← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A

Art. 1Verordening (EU) nr.

2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 40

.1 en 40.2 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 2, §§ 1 en 2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 30 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Strafzaken - Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Wet 5 augustus 2006 - Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen - Wetswijziging - Confiscatiebevel van een andere lidstaat - Toezending vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1805 van 14 november 2018 - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 1Verordening (EU) nr.

2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 40

.1 en 40.2 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 2, §§ 1 en 2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 30 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Europese Unie - Strafzaken - Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Wet 5 augustus 2006 - Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen - Wetswijziging - Confiscatiebevel van een andere lidstaat - Toezending vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1805 van 14 november 2018 - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 1Verordening (EU) nr.

2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 40

.1 en 40.2 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 2, §§ 1 en 2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 30 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: UITVOERBAARVERKLARING Vrije woorden: Strafzaken - Europese Unie - Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 - Wet 5 augustus 2006 - Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen - Wetswijziging - Confiscatiebevel van een andere lidstaat - Toezending vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1805 van 14 november 2018 - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 1Verordening (EU) nr.

2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en

Art. 40

.1 en 40.2 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 2, §§ 1 en 2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 30 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0197.N M. J., persoon ten aanzien waarvan een confiscatiebevel is verleend, eiser, met als raadsman mr. Isabelle Slaets, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 17 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: Verordening (EU) 2018/1805) stelt overeenkomstig zijn artikel 1 regels vast op grond waarvan een lidstaat door een andere lidstaat in het kader van procedures in strafzaken uitgevaardigde confiscatiebevelen op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt.
  3. Die verordening is overeenkomstig zijn artikel 40.1 van toepassing op confiscatiecertificaten die zijn toegezonden op of na 19 december
  4. Overeenkomstig artikel 40.2 is op de confiscatiecertificaten die zijn toegezonden vóór 19 december 2020 Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie van toepassing, tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn tot de uiteindelijke tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.
  5. Verordening (EU) 2018/1805 heeft aanleiding gegeven tot de wijziging van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning) bij de artikelen 94 tot 126 van de wet van 28 november 2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2021 en voor wat betreft de vermelde artikelen in werking getreden op 10 december
  6. Op grond van artikel 2, § 1 en § 2, Wet Wederzijdse Erkenning, zoals gewijzigd door de wet van 28 november 2021, worden in de relaties van België met andere lidstaten van de Europese Unie die gebonden zijn door Verordening (EU) 2018/1805, confiscatiebevelen uitgevaardigd, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig die verordening en de artikelen 2/1, 5°, 10, 12 § 1, § 1/1, § 1/2 en § 4, 13, 14, 15, 16, 28, 30, §§ 1 tot 3 en §§ 5 tot 8, 33, 37, 38, 39 en 40 van deze wet. Voor andere lidstaten blijven de vroegere kaderbesluiten waardoor die lidstaten gebonden zijn, van toepassing.
  7. Uit die bepalingen en de wetsgeschiedenis van de vermelde wet van 28 november 2021 volgt dat de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel op grond van een confiscatiecertificaat dat een Nederlandse autoriteit aan een Belgische autoriteit heeft toegezonden vóór 19 december 2020, wordt geregeld door de Wet Wederzijdse Erkenning in zijn versie vóór de wijziging bij de wet van 28 november
  8. Krachtens artikel 30, § 1 en § 6, Wet Wederzijdse Erkenning, zoals thans van toepassing, is de procureur des Konings bevoegd voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot verbeurdverklaring en is de correctionele rechtbank bevoegd om uitspraak te doen over een rechtsmiddel dat de betrokken persoon of een belanghebbende derde aanhangig kan maken tegen de beslissing van de procureur des Konings tot tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring. Tegen de beslissing van de correctionele rechtbank kan cassatieberoep worden ingesteld.
  9. Artikel 30, § 1, § 2 en § 6, Wet Wederzijdse Erkenning, vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 november 2021, bepaalde evenwel: “§
  10. Voor de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring is de correctionele rechtbank van de plaats waar de bedoelde goederen of de meerderheid van deze goederen zich bevinden, bevoegd. §
  11. Na de aanhangigmaking door de procureur des Konings doet de correctionele rechtbank, bij een met redenen omklede beslissing, uitspraak over de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring, na de procureur des Konings en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. §
  12. Tegen de beslissing van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep. Tegen de beslissing omtrent het hoger beroep kan cassatieberoep worden ingesteld.”
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de procureur des Konings vanwege de Nederlandse verzoekende autoriteit op 10 december 2020 een certificaat van 2 december 2020 heeft ontvangen, ertoe strekkende om overeenkomstig het Kaderbesluit 2006/783/JBZ over te gaan tot de erkenning en tenuitvoerlegging van de ontnemingsbeslissing die het gerechtshof Amsterdam, rechtszitting houdende te Arnhem, lastens de eiser heeft gewezen op 18 april 2017; - de procureur des Konings de correctionele rechtbank met toepassing van dat kaderbesluit heeft gevorderd om die beslissing uitvoerbaar te verklaren en de eiser daartoe heeft gedagvaard voor die rechtbank; - het vonnis met toepassing van dat kaderbesluit en de artikelen 30, § 1 tot § 3, en 31 Wet Wederzijdse Erkenning beslist: “Verklaart uitvoerbaar in België, de beslissing tot verbeurdverklaring van het definitieve vonnis van het Gerechtshof van Arnhem van 18/04/2017 houdende verbeurdverklaring van volgende goederen die zich in België bevinden: de geldsom van 46.007 [euro]”.
  14. Overeenkomstig artikel 418 Wetboek van Strafvordering kan enkel cassatieberoep worden ingesteld tegen gerechtelijke beslissingen die in laatste aanleg zijn gewezen.
  15. Het vonnis was vatbaar voor hoger beroep overeenkomstig artikel 30, § 6, Wet Wederzijdse Erkenning, in de versie vóór de wetswijziging van 28 november
  16. Bijgevolg kon de eiser tegen dat vonnis geen cassatieberoep instellen. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Grieven
  17. De grieven, die geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.