°, van dat decreet de private toegangswegen of de wegen die door het publiek worden gebruikt, maar waar niet door verjaring een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang op is gevestigd. Artikel 12novies Decreet Natuurbehoud bepaalt: “In een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, is geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer toegelaten, uitgezonderd op de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerd verkeer en in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg. Het verbod, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor gemotoriseerd verkeer dat nodig is voor: 1° het uitvoeren van beheeractiviteiten, inclusief jacht- en bestrijdingsactiviteiten overeenkomstig de jachtregelgeving of de regelgeving inzake soortenbeheer; 2° het uitoefenen van toezicht en opsporing; 3° het garanderen van de veiligheid van de bezoekers; 4° bijzondere omstandigheden die vastgesteld zijn in een toegankelijkheidsregeling of een natuurbeheerplan; 5° het gebruik van toegangswegen door de beheerder van het terrein of zijn genodigden in functie van de bereikbaarheid van onroerende goederen.” Artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud definieert een bos als een grondoppervlakte zoals vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, Bosdecreet, met uitsluiting van de grondoppervlakten vermeld in artikel 3, § 3, van dat decreet. Artikel 12bis Decreet Natuurbehoud bepaalt dat bij het beheer van terreinen ten behoeve van het natuurbehoud wordt gestreefd naar een geïntegreerd beheer waarbij rekening gehouden wordt met de ecologische, de economische en de sociale functie. Die functies worden nader toegelicht in hoofdstuk 3bis (artikelen 12bis tot 12novies) van dat decreet.
  8. Artikel 3, § 1, Bosdecreet bepaalt: “Onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.” Overeenkomstig artikel 3, § 2, Bosdecreet behoren tot een bos ook de voorheen met bos bezette kaalvlakten, niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals bos- en brandwegen, bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos, een aantal aanplantingen hoofdzakelijk bestemd voor de houtvoortbrengst en grienden. De oppervlakten bezet met beplantingen, aanplantingen en teelten zoals vermeld in artikel 3, § 3, Bosdecreet vallen daarentegen niet onder het begrip bos.
  9. Artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM bepaalt dat elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door deze titel gehandhaafde milieuvoorschriften strafbaar is met de daar bedoelde straffen.
  10. Of er sprake is van een bos in de zin van artikel 3 Bosdecreet hangt af van de feitelijke toestand op het terrein. Daarover oordeelt de rechter onaantastbaar met inachtneming van de criteria vermeld in die bepaling. Die criteria zijn niet vaag en zij verlenen aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid, maar zijn klaarblijkelijk voldoende duidelijk en nauwkeurig opdat eenieder zou weten wanneer hij zich in een bos bevindt. Uit het enkele feit dat de rechter dat laatste slechts kan uitmaken op grond van de concrete situatie die hij beoordeelt na de feiten, volgt niet dat artikel 3, § 1, Bosdecreet het legaliteitsbeginsel miskent.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest citeert de toepasselijke bepalingen en oordeelt verder als volgt: - uit de artikelen 12septies, § 1, eerste lid, 2°, en 12novies, eerste lid, Decreet Natuurbehoud volgt dat in een bos geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer is toegelaten, uitgezonderd op de openbare wegen die zijn ingericht voor het gewone gemotoriseerd verkeer en in hoofdzaak zijn bestemd als doorgangsweg. Artikel 12novies, tweede lid, Decreet Natuurbehoud vermeldt een aantal uitzonderingen op dit verbod, die hier niet van toepassing zijn; - de eiser werd op 21 oktober 2018 te L. onderschept toen hij met zijn en-duro-motorfiets reed op een locatie die volgens het aanvankelijk proces-verbaal gelegen was in het openbaar bos “R.”; - uit de omschrijving van de plaatsgesteldheid in de processen-verbaal en het fotodossier wordt afgeleid dat de plaats waar de eiser staande werd gehouden, deel uitmaakt van een grondoppervlakte waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaakten, waartoe een eigen fauna en flora behoorde en die één of meer functies vervulde, in dit geval minstens een sociale functie met het oog op natuurbeleving en recreatie. Deze plaats lag dus in een bos zoals bedoeld in artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud; - het enkele feit dat de exacte locatie in dit bos waar de eiser met zijn motorfiets reed was ingericht als een weg, doet hieraan geen afbreuk. Niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de bos- en de brandwegen, maken krachtens artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud