id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A
Art. 163
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - ALGEMEEN Vrije woorden: Vluchtmisdrijf met gewonden - Veroordeling - Vermelding toepasselijke wetsbepalingen - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 33, §§ 1 en 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 163
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 33 - Artikel 33.1 Vrije woorden: Veroordeling - Vermelding toepasselijke wetsbepalingen - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 33, §§ 1 en 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 163
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0039.N A. Y. D. F., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Robin Ryckeboer, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 8 december
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis verklaart de eiseres schuldig aan een inbreuk op artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet, maar laat na artikel 33, § 1, Wegverkeerswet te vermelden; het is nochtans deze wetsbepaling die het materieel en moreel element van het misdrijf omschrijft.
- Uit artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, eerste lid, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de strafrechter de verplichting om in een veroordelende beslissing de wetsbepalingen te vermelden die de bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf omschrijven en die welke de toegepaste straf bepalen.
- Artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet bepaalt dat elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200,00 euro tot 2.000,00 euro of met een van die straffen alleen. Artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat indien het ongeval voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg heeft gehad, de schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en met een geldboete van 400,00 euro tot 5.000,00 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.
- Artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet voorziet aldus in een verzwarende omstandigheid voor het door artikel 33, § 1, Wegverkeerswet bedoelde basismisdrijf, waarbij in paragraaf 2 uitdrukkelijk wordt verwezen naar een ongeval als bedoeld door paragraaf
- Aangezien aldus artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet verwijst naar artikel 33, § 1, Wegverkeerswet dient de rechter ingeval van een veroordeling wegens het door artikel 33, § 1, 1°, en § 2, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde vluchtmisdrijf niet noodzakelijk ook artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet te vermelden, maar kan hij volstaan met de vermelding van artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 33, § 1 en § 2, eerste lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis dat het materieel element van vluchtmisdrijf gelijk stelt met het moreel element, minstens het bijzonder opzet afleidt louter en alleen uit het materieel element, is niet naar recht verantwoord.
- De rechter kan het bestaan van een moreel misdrijfbestanddeel afleiden uit de wijze waarop het materieel misdrijfbestanddeel is voltrokken. Dit houdt geen gelijkstelling in van beide bestanddelen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eiseres zich beperkt tot een vluchtige vraag door het raam van haar wagen om na te gaan of alles in orde was, om vervolgens verder te rijden, het oordeelt anderzijds dat de eiseres onmiddellijk na de aanrijding weg reed en zich op die manier heeft onttrokken aan de dienstige vaststellingen (eerste subonderdeel); het bestreden vonnis oordeelt enerzijds dat het enkele feit dat de eiseres haar voertuig nog tijdig tot stilstand wist te brengen zonder de fietser aan te rijden, niet betekent dat zij de vrije doorgang van de fietser niet heeft belemmerd en haar voorrangsplicht heeft nageleefd; het oordeelt anderzijds dat het loutere feit dat de eiseres zelf tijdig kon stoppen en de fietser niet heeft aangereden, geenszins betekent dat zij zich zo op afdoende wijze van haar voorrangsplicht ten aanzien van de fietser heeft gekweten (tweede subonderdeel).
- Redenen zijn tegenstrijdig indien ze elkaar teniet doen of opheffen.
- De redenen die het onderdeel vermeldt, doen elkaar niet teniet of heffen elkaar niet op. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 19.4 en 40ter Wegverkeersreglement: aangezien het bestreden vonnis vaststelt dat de eiseres tijdig is kunnen stoppen, verklaart het de eiseres ten onrechte schuldig aan een inbreuk op artikel 40ter Wegverkeersreglement (telastlegging C) (eerste subonderdeel) en aan een inbreuk op artikel 19.4 Wegverkeersreglement (telastlegging D) (tweede subonderdeel).
- De schuldigverklaring van een bestuurder die de door artikel 40ter Wegverkeersreglement bepaalde verplichting om een fietser niet in gevaar te brengen en de door artikel 19.4 Wegverkeersreglement geregelde voorrangsplicht heeft genegeerd, vereist niet dat het tot een aanrijding is gekomen tussen de bestuurder en de fietser. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer dat de fietser op de rechtszitting voor de eerste rechter heeft verklaard dat hij aan het kruispunt waar hij is gevallen, steeds bijtrapte opdat achterliggende auto's hem niet zouden voorbijsteken om de afslag naar de ring te volgen; dit maakt een inbreuk uit op de artikelen 10.1.1° en 12.2 Wegverkeersreglement; dit is relevant voor het causaal verband en de vraag of de fietser al dan niet een onvoorzienbare hindernis was.
- De rechter moet niet antwoorden op argumenten die louter worden aangevoerd ter staving van een middel, zonder evenwel een zelfstandig middel te vormen.
- De eiseres heeft het vermelde verweer gevoerd als een argument voor het verweer dat de fietser voor haar een onvoorzienbare hindernis was. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het enkele feit dat de eiseres haar voertuig nog tijdig tot stilstand wist te brengen zonder de fietser aan te rijden, betekent niet dat zij de vrije doorgang van de fietser niet heeft belemmerd en haar voorrangsplicht heeft nageleefd; - wel integendeel, de eiseres miskende zodoende haar voorrangsplicht en vormde een onvoorzienbare hindernis voor de fietser die hem deed opschrikken en hem noopte tot een noodstop; - het mislukken van zijn noodstop om deze onvoorzienbare hindernis te vermijden, kan hem niet ten laste worden gelegd; - zijn remmaneuver was gerechtvaardigd en noodzakelijk door de omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het relaas van de getuige die duidelijk stelt dat de eiseres hem de pas afsneed. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer, zonder dat het in het bijzonder diende in te gaan op het argument van het bijtrappen. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enerzijds te erkennen dat de eiseres tijdig kon stoppen en tot stilstand kwam op een plaats vóór het fietspad en anderzijds te oordelen dat zij overeenkomstig het relaas van de getuige de fietser de pas afsneed, wat noodzakelijkerwijze vereist dat het voertuig van de eiseres de weg heeft versperd, is het bestreden vonnis tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het is niet tegenstrijdig vast te stellen eensdeels dat de getuige stelt dat de eiseres de pas afsneed van het slachtoffer en anderdeels vast te stellen dat uit de verklaring van de eiseres blijkt dat ze tijdig tot stilstand kwam op de rijstrook voor het tegenliggend verkeer. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div