id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EXTERRITORIALITEIT Vrije woorden: Strafzaken - Vervolging in België - Misdaden en wanbedrijven - In het buitenland gepleegd misdrijf - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 5 Het feit dat de zaak waarvan de wegneming aan een beklaagde wordt verweten bestaat uit een geldsom geplaatst op een rekening waarvan die beklaagde de titularis is, belet niet dat die geldsom aan een ander kan toebehoren en dat de beklaagde ze bedrieglijk kan wegnemen; dat de beklaagde op grond van zijn vermelde hoedanigheid aanspraak maakt op het feitelijk bezit van die geldsom, doet daaraan geen afbreuk
(1); het staat aan de strafrechter om onaantastbaar te oordelen aan wie de weggenomen zaak op het moment van de wegneming in werkelijkheid toebehoorde en of de wegneming van de zaak bedrieglijk was en de strafrechter is daarbij niet gebonden door enige burgerrechtelijke bepaling.
(1)A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2002, nr. 326. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Wegneming van andermans zaak - Geldsom op rekening waarvan beklaagde titularis is - Werkelijke eigenaar - Feitelijk bezit - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 461- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Diefstal - Wegneming van andermans zaak - Geldsom op rekening waarvan beklaagde titularis is - Werkelijke eigenaar - Feitelijk bezit - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 461
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Diefstal - Wegneming van andermans zaak - Geldsom op rekening waarvan beklaagde titularis is - Werkelijke eigenaar - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 461
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 7 Het enkele feit dat een beklaagde met het akkoord van de bank en overeenkomstig de algemene voorwaarden van de bank geld dat hem niet toebehoort wegneemt van een bankrekening, sluit zijn bedrieglijk opzet niet uit. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Bedrieglijk opzet - Geldsom op rekening waarvan beklaagde titularis is - Wegneming met akkoord van de bank - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Diefstal - Bedrieglijk opzet - Geldsom op rekening waarvan beklaagde titularis is - Wegneming met akkoord van de bank - Gevolg Fiches 8 - 9 Wanneer zaken die in leven toebehoorden aan een erflater na diens overlijden worden gestolen, wordt de uit de diefstal voortvloeiende schade geleden door diens erfgerechtigden, zoals aangewezen door de wet of met een erfregeling; het staat dan ook aan de strafrechter om de beklaagde die hij schuldig verklaart aan de diefstal van die zaken, te veroordelen tot schadevergoeding aan degenen die aantonen die erfgerechtigden te zijn; daarvoor moet niet eerst de nalatenschap van de erflater zijn vereffend en verdeeld en evenmin moeten de erfgerechtigden aantonen dat zijzelf of de erflater reeds gedurende enige periode vóór het overlijden van deze laatste of vóór de diefstal eigenaar waren van de gestolen zaken. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Diefstal - Zaken van een erflater - Schadelijdende partij - Erfgerechtigden - Bewijs - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Zaken van een erflater - Schadelijdende partij - Erfgerechtigden - Bewijs - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2022, nr. 5, p. 409-411. - DEWULF, Steven; Noot'De dubbele incriminatie en de extraterritoriale rechtsmacht van België' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0188.N K. L. T. V. D., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Yves Vluggen, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. K. D. V., burgerlijke partij, 2. K. D. V., burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 januari 2022. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Strafwetboek en artikel 7 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging A.
