← België

REDERIJ DERBY b.v. contra VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 3 De rechter kan corrigeren in geval een vordering tot vergoeding abusievelijk is ondergewaardeerd ten belope van slechts een provisioneel bedrag. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vordering ten belope van een provisioneel bedrag - Abusievelijk ondergewaardeerde vordering - Taak van de rechter Tekst van de beslissing Nr. C.21.0423.N REDERIJ DERBY bv, met zetel te 8400 Oostende, Sprotplein 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0811.564.257, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister voor Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 15, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0220.819.807, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni 2021, op verwijzing gewezen na het arrest van het Hof van 6 februari

  1. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 6 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Krachtens artikel 4, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de visserij- en aquicultuursector, zoals hier van toepassing, moet de natuurlijke persoon, reder of viskweker, of één van de werkende vennoten-bedrijfsleiders van een rechtspersoon, reder of viskweker, om voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking te komen, over voldoende vakbekwaamheid beschikken, hetgeen wordt aangetoond door een studiegetuigschrift of door voldoende beroepservaring. Krachtens artikel 4, tweede lid, van voormeld B. Vl. Reg. van 7 juli 1998, bepaalt de Vlaamse minister bevoegd voor Landbouw de studiegetuigschriften en de criteria van voldoende beroepservaring.
  3. Krachtens artikel 3 van het ministerieel besluit van 14 juli 1998 betreffende de steun aan de investeringen en aan de installatie in de visserij- en de aquicultuursector, zoals hier van toepassing, wordt de minimale beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 4 van voormeld B. Vl. Reg. van 7 juli 1998, voor investeringsverrichtingen in de zeevisserij aangetoond door hetzij de nader gepreciseerde diploma’s, getuigschriften of studiebewijzen hetzij vijf jaar ervaring als bedrijfsleider in een visserijbedrijf of zich gedurende vijf jaar hebben toegelegd op de zeevisserij.
  4. Uit voormelde bepalingen volgt dat een rechtspersoon, reder of viskweker, in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming indien de werkende vennoot-bedrijfsleider of een van de werkende vennoten-bedrijfsleiders voldoende beroepsbekwaam is en meer precies hetzij een relevant diploma, getuigschrift of studiebewijs kan voorleggen hetzij beschikt over vijf jaar ervaring als bedrijfsleider in een visserijbedrijf of als zeevisser.
  5. De vereiste vijf jaar ervaring moet blijken uit daadwerkelijk uitgeoefende taken en activiteiten hetzij als bedrijfsleider in een visserijbedrijf hetzij als zeevisser. De loutere hoedanigheid van bestuurder in een naamloze vennootschap, reder of viskweker, volstaat als zodanig niet.
  6. Het middel dat aanvoert dat, gelet op de bevoegdheid van de raad van bestuur van een naamloze vennootschap om haar te vertegenwoordigen dan wel handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van haar doel, een bestuurder in een naamloze vennootschap, reder of viskweker, als een bedrijfsleider in een visserijbedrijf moet worden aangezien, faalt naar recht. Tweede middel
  7. Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
  8. De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorzien in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen. Tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen wordt concreet voorzien in tariefschalen naargelang het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.
  9. Bij een vordering tot vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag ontbreekt in de regel de grondslag om de waarde van die vordering te bepalen. Enkel wanneer het provisionele bedrag wordt gevorderd zonder voorbehoud voor verdere raming van de vergoeding bijvoorbeeld in het licht van een onderzoeksmaatregel, kan dit bedrag worden gelijkgesteld met het effectief gevorderde bedrag, zodat een in geld waardeerbare vordering voorligt. Voorts kan de rechter corrigeren in geval een vordering tot vergoeding abusievelijk is ondergewaardeerd ten belope van slechts een provisioneel bedrag.
  10. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een vordering tot vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag, gelet op dit bedrag, steeds als een in geld waardeerbare vordering moet worden aangezien, faalt het naar recht.
  11. Uit de stukken waarop het Hof kan acht te slaan, blijkt dat: - de vordering van de eiseres tegen de verweerder strekt tot het verkrijgen van een subsidie of financiële tegemoetkoming ten belope van een provisioneel bedrag van één euro, waarna het in de eerste plaats aan de verweerder zou toekomen om de bedoelde vergoeding concreet te berekenen; - de eiseres zodoende een provisioneel bedrag vordert met voorbehoud voor verdere raming van de vergoeding; - de eiseres bij appelconclusie de laagste basisrechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering beoogt omdat zij haar vordering tot vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag van één euro aanziet als een in geld waardeerbare vordering; - de verweerder daarentegen bij appelconclusie de basisrechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering beoogt omdat hij de vordering van de eiseres tot vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag van één euro aanziet als een niet in geld waardeerbare vordering.
  12. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres haar oorspronkelijke vordering herneemt en zodoende vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het beroepen vonnis teniet te doen en de verweerder te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag van één euro en de gedingkosten; - het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk is maar ongegrond; - de eiseres wordt verwezen in de kosten van het hoger beroep, voor de verweerder bepaald op de basisrechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering ten bedrage van 1.440 euro.
  13. De appelrechters die aldus te kennen geven dat de vordering tot vergoeding ten belope van een provisioneel bedrag van één euro, zoals door de eiseres ingesteld in eerste aanleg en gehandhaafd in hoger beroep, een niet in geld waardeerbare vordering is en derhalve in beide aanleggen leidt tot de basisrechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering, verwerpen en beantwoorden het verweer van de eiseres en verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 315,70 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200903.1F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.