id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.6 Rolnummer: C.21.0030.N-C.21.0386.N Zaak: D. contra ADVIES BUSINESS INVEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2022-05-20 Raadplegingen: 2042 - laatst gezien 2026-06-19 01:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat, wat veronderstelt dat zonder de fout de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan en er bijgevolg geen oorzakelijk verband is wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelswijze correct had uitgevoerd. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Bij het beoordelen van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade moet de rechter bepalen wat de verweerder had moeten doen om rechtmatig te handelen, hierbij abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan
(1).
(1)Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0011.N, arrest niet te publiceren; Cass. 2 maart 2021, AR.P.20.1335.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10, AC 2021, nr. 151; Cass. 22 januari 2021, AR. C.20.0063.N, arrest niet te publiceren; Cass. 22 januari 2021, AR C.19.0303.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.38, AC 2021, nr. 49; Cass. 4 september 2020, AR C.20.0074.N, arrest niet te publiceren. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Beoordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 Wet Landverzekeringsovereenkomst is een bijzondere wet in de zin van artikel 1304, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek zodat een vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst verjaart door verloop van drie jaar voor zover de vordering betrekking heeft op een relatieve nietigheid; de vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst gesteund op een absolute nietigheid verjaart op grond van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek door verloop van tien jaar
(1).
(1)Cass. 10 september 2015, AR C.12.0533.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2-C.12.0597.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Vordering tot nietigverklaring - Verjaringstermijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1304, eerste lid, en 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Art. 34, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Vordering tot nietigverklaring - Verjaringstermijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Art. 34, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, nr. 9/10, p. 1199-
- - VAN SCHOUBROEK, Caroline; Noot'Juridische grondslag van de vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst is bepalend voor de verjaringstermijn' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0030.N J. D. C., eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 26 januari 2021 (G.20.0229.N), vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- ADVIES BUSINESS INVEST bv, met zetel te 2800 Mechelen, Auwegemvaart 6, bus 301, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0449.287.271,
- EVEST sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-9991 Weiswampach (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Am Hock 2, verweersters, mede inzake NORDICA LIFE (BERMUDA) Ltd, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te BM HM LX Hamilton (Bermuda), Victoria Street 26, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. II. Nr. C.21.0386.N NORDICA LIFE (BERMUDA) Ltd, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te BM HM LX Hamilton (Bermuda), Victoria Street 26, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J. D. C., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest, mede inzake
- EVEST sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-9991 Weiswampach (Groot-Hertogdom Luxemburg), Am Hock 2,
- ADVIES BUSINESS INVEST bv, met zetel te 2800 Mechelen, Auwegemvaart 6, bus 301, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0449.287.271, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 september
- Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser in de zaak C.21.0030.N voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres in de zaak C.21.0386.N voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest en dienen te worden gevoegd. B. Zaak C.21.0030.N Derde onderdeel
- Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelswijze correct had uitgevoerd. De rechter moet aldus bepalen wat de verweerder had moeten doen om rechtmatig te handelen. Hij moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan. Indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser aan de verweersters verwijt te hebben bemiddeld bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst met een niet in België erkende verzekeraar en tekort gekomen te zijn aan hun adviesplicht omdat zij hem niet erop hebben gewezen dat de rechtsvoorgangster van de tot bindendverklaring opgeroepen partij een niet in België erkende verzekeraar was en de verzekeringsovereenkomst nietig was; - de eiser vergoeding vordert van zijn schade bestaande uit het totaal verlies van het geïnvesteerde kapitaal en van de normale return waarop hij had kunnen rekenen indien hij niet in de betrokken verzekeringsovereenkomst had geïnvesteerd; - de door de eiser aan de verweersters verweten fouten geen betrekking hebben op de volledige handelingen van het adviseren en bemiddelen