in samenlezing met artikel 3, § 2, Bosdecreet immers deel uit van het bos. De in artikel 3, § 3, Bosdecreet vermelde uitzonderingen zijn hier niet van toepassing; - de vermelde regels bepalen in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen wat een bos is en waar derhalve gemotoriseerd verkeer in principe verboden en zelfs strafbaar is, zodat degene die het bedoelde gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg daarvan zal zijn. De strafbepaling is voldoende toegankelijk en omschrijft, in context met andere bepalingen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken is derhalve niet miskend; - aangezien de door de eiser aangehaalde wetsartikelen klaarblijkelijk niet het in de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel in strafzaken miskennen, zijnde een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR, is er bij toepassing van artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof geen reden om hierover de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag te stellen; - in dit concrete geval was het op grond van de feitelijke toestand overduidelijk dat de eiser zich met zijn motorfiets in een bos begaf waar overeenkomstig de artikelen 12septies, § 1, eerste lid, 2°, en 12novies, eerste lid, Decreet Natuurbehoud geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer was toegelaten, uitgezonderd op de openbare wegen die waren ingericht voor het gewone gemotoriseerd verkeer en die in hoofdzaak bestemd waren als doorgangsweg. Deze voorwaarden dienden cumulatief vervuld te zijn; - uit de hoger vermelde omschrijving van de plaatsgesteldheid en het fotodossier blijkt dat de weg waarop de eiser met zijn motorfiets reed, ter plaatse in ieder geval niet in hoofdzaak was bestemd als doorgangsweg. Op die plaats betrof het immers een onverharde zand- en kiezelweg die niet hoofdzakelijk door het verkeer werd gebruikt als verbindingsweg naar een andere bestemming; - de stelling van de eiser dat deze weg kan worden gebruikt om door te rijden van de ene naar de andere door hem aangeduide openbare weg, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Op de plaats waar de eiser staande werd gehouden, was deze weg zeker niet in hoofdzaak bestemd om als doorgangsweg tussen die openbare wegen te dienen; - ook de vaststelling dat uit het fotodossier blijkt dat op de weg tal van bandensporen te zien zijn, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Deze sporen kunnen zijn veroorzaakt door gemotoriseerd verkeer waarvoor het verbod niet geldt, zoals verkeer dat nodig is voor het uitoefenen van beheersactiviteiten of het uit¬oefenen van toezicht en opsporing. De eiser mocht uit deze bandensporen niet afleiden dat de weg in hoofdzaak zou zijn bestemd als doorgangsweg; - ook eisers stelling dat die weg door de lokale overheid zou zijn onderhouden, doet aan dit alles geen afbreuk, niet in het minst omdat uit de door de eiser voorgelegde foto’s duidelijk blijkt dat het niet gaat om dezelfde locatie als die waar hij op 21 oktober 2018 staande werd gehouden; - aangezien de voorwaarden van artikel 12novies, eerste lid, Decreet Natuurbehoud cumulatief vervuld dienen te zijn opdat de in die bepaling bedoelde uitzondering van toepassing zou zijn, hoeft niet verder te worden onderzocht of de door de eiser bereden weg een openbare weg betrof die ingericht was voor het gewone gemotoriseerd verkeer; - alle door de wet vereiste constitutieve bestanddelen van het onder de telastlegging bedoeld misdrijf zijn derhalve bewezen lastens de eiser, die geen rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt; - de eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het verbod ter plaatse had moeten worden aangeduid om afdwingbaar te zijn. Het verbod op gemotoriseerd verkeer in een bos volgt uit de vermelde wettelijke bepalingen zelf en dient niet bijkomend op de plaats te worden aangeduid. Het moest voor de eiser, die overigens naar eigen zeggen al gedurende vele jaren met zijn motorfiets geregeld op onverharde wegen rijdt, duidelijk zijn dat deze verbodsbepaling ter plaatse van toepassing was, zonder dat daarvoor een verbodsaanduiding nodig was; - eisers uitgangspunt dat hij de betreffende weg mocht gebruiken louter omdat deze met zijn motorfiets fysiek toegankelijk was, is strijdig met de wet; - er ligt ter zake geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel, noch van het vertrouwensbeginsel voor. Aldus oordeelt het arrest op grond van de bewoordingen van de voormelde decreetbepalingen, getoetst aan de concrete plaatselijke toestand die het beschrijft, dat het voor eenieder en in het bijzonder voor de eiser duidelijk moest zijn dat deze laatste zich op het moment van de feiten bevond in een bos, waar er niet met een motorfiets mag worden gereden op een weg die geen doorgangsweg is.
