← België

V. contra I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3 Rolnummer: C.19.0274.N Zaak: V. contra I. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-20 Raadplegingen: 1050 - laatst gezien 2026-06-18 14:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 2.4.6., § 1, eerste lid VCRO vertolkt een algemeen rechtsbeginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening

(1)
(2).
(1)Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590; Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3, AC 2013, nr. 332; Cass. 3 maart 1983, AR nr. 6725, AC 1982-83, nr. 366.
(2)Art. 2.4.6., § 1, eerste lid VCRO, zoals van toepassing voor zijn opheffing bij artikel 110 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemene nut. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ONTEIGENING Vrije woorden: Planologische neutraliteit - Beginsel - Aard Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.6, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Planologische neutraliteit - Beginsel - Aard Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.6, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0274.N
  1. P. V. G.,
  2. E. V. D. P., eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING WESTLEDE, met zetel te 9080 Lochristi, Smalle Heerweg 60, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0219.805.958, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 januari
  3. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 1 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  4. Artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, VCRO, zoals hier van toepassing, bepaalt dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of –vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Deze bepaling vertolkt een algemeen rechtsbeginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening. Hoewel de rechter onaantastbaar in feite oordeelt over de doelstelling van de onteigening, kan het Hof nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht zijn beslissing heeft kunnen afleiden.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - “het geschil (…) in essentie de vraag [betreft] over de waardering van de gronden die de [eisers] gebruikten voor de uitbating van de boomkwekerij en waarvan de bestemming ingevolge het GRUP van 2003 wijzigde van ‘agrarisch gebied’ naar ‘gemengd regionaal bedrijventerrein’ en nadien in 2013 naar ‘Gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen”; - “een relatief klein deel van de zeer omvangrijke zone, die door het GRUP van 2003 bestemd was als gemengd regionaal bedrijventerrein, (…) door het GRUP van 2013 bestemd [werd] als ‘Gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen - Crematorium Aalst’”; - “de gehele zone (…) tussen 2003 en 2013 agrarisch [is] gebleven” en “nooit uitvoering is gegeven aan de bestemmingswijziging naar bedrijventerrein”; - “de onteigende grond (…) zo goed als ingesloten [was], waardoor deze na de bestemmingswijziging ook geen werkelijke waardevermeerdering kon ondergaan zonder de aanleg van zeer ingrijpende voorzieningen en ontsluitingen”; - “uit de motivering van het gewijzigde GRUP van 2013 (…) zonder gerede twijfel [kan] worden vastgesteld dat het tot stand gekomen is naar aanleiding van de studies over de beoogde uitvoering van het GRUP van 2003 waarbij zich tegelijk de problematiek aandiende van het zoeken van een (nieuwe) plaats voor een crematorium”; - “uit de uitvoerige motivering in het besluit van 3 mei 2013 blijkt dat dit GRUP, ondanks of ongeacht haar relatief beperkte wijziging, nog steeds moet aangemerkt worden als één geheel met het vorige GRUP van 2003”; - “een crematorium in wezen opgevat kan worden als een economische activiteit [die] (…) niet onverzoenbaar [is] met een gemengd bedrijventerrein”; - “de omstandigheid dat het bestuur daaraan de formele bestemming heeft gegeven van een ‘gemeenschapsdienst’, voornamelijk omdat ze die activiteit in eigen beheer wil houden, (…) niet in wezen van die aard [is] om aan het GRUP een andere rechtsgrond of zelfs doelstelling toe te dichten”.
  6. De appelrechters die aldus te kennen geven dat de onteigening wordt gevorderd ter verwezenlijking van het, in 2013 licht herziene, gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van 2003, verantwoorden hun beslissing dat “de feitelijke context verantwoordt dat de regel van de planologische neutraliteit nog steeds toepassing vindt op de hier feitelijk steeds als landbouwgronden aangewende onteigende gronden” naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 553,94 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro, en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251016.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.