← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A

§ 5

, 22 zesde en zevende lid, 23 en 30 Voorlopige hechteniswet, noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, zich ertegen dat de volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid en in voorkomend geval het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking op identieke wijze worden omschreven, aangezien in het licht van de omstandigheden en de stand van het gerechtelijk onderzoek, die noodzakelijkheid en die gevaren bij alle inverdenkinggestelden op gelijke wijze aanwezig kunnen zijn

(1).
(1)Zie Cass. 13 april 2021, AR P.21.0482.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.17, AC 2021, nr. 267. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Verplichting tot geïndividualiseerde motivering - Betrokkenheid bij eenzelfde criminele organisatie - Gezamenlijk plegen van diefstallen - Ernstige aanwijzingen van schuld - Volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving - Redenen - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verplichting tot geïndividualiseerde motivering - Betrokkenheid bij eenzelfde criminele organisatie - Gezamenlijk plegen van diefstallen - Ernstige aanwijzingen van schuld - Volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving - Redenen - Wijze Fiche 3 Wanneer het onderzoeksgerecht vaststelt dat de misdrijven waarvan de inverdenkinggestelde wordt verdacht, getuigen van een uiterst gevaarlijke geestesgesteldheid waartegen de maatschappij moet worden beschermd en dat het gewelddadige optreden dat met die misdrijven gepaard ging een algemeen gevoel van ongerustheid in de maatschappij aanwakkert, oordeelt het niet onwettig wanneer het bij de beoordeling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid als criterium voor de handhaving van de voorlopige hechtenis ook wijst op de maatschappelijke onrust die de invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde zou veroorzaken
(1).
(1)Zie BEERNAERT, M.-A., BOSLY, H.D. en VANDERMEERSCH, D., Droit de la procédure pénale, I, 9e druk, Brugge, Die Keure, 2021,
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving - Maatschappelijk onrust bij invrijheidstelling - Redenen Tekst van de beslissing Nr. P.22.0609.N P. R., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Isabelle Slaets, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, §

§ 5

, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet: door op een algemene wijze te verwijzen naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, die in se dateert van twee en een halve maand voor de zitting, is de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser niet regelmatig met redenen omkleed; de kamer van inbeschuldigingstelling baseert zich aldus immers op een standaardmotivering, die niet voldoet aan het vereiste van een geïndividualiseerde toetsing van de voorwaarden van de voorlopige hechtenis; in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie wordt geen onderscheid gemaakt tussen de onderscheiden inverdenkinggestelden, waaronder de eiser, zodat de algemene bewoordingen van die vordering geenszins de voorlopige hechtenis van de eiser kunnen rechtvaardigen; de kamer van inbeschuldigingstelling antwoordt aldus ook niet op eisers conclusie, waarin hij expliciet had verzocht om de absolute noodzaak voor de handhaving van de hechtenis expliciet en op een geïndividualiseerde wijze te toetsen, en waarin hij kritiek had geuit op het gebrek aan een geïndividualiseerd en gemotiveerd onderscheid tussen de onderscheiden inverdenkinggestelden in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie.

