id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.5 Rolnummer: C.21.0081.N Zaak: OVAM c SOCIETE DE RECHERCHES IMMOBLIERES NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-05-20 Raadplegingen: 873 - laatst gezien 2026-06-16 04:39 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.5 Fiches 1 - 3 Artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk wetboek betreft de omzetting in het nationale recht van artikel 10 van de richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, met op een aantal punten een ruimer toepassingsgebied dan de richtlijn zodat dit artikel ook van toepassing is op de rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade ten aanzien van personen die niet aansprakelijk zijn voor de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Milieuschade - Overheid - Getroffen maatregelen ter voorkoming en tot herstel - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: Milieuschade - Overheid - Getroffen maatregelen ter voorkoming en tot herstel - Vordering tot vergoeding van de kosten - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Artikel 2277ter, § 1, Oud Burgelijk Wetboek - Omzetting van richtlijn 2004/35/EG - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0081.N OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (afgekort OVAM), met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0842.399.963, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen SOCIÉTÉ DE RECHERCHES IMMOBILIÈRES nv, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 387, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.000.068, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 december
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 1 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of waarop de aansprakelijke persoon is geïdentificeerd, indien die laatstgenoemde datum later is. De in het eerste lid vermelde rechtsvorderingen verjaren in ieder geval door verloop van dertig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit dat tot milieuschade heeft geleid, heeft plaatsgevonden.
- Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de voormelde wetsbepaling artikel 10 van de richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade in het nationale recht heeft willen omzetten, met op een aantal punten een ruimer toepassingsgebied dan de richtlijn. De wetgever heeft in artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, in afwijking van het voormelde artikel 10, niet nader bepaald dat de verjaringstermijn geldt voor vorderingen gericht tegen degene die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat de wetgever artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek ook van toepassing heeft willen maken op de rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade ten aanzien van personen die niet aansprakelijk zijn voor de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster laat gelden dat zij niet de aansprakelijke persoon is omdat zij de milieuschade niet heeft veroorzaakt; - de eiseres aanvoert dat de verweerster wel aansprakelijk moet worden gesteld als saneringsplichtige en dat artikel 2277ter Oud Burgerlijk Wetboek hier van toepassing is; - het standpunt van de eiseres niet kan worden gevolgd; - uit de wettekst van artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek blijkt dat de vorderingen tegen de aansprakelijke persoon zijn bedoeld; - de aansprakelijke persoon degene is die gehouden is tot vergoeding van de gevolgen van wat hij heeft veroorzaakt; - uit niets blijkt dat artikel 2277ter Oud Burgerlijk Wetboek ook doelt op de vordering tegen de persoon die niet de schade heeft veroorzaakt maar die als gevolg van bijzondere wetgeving mee gehouden is met of in de plaats van degene die verantwoordelijk is voor zijn daad; - de bijzondere verjaringstermijn van artikel 2277ter Oud Burgerlijk Wetboek strikt moet worden uitgelegd; - artikel 2277ter Oud Burgerlijk Wetboek niet verwijst naar het begrip saneringsplichtige van historische verontreiniging; - het bovenstaande spoort met de ratio van artikel 2277ter Oud Burgerlijk Wetboek zoals die blijkt uit de parlementaire voorbereiding, met name dat de wetgever duidelijk de doelmatigheid heeft willen vergroten van de vorderingen tegen de verantwoordelijke, de vervuiler; - niet blijkt dat de Belgische wetgever gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die richtlijn 2004/35/EG uitdrukkelijk toelaat om strengere nationale regelingen aan te nemen.
- De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat niet artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek maar wel de algemene regel van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de vordering van de eiseres ten aanzien van de verweerster, als saneringsplichtige in de zin van het Bodemsaneringsdecreet die de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakte, schenden artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div