maar slechts op één onrechtmatig aspect ervan, met name het adviseren en bemiddelen van een verzekeringsovereenkomst met een verzekeraar die niet in België was erkend; - een correcte toepassing van de oorzakelijkheidsleer in casu inhoudt dat geen abstractie moet worden gemaakt van de volledige handelingen van het adviseren en bemiddelen maar enkel van het verweten onrechtmatig aspect ervan, met name het adviseren en bemiddelen van een verzekeringsovereenkomst met een verzekeraar die niet in België was erkend, en dit met inachtneming van alle overige concrete omstandigheden waarin de schade werd toegebracht en de wettelijke regelgeving die hierop van toepassing was, om vervolgens na te gaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan; - het tot de bestaande feitelijke historiek van het schadegeval behoort dat de eiser een levensverzekeringsovereenkomst, gekoppeld aan een beleggingsfonds, met storting van een eenmalige premie van 230.000,00 euro, wou sluiten en heeft gesloten, met aanduiding van hemzelf als verzekerde en van zijn dochter als begunstigde bij zijn overlijden en de eiser deze door hem gestorte eenmalige premie wou beleggen en heeft belegd in een fonds, bestaande uit effecten uitgegeven door de Luxemburgse vennootschappen SLS Capital sa en Life Settlements Capital sa; - het niet bewezen is dat het voor de eiser een determinerende beweegreden was om een levensverzekeringsovereenkomst te sluiten met de rechtsvoorganger van de tot bindendverklaring opgeroepen partij als Bermudaanse verzekeraar; - de tot bindendverklaring opgeroepen partij formeel betwist dat het beleggingsproduct “XP Investors Account”, dat tot doel had om te investeren in de effecten uitgegeven door voormelde Luxemburgse vennootschappen, door haar werd ontwikkeld en het tegendeel niet wordt aangevoerd, noch bewezen; - de schade, waarvoor de eiser vergoeding vordert, niet voortspruit uit de insolvabiliteit van de buitenlandse verzekeraar of uit de niet-nakoming van zijn plicht tot verzekeringsdekking maar uit het verlies van de waarde van de effecten waarin de verzekeringspremie werd belegd; - de eiser verder niet aantoont dat, indien de eerste of tweede verweerster zouden hebben bemiddeld met een in België erkende verzekeraar, hij de verzekeringspremie van 230.000 euro niet zou hebben geïnvesteerd in de effecten uitgegeven door de voormelde Luxemburgse vennootschappen; - de eiser evenmin concreet aantoont dat indien hij op 7 april 2006 een levensverzekering, gekoppeld aan dit beleggingsfonds, zou hebben gesloten met een in België erkende verzekeraar, deze levensverzekeringsovereenkomst door de CBFA niet zou zijn toegelaten; - de eiser niet concreet aanvoert, noch bewijst dat hij, indien hij op 7 april 2006 een levensverzekeringsovereenkomst, gekoppeld aan dit beleggingsfonds, zou hebben gesloten met een in België erkende verzekeraar, hij, bij vaststelling in 2009 van het verlies van de onderliggende activa waarin werd belegd, krachtens de Belgische controlewetgeving over bepaalde waarborgen zou hebben beschikt die hij nu niet heeft.
- De appelrechters die aldus abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan, verantwoorden hun beslissing naar recht dat de eiser de vereiste zekerheid van een oorzakelijk verband tussen de aan de verweersters verweten fouten en de schade, waarvoor hij vergoeding vordert, niet aantoont. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) C. Zaak C.21.0386.N
- Krachtens artikel 1304, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek duurt in alle gevallen waarin de rechtsvordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, deze rechtsvordering tien jaar. Deze bepaling is alleen van toepassing op relatieve nietigheden.
- Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.
- Krachtens artikel 34, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals van toepassing, bedraagt de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst drie jaar. Met de rechtsvordering voorvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst wordt eveneens de vordering tot nietigverklaring van deze overeenkomst bedoeld.
- Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat artikel 34, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst een bijzondere wet is in de zin van voormeld artikel 1304, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek en een vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst bijgevolg verjaart door verloop van drie jaar voor zover de vordering betrekking heeft op een relatieve nietigheid. De vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst gesteund op een absolute nietigheid verjaart op grond van voormeld artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek door verloop van tien jaar. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.21.0030.N en C.21.0386.N. Verwerpt de cassatieberoepen en de vorderingen tot bindendverklaring. Veroordeelt de eisers elk tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten voor de eiser in de zaak C.21.0030.N op 906,18 euro in debet en op de som van 650 euro rolrecht in debet verschuldigd aan de Belgische Staat. Bepaalt de kosten voor de eiseres in de zaak C.21.0386.N op 1.145,92 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.38 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div