  1. Uit de verplichting voor de onderzoeksgerechten om de handhaving van de voorlopige hechtenis op een geïndividualiseerde wijze te motiveren, kan niet worden afgeleid dat, wanneer de inverdenkinggestelde samen met andere inverdenkinggestelden in hetzelfde gerechtelijk onderzoek wordt verdacht van betrokkenheid bij eenzelfde criminele organisatie en van het gezamenlijk plegen van diefstallen met verzwarende omstandigheden, de ernstige aanwijzingen van schuld aan die misdrijven het voorwerp moeten uitmaken van een verschillende opgave van redenen voor elke afzonderlijke inverdenkinggestelde. Zo ook verzetten noch de in het onderdeel als geschonden vermelde bepalingen, noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, zich ertegen dat de volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid en in voorkomend geval het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking op identieke wijze worden omschreven, aangezien in het licht van de omstandigheden en de stand van het gerechtelijk onderzoek, die noodzakelijkheid en die gevaren bij alle inverdenkinggestelden op gelijke wijze aanwezig kunnen zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, stelt het arrest (p. 8-18) onder meer vast dat: - er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, namelijk dat de eiser, samen met zijn broer B.R. en de genaamde M.T., deel uitmaakt van een internationale criminele organisatie die zich inliet met zeer doelgerichte en gewelddadige overvallen op welstellende slachtoffers, waarbij overwegend dure juwelen (exclusieve ringen en horloges) werden ontvreemd; - er sprake is van verschillende feiten waarbij steeds een gelijkaardige modus operandi lijkt te worden gehanteerd, waarbij oudere welstellende dames overdag ter hoogte van hun woning worden overvallen door twee tot drie gemaskerde mannelijke daders, en er ernstige aanwijzingen zijn dat de daders een bijzonder gewelddadige werkwijze hanteerden; - het bijzonder lijvige gerechtelijk onderzoek meerdere ernstige geweldsdelicten behelst waarvoor de eiser mogelijk mee verantwoordelijk is; - meerdere feiten betrekking hebben op misdrijven waarop een straf is gesteld die vijftien jaar opsluiting te boven gaat; - de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, aangezien, zoals daartoe aanwijzingen bestaan, de feiten getuigen van een uiterst gevaarlijke geestesgesteldheid waartegen de maatschappij moet worden beschermd, het systematisch plegen van diefstallen met geweld ten aanzien van vaak kwetsbare slachtoffers, in hun eigen vertrouwde omgeving, zoals daartoe aanwijzingen bestaan, getuigt van een totaal gebrek aan respect voor de psychische en fysieke integriteit en de eigendomsrechten van personen, en het brutaal en gewelddadig optreden van de daders, zoals daartoe aanwijzingen bestaan, bovendien een traumatiserende werking heeft ten aanzien van de slachtoffers en hun directe omgeving en het gevoel van ongerustheid bij de publieke opinie aanwakkert; - er manifest gevaar is voor recidive, aangezien er aanwijzingen zijn dat de fei-ten kaderen binnen de activiteiten van een georganiseerde bende die familiaal gelinkt blijkt te zijn; - er sprake is van onttrekkingsgevaar, aangezien de eiser woonwagenbewoner is en geen vast adres heeft; - het risico reëel is dat de eiser, in geval van invrijheidstelling, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen en zich zou verstaan met derden.
  3. Met die redenen, die geen standaardmotivering inhouden, beantwoorden de appelrechters eisers conclusie en motiveren zij op een geïndividualiseerde en concrete wijze de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 151, § 1, Grondwet en de artikelen 16, § 1, 21, §

§ 5

, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet: door de voorlopige hechtenis van de eiser, ingevolge de overname van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, minstens deels te rechtvaardigen door erop te wijzen dat de publieke opinie terecht geschokt zou zijn mocht een verdachte van dergelijke ernstige feiten in vrijheid worden gesteld, is het arrest niet naar recht verantwoord; de voorlopige hechtenis is slechts gerechtvaardigd wanneer ze volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, die geenszins de publieke opinie omvat; het arrest baseert zich hierdoor op een grond tot voorlopige hechtenis die niet wettelijk is voorzien, namelijk het waardeoordeel van een onwetende massa en de publieke opinie, waarvan het arrest oordeelt dat deze “terecht” geschokt zou zijn bij een invrijheidstelling van de eiser; bijgevolg is het arrest niet meer de veruitwendiging van een onafhankelijke uitoefening van de rechtsprekende bevoegdheid, die impliceert dat het rechterlijke oordeel wordt gewezen op basis van de objectieve gegevens van het strafdossier, los van enige publieke opinie.

  1. Het arrest leidt de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid als criterium voor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser niet af uit het waardeoordeel van een onwetende massa en baseert het desbetreffende oordeel niet in doorslaggevende mate op de overweging dat “[d]e publieke opinie (…) tevens terecht geschokt (zou) zijn mocht een verdachte van dergelijke ernstige feiten in vrijheid worden gesteld”. Met de redenen, aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel, leidt het arrest de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid immers af uit de omstandigheid dat de feiten, zoals daartoe aanwijzingen bestaan, getuigen van een uiterst gevaarlijke geestesgesteldheid waartegen de maatschappij moet worden beschermd, waarbij het arrest ook erop wijst dat het brutaal en gewelddadig optreden van de daders, zoals daartoe aanwijzingen bestaan, niet alleen een traumatiserende werking heeft ten aanzien van de slachtoffers en hun directe omgeving, maar ook het gevoel van ongerustheid bij de publieke opinie aanwakkert. Door aldus te verwijzen naar de publieke opinie, geeft het arrest louter te kennen dat de desbetreffende misdrijven een algemeen gevoel van ongerustheid in de maatschappij aanwakkeren en dat de invrijheidstelling van de eiser ernstige maatschappelijke onrust zou veroorzaken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  2. Wanneer het onderzoeksgerecht vaststelt dat de misdrijven waarvan de inverdenkinggestelde wordt verdacht, getuigen van een uiterst gevaarlijke geestesgesteldheid waartegen de maatschappij moet worden beschermd en dat het gewelddadige optreden dat met die misdrijven gepaard ging een algemeen gevoel van ongerustheid in de maatschappij aanwakkert, oordeelt het niet onwettig wanneer het bij de beoordeling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid als criterium voor de handhaving van de voorlopige hechtenis ook wijst op de maatschappelijke onrust die de invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde zou veroorzaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  3. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250212.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.