  13. Met die redenen, die zowel steunen op de inhoud en draagwijdte van de voormelde bepalingen als op eisers persoon en concrete situatie ten tijde van de vervolgde feiten, en die geen verdere toelichting van de appelrechters vereisen, verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de in het middel vermelde bepalingen het legaliteitsbeginsel klaarblijkelijk niet miskennen en de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag niet moet worden gesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  14. Om dezelfde redenen zoals hiervoor vermeld door de appelrechters, stelt het Hof op grond van artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof evenmin de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet en artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen over de miskenning van het gelijkheidsbeginsel door artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud samen met artikel 3, § 1, Bosdecreet, de artikelen 12septies en 12novies Decreet Natuurbehoud en artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM omdat: “Er (…) klaarblijkelijk [evenmin] een [miskenning] van het gelijkheidsbeginsel [voorligt], nu het door [de eiser] aangeklaagde verschil in behandeling naargelang men zich al dan niet met een gemotoriseerd vervoersmiddel in het bos wenst te begeven, op een objectief criterium berust en op het eerste gezicht redelijk verantwoord lijkt te zijn. Derhalve is er evenmin een reden om hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen”; alvorens een prejudiciële vraag te stellen, moet de rechter niet nagaan of er een klaarblijkelijke miskenning van het gelijkheidsbeginsel is, maar wel of er klaarblijkelijk geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel is; het volstaat niet dat de rechter prima facie een objectief criterium ontwaart waardoor het onderscheid redelijk verantwoord “lijkt te zijn”, aangezien de rechter geen beoordeling prima facie moet maken maar moet vaststellen of er kennelijk een objectief criterium is dat een onderscheid rechtvaardigt; het arrest doet het omgekeerde. Het middel vraagt eventueel de volgende vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 12septies van het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en 12novies van hetzelfde Decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre enerzijds de ontoegankelijkheid van de bossen in de zin van dit Decreet in het geval van artikel 12septies een uitdrukkelijke aanduiding vereisen, terwijl anderzijds de ontoegankelijkheid van de bossen in de zin van dit Decreet in het geval van artikel 12novies dit niet vereisen?”
  16. Op grond van artikel 3, § 1, Bosdecreet zijn bossen grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. Tot de bossen behoren ook de oppervlakten bedoeld in paragraaf
  17. De functies van een terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud worden bepaald in hoofdstuk IIIbis (artikelen 12bis tot 12novies) Decreet Natuurbehoud. Afdeling 4 van dat hoofdstuk (artikelen 12sexies tot 12novies) bepaalt de sociale functie van een dergelijk terrein. Overeenkomstig artikel 12sexies van dat decreet heeft de sociale functie van een dergelijk terrein onder meer betrekking op: (1°) de natuurbeleving en -educatie; (2°) de toegankelijkheid van het terrein met het oog op recreatie; (3°) de rol van het terrein voor algemene landschapszorg en het beheer van onroerend erfgoed en (4°) de rol van het terrein voor het wetenschappelijk onderzoek. Overeenkomstig artikel 12septies van dat decreet zijn bossen in het algemeen toegankelijk voor voetgangers, behoudens specifieke plaatsen die ontoegankelijk zijn gesteld en die dan moeten worden aangeduid. Overeenkomstig artikel 12novies Decreet Natuurbehoud is gemotoriseerd verkeer onder geen enkele vorm in een bos toegelaten, behoudens op wegen bepaald in het eerste lid of in situaties bepaald in het tweede lid.
  18. Uit de samenhang tussen die bepalingen alsook de wetsgeschiedenis van het decreet van 22 juni 2018 houdende diverse wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu volgt dat de onderscheiden toegankelijkheid van bossen voor voetgangers en gemotoriseerd verkeer voortvloeit uit de beperkte impact die voetgangers hebben op de aard en de functies van bos- en natuurgebieden. Daartegenover staat dat de impact van gemotoriseerd verkeer van een geheel andere orde is gelet op onder meer de snelheid, het gevaar en het geluid dat kan uitgaan van dergelijk verkeer. Dit verschil is een feit van algemene bekendheid dat zodanig vanzelfsprekend is dat het geen verdere toelichting vereist.
  19. Hieruit volgt dat, voor wat betreft de toegang tot een bos of tot bepaalde plaatsen in een bos, de rechtstoestand van voetgangers en deze van gemotoriseerde voertuigen zodanig verschillend is dat de beide categorieën onderling niet te vergelijken zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het Hof stelt geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof die uitgaat van niet te vergelijken rechtstoestanden die de wet anders behandelt.
