id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.5 Rolnummer: C.17.0709.N Zaak: C. contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 1036 - laatst gezien 2026-06-19 04:52 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220509.3N.5 Fiche Artikel 348-11 van het oud Burgerlijk Wetboek laat de familierechtbank, buiten de gevallen waarin het gaat om een nieuwe adoptie of om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat, slechts toe de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen te weren wanneer de moeder zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artikel 348-11 van het Oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Ouder - Weigering toestemming - Weren - Familierechtbank - Omstandigheden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 348-11 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0709.N M.C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- N.M.F.,
- E.A.N., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 oktober
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 juni 2020 verwezen naar de derde kamer. Het Hof heeft bij arrest van 7 september 2020 twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 7 oktober 2021 heeft het Grondwettelijk Hof deze vragen beantwoord. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 5 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat is gehecht aan het arrest van het Hof van 7 september 2020, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede en derde onderdeel
- In voormeld arrest van 7 september 2020 oordeelde het Hof dat uit de redactie van artikel 348-11 Oud Burgerlijk Wetboek, in zijn huidige versie, en de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen of haar toestemming intrekt en niet blijkt dat zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, de adoptierechter de weigering om toestemming te verlenen slechts als onverantwoord kan weren, rekening houdend met het belang van het kind, wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschap ouderlijk engagement bestaat. Het Hof verwierp het eerste onderdeel en stelde aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vragen: “Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind kort na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende lange tijd in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind zou zijn het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit?” “Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter in de regel het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind?”
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 133/2021 van 7 oktober 2021 deze vragen ontkennend beantwoord en gezegd voor recht dat artikel 348-11 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet niet schendt, in zoverre het de familierechtbank, buiten de gevallen waarin het gaat om een nieuwe adoptie of om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat, slechts toelaat de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen te weren wanneer de moeder zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht.
- De onderdelen die het tegendeel aanvoeren, berusten op een onjuiste rechtsopvatting en falen derhalve naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 890,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220509.3N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div