id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.15 Rolnummer: P.22.0600.N Zaak: T. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-05-12 Raadplegingen: 760 - laatst gezien 2026-06-18 22:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van de artikelen 835 en 842 Gerechtelijk Wetboek volgt dat een nieuw wrakingsverzoek onontvankelijk is wanneer het is gegrond op dezelfde feiten als die waarop een eerder wrakingsverzoek is gegrond. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Verzoek tot wraking - Verwerping van het verzoek tot wraking - Neerlegging van een nieuw verzoek tot wraking - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 835 en 842 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0600.N E. T., verzoeker tot wraking, met als raadsman mr. Frank Scheerlinck, advocaat bij de balie Gent, IN DE ZAAK VAN DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, tegen
- E. T., reeds vermeld, beschuldigde, aangehouden,
- A. N., beschuldigde, aangehouden, tevens inzake
- R. I., burgerlijke partij,
- G. R., burgerlijke partij,
- M. P., burgerlijke partij,
- A. R., burgerlijke partij,
- L. R., burgerlijke partij,
- D. R., burgerlijke partij,
- R. R., burgerlijke partij,
- T. R., burgerlijke partij,
- R. R., burgerlijke partij,
- G. S., met kantoor te 3500 Hasselt, Plantenstraat 50, in haar hoedanigheid van voogd ad hoc van A. T.,
- V. F., burgerlijke partij,
- M. H. R., burgerlijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wraking van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg in de zaak met notitienummer TG.30.L6.009436/
- De magistraat van wie de wraking wordt gevraagd, heeft niet een door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE PROCEDURE
- De eiser heeft op 28 april 2022 een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg (hierna de voorzitter). Dat verzoek was gesteund op artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek. In essentie werd aangevoerd dat er gewettigde verdenking was omdat de voorzitter bij uitlatingen van getuigen of van de raadsman van een burgerlijke partij over politionele antecedenten of gerechtelijke inlichtingen betreffende de verzoeker slechts een onvolledige duiding heeft verstrekt, niet ambtshalve is tussengekomen maar slechts na een reactie van de raadslieden van de verzoeker, niet de wering heeft bevolen van stukken die flagrant ingaan tegen het vermoeden van onschuld van de verzoeker en door zijn gezegdes het vermoeden van onschuld heeft miskend.
- De voorzitter heeft in het kader van dit eerste wrakingsverzoek op 29 april 2022 de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd, waarbij hij aangaf zich niet van de zaak te willen onthouden.
- Bij arrest P.22.0579.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 van 3 mei 2022 heeft het Hof dit wrakingsverzoek verworpen.
- De verzoeker heeft op 3 mei 2022 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, opnieuw een wrakingsverzoek ingediend. In dit wrakingsverzoek, dat in belangrijke mate de in het eerste wrakingsverzoek ontwikkelde argumenten herneemt, wordt bovendien verwezen naar de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring van de voorzitter afgelegd in het kader van het eerste wrakingsverzoek en meer bepaald de passage: “Onmiddellijk na de opmerking van de advocaten van E.T. is door mij als voorzitter aan de jury meegedeeld dat enkel de feiten waarvoor E.T. definitief veroordeeld werd als vaststaand mogen beschouwd worden. Er werd uitdrukkelijk uitgelegd dat alle andere politionele inlichtingen/antecedenten niet toelaten enige gevolgtrekking te maken omtrent de mogelijke schuld van E.T. Het werd naar mijn aanvoelen helder uitgelegd dat buiten de veroordelingen op het strafregister alle andere gerechtelijke antecedenten niet als vaststaande feiten mogen worden beschouwd. Een soortgelijke opmerking werd, eerder tijdens de debatten (voor 27 april 2022) van dit hof, al door mij en op eigen initiatief gemaakt toen er sprake was van over eerdere conflicten waarin E.T. mogelijk betrokken was.” Volgens de verzoeker volgt uit deze verklaring dat er sprake is van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek omdat uit deze verklaring a contrario volgt dat uit definitieve en op het strafregister vermelde veroordelingen wel gevolgtrekkingen kunnen worden geput met betrekking tot de schuld van de verzoeker, wat volgens hem een flagrante miskenning inhoudt van het vermoeden van onschuld. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het wrakingsverzoek is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
- Artikel 835 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering tot wraking op straffe van nietigheid wordt ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat. Artikel 842 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis of arrest dat een vordering tot wraking heeft verworpen, niet belet dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sinds de uitspraak hebben voorgedaan.
- Uit deze bepalingen volgt dat een nieuw wrakingsverzoek onontvankelijk is wanneer het is gegrond op dezelfde feiten als die waarop een eerder wrakingsverzoek is gegrond.
- De thans aangevoerde wrakingsgrond is gegrond op dezelfde feiten als die waarop de met het eerste wrakingsverzoek aangevoerde wrakingsgrond was gesteund en welke met het arrest van het Hof van 3 mei 2022 werd verworpen, met name de aanvoering dat de voorzitter bij het verhoor van een getuige over het moraliteitsonderzoek of bij uitlatingen van de raadsman van een burgerlijke partij over de politionele antecedenten of de gerechtelijke inlichtingen betreffende de verzoeker slechts een onvolledige duiding heeft verstrekt, dit niet ambtshalve heeft gedaan maar slechts na een reactie van de raadslieden van de verzoeker, niet de wering heeft bevolen van stukken die flagrant ingaan tegen het vermoeden van onschuld van de verzoeker en de gezegdes van de voorzitter in dit verband. In het eerste wrakingsverzoek werd uitdrukkelijk verwezen naar de gezegdes van de voorzitter als reactie op de tussenkomsten van de raadslieden van de verzoeker en werd expliciet gesteld dat daarmee het vermoeden van onschuld werd miskend. De weergave door de voorzitter in zijn door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring, afgelegd in het kader van het eerste wrakingsverzoek, van de gezegdes die hem door de verzoeker met het eerste wrakingsverzoek worden verweten, vormen dan ook geen nieuwe wrakingsgrond. Het wrakingsverzoek is onontvankelijk. Dictum Verwerpt het wrakingsverzoek. Zegt dat overeenkomstig artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek de griffier dit arrest zal ter kennis brengen van de partijen per gerechtsbrief. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div