  21. Met de in het middel vermelde redenen, die de appelrechters onder meer afleiden uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, oordelen zij in essentie in dezelfde zin als vermeld, maar steunen zij daarvoor op artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Uit die redenen blijkt eveneens dat de appelrechters, met het oordeel dat het objectieve criterium van onderscheid voor wat betreft de toegang van voetgangers en gemotoriseerd verkeer tot een bos “op het eerste gezicht redelijk verantwoord lijkt te zijn”, hun oordeel niet steunen op een marginale beoordeling van het criterium van onderscheid, maar enkel verduidelijken dat zij zich niet in de plaats van het Grondwettelijk Hof kunnen stellen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen over de miskenning van het gelijkheidsbeginsel door artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud samen met artikel 3, § 1, Bosdecreet, de artikelen 12septies en 12novies Decreet Natuurbehoud en artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM; het arrest oordeelt enkel dat er een objectief criterium is op grond waarvan wordt vastgesteld dat er geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel is, maar duidt niet aan waarin dat criterium bestaat en het vermeldt niet waarom dat beweerde objectieve onderscheid redelijk verantwoord zou zijn; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord en kan de redenering van de appelrechters niet worden nagegaan.
  23. Zoals blijkt uit de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel, behoeft het onderscheid tussen voetgangers en gemotoriseerd verkeer in een bos geen verdere toelichting. Aldus volstaan de in het antwoord op het eerste en tweede middel vermelde redenen, samen gelezen met het door de eiser gevoerde verweer, om de redenering van de appelrechters na te gaan en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, alsmede miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel: het arrest oordeelt: “Het hof (van beroep) volgt [de eiser] niet in diens stelling dat het verbod ter plaatse had moeten worden aangeduid om afdwingbaar te zijn. Het verbod op gemotoriseerd verkeer in een bos volgt uit de hoger vermelde wettelijke bepalingen zelf en dient niet bijkomend op de plaats aangeduid te worden”; de eiser heeft twee miskenningen van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd, namelijk eensdeels dat er een principieel verbod bestaat voor het gebruik van een bos voor gemotoriseerde gebruikers terwijl ongemotoriseerd gebruik principieel is toegelaten en anderdeels dat het verbod voor de niet-gemotoriseerde gebruiker moet worden aangeduid, terwijl het verbod voor gemotoriseerd verkeer niet moet worden aangeduid; het eventuele objectieve onderscheid dat eruit zou kunnen bestaan dat de ene gebruiker gemotoriseerd is en de andere niet, verklaart niet waarom een gemotoriseerde burger geen recht heeft op een uitdrukkelijk, extern waarneembaar teken waaruit blijkt dat hij geen toegang mag nemen tot een openbare weg, terwijl de niet-gemotoriseerde gebruiker dit wel heeft; dit klemt des te meer daar bepaalde boswegen wel toegankelijk zijn voor gemotoriseerd verkeer. Het onderdeel vraagt eventueel aan het Grondwettelijk Hof de vraag te stellen die is vermeld in het antwoord op het tweede middel.
  25. Het arrest oordeelt dat de eiser zich in elk geval niet bevond op een doorgangsweg zoals vereist door artikel 12novies, eerste lid, Decreet Natuurbehoud, zodat niet verder hoeft te worden onderzocht of de door de eiser bereden weg een openbare weg betrof die ingericht was voor het gewone gemotoriseerd verkeer. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op openbare wegen in een bos, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  26. Voor het overige is het verschil tussen de vereiste verbodsaanduidingen voor voetgangers en voor gemotoriseerd verkeer in een bos onlosmakelijk verbonden met het in het antwoord op het tweede middel vermelde objectieve onderscheid tussen die beide categorieën bosgebruikers voor wat betreft hun algemene mogelijkheden tot toegang tot een bos. Bijgevolg is de beslissing met de in het onderdeel vermelde redenen naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  27. De prejudiciële vraag wordt om de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel niet gesteld. Vierde middel Eerste onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat uit de door de eiser voorgelegde foto’s duidelijk blijkt dat het niet gaat om dezelfde locatie als die waar de eiser op 21 oktober 2018 staande werd gehouden; de foto’s zijn wel degelijk genomen op die plaats en op grond van geen enkel element uit het strafdossier kunnen de appelrechters afleiden dat dit niet het geval is; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers foto’s.
  29. Een grief houdende miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin een geschrift aan te wijzen waarnaar de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst en die beslissing te verwijten aan dit geschrift een vermelding toe te schrijven die niet erin voorkomt dan wel te verklaren dat dit geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt, of met andere woorden van het geschrift een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
  30. De miskenning van de bewijskracht van een foto, los van de eventueel daarbij horende tekst, is niet mogelijk. Een foto is immers geen geschrift. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de appelrechters hebben ten onrechte het debat niet heropend over hun eigen vaststelling dat de door de eiser voorgelegde foto’s niet zijn genomen op dezelfde locatie als die waar de eiser staande werd gehouden; de eiser heeft aangevoerd dat de plaats waar hij staande werd gehouden een openbare weg is die hoofdzakelijk als doorgangsweg wordt gebruikt, hetgeen blijkt uit foto’s van andere voertuigen en onderhoudswerken; indien de appelrechters hun overtuiging steunen op het feit dat de lokale weg waar de eiser staande werd gehouden, niet werd onderhouden door de lokale overheid, dient deze vaststelling het voorwerp te zijn van een tegensprekelijk debat zodat de eiser deze foutieve vaststelling nuttig kan tegenspreken; de eiser kon ook niet verwachten dat het hof van beroep uit het fotomateriaal foutief zou afleiden dat er geen onderhoud gebeurde aan de weg waar hij staande werd gehouden aangezien dit geenszins uit deze foto’s valt af te leiden.
  32. Artikel 6 EVRM wordt niet geschonden wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, konden verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.
  33. De eiser heeft voor de appelrechters aan de hand van een fotodossier aangevoerd dat hij is staande gehouden op een openbare weg die in hoofdzaak bestemd is als doorgangsweg en waarop zodoende gemotoriseerd verkeer is toegelaten. De eiser kon verwachten dat de appelrechters de bewijswaarde van die foto’s zouden beoordelen. Aldus miskennen de appelrechters artikel 6 EVRM niet doordat zij met het oog op die beoordeling beslissen het debat niet te heropenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  34. In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat de appelrechters de foto’s onjuist beoordelen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel
  35. Het middel voert miskenning aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel: het arrest onderzoekt ten onrechte niet of de overheid, rekening houdend met de door de eiser voorgelegde elementen, de vermelde beginselen heeft geëerbiedigd en of de eiser zodoende rechtmatig ervan mocht uitgaan dat de overheid ontoegankelijke boswegen aanduidt met een verbodsbord of een fysieke afsluiting; het arrest oordeelt enkel op grond van abstracte decreetbepalingen dat de eiser, gelet op zijn ervaring, behoorde te weten dat hij de betrokken weg niet mocht gebruiken.
  36. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  37. Het arrest steunt de beslissing dat een verbodsbord of fysieke afsluiting niet vereist is, niet in de eerste plaats op eisers ervaring maar wel op de legaliteit van de artikelen 12septies en 12novies Decreet Natuurbehoud en artikel 3 Bosdecreet. Het vervolledigt die redenen enkel door verder te wijzen op eisers ervaring. In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  38. De rechter kan decretale strafbepalingen die als dusdanig precies, duidelijk en uitvoerbaar zijn, wat het arrest wettig vaststelt, niet buiten toepassing laten wegens de miskenning van algemene rechtsbeginselen. Met de verwijzing naar de toepasselijke decreetbepalingen, het oordeel dat die bepalingen het legaliteitsbeginsel klaarblijkelijk niet miskennen en het oordeel dat de eiser niet aannemelijk maakt dat er voor zijn handelen een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond voorhanden was, is de beslissing dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel
  39. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de overheid het beginsel van behoorlijk bestuur zoals vervat in het patere legem quam ipse fecisti-beginsel (vrij vertaald: de overheid moet haar eigen regels naleven) heeft miskend zodat er, gelet op de administratieve afhankelijkheid, geen misdrijf voorhanden is; de eiser vermeldde daarbij dat uit de omzendbrief LNW 97/1 van 18 februari 1997 betreffende richtlijnen voor de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende de toegankelijkheid en het occasionele gebruik van de bossen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 1996, bleek dat de overheid zelf reeds stelde dat een behoorlijke aanduiding moet bestaan bij het ontoegankelijk maken van boswegen; uit het arrest blijkt nergens waarom dat beginsel wel of niet van toepassing zou zijn en in welke mate er wel of geen miskenning is van dit beginsel, dat eenvoudigweg niet wordt vermeld hoewel de eiser een juridische redenering eruit afleidt die een invloed kan hebben op de oplossing van het geschil.
  40. Met de redenen vermeld in het antwoord op het vijfde middel beantwoordt het arrest eisers verweer dat hij niet kan worden gestraft op grond van artikel 2, 52°, Decreet Natuurbehoud, artikel 3, § 1, Bosdecreet, de artikelen 12septies en 12novies Decreet Natuurbehoud en artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM wegens miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel door de overheid. Het moet niet in het bijzonder antwoorden op de in het middel aangevoerde argumenten, die de eiser enkel heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  41. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.