- b)omdat de eiseres op 28 februari 2013, dus kort na het overlijden van E.D., de waarden van de gemeenschappelijke Luxemburgse rekening liet transfereren naar haar eigen rekening, terwijl deze waarden ingevolge het overlijden van E.D. deel uitmaakten van de boedel van de nalatenschap, die toebehoorde aan de verweerders als de wettige erfgenamen van E.D.; dat feit, indien bewezen, is gepleegd in het Groothertogdom Luxemburg; het overschrijven naar een persoonlijke rekening van gelden van een gemeenschappelijke rekening na het overlijden van een van de titularissen van die gemeenschappelijke rekening is in het Groothertogdom Luxemburg echter niet strafbaar; aldus verklaren de appelrechters zich ten onrechte bevoegd om te oordelen over de telastlegging A.b). 2. De mogelijkheid tot vervolging van een in het buitenland gepleegd misdrijf in België houdt geen verband met de bevoegdheid van de strafrechter, maar wel met de ontvankelijkheid van de strafvordering. 3. Artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, kan in België vervolgd worden indien op het feit straf gesteld is door de wet van het land waar het is gepleegd.” Die bepaling vereist dat in het buitenland straf is gesteld op het geheel van de constitutieve bestanddelen die vereist zijn om feiten naar Belgisch recht te kwalificeren als een misdaad of een wanbedrijf, maar niet dat elk van die constitutieve bestanddelen als dusdanig een misdrijf in het buitenland uitmaakt. 4. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Het wanbedrijf diefstal heeft als constitutieve bestanddelen het wegnemen van een zaak tegen de wil van de eigenaar, het bedrieglijk karakter ervan en de omstandigheid dat de zaak niet toebehoort aan degene die ze wegneemt. 6. Onder de telastlegging A.b), zoals gepreciseerd, is de eiseres op grond van de artikelen 461, eerste lid, en 463, eerste lid, Strafwetboek vervolgd wegens het bedrieglijk wegnemen van een zaak die haar niet toebehoorde, namelijk op 28 februari 2013 een totale som van 339.764,29 euro en 4,14 USD van de gemeenschappelijke Luxemburgse rekening (…) ten nadele van de verweerders als erfgenamen van E.D., wiens nalatenschap is opengevallen op 25 februari 2013. 7. Uit het arrest blijkt dat de eiseres met die telastlegging is vervolgd wegens het plegen van het wanbedrijf diefstal met als materiële constitutieve bestanddelen dat zij zich gelden die in leven toebehoorden aan E.D. heeft toegeëigend door deze gelden na diens overlijden over te schrijven van een gemeenschappelijke rekening op naam van E.D. en haarzelf naar haar persoonlijke rekening en met als moreel constitutief bestanddeel dat zij deze overschrijving bedrieglijk heeft gedaan. 8. Hieruit volgt dat het onderdeel het als diefstal gekwalificeerde wanbedrijf, waarvoor de eiseres is vervolgd, verwart met een feitelijke gedraging die een materieel constitutief bestanddeel van dat wanbedrijf uitmaakt. 9. Met de redenen dat de eiseres is vervolgd wegens diefstal op grond van artikel 461 Strafwetboek en dat diefstal ook strafbaar is in het Groothertogdom Luxemburg op grond van onder meer artikel 461 van het Luxemburgse Strafwetboek, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiseres aan de telastlegging A.
- b)dan ook naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: met de reden dat de eiseres wordt vervolgd voor diefstal en dat diefstal strafbaar is in het Groothertogdom Luxemburg, beantwoordt het arrest niet het verweer waarbij de eiseres de appelrechters uitnodigde te verduidelijken door welke bepaling het overschrijven van gelden van een gemeenschappelijke rekening naar een persoonlijke rekening na het overlijden van een van de titularissen van die gemeenschappelijke rekening strafbaar is gesteld. 11. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het arrest wel degelijk het bedoelde verweer van de eiseres beantwoordt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 461 Strafwetboek, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest veroordeelt de eiseres wegens de diefstal omschreven in de telastlegging A.a), terwijl de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf niet zijn vervuld; diefstal vereist het toe-eigenen van een zaak die de dief nog niet in zijn bezit had; als titularis van de rekeningen had de eiseres het feitelijk bezit van de gelden op die rekeningen, zodat zij zich materieel niets heeft toegeëigend wat zij niet reeds bezat en zij niet bedrieglijk kan hebben gehandeld; de appelrechters, hoewel daartoe uitgenodigd, verduidelijken ook niet op welke wijze de eiseres sluiks zou hebben gehandeld. 13. Het feit dat de zaak waarvan de wegneming aan een beklaagde wordt verweten bestaat uit een geldsom geplaatst op een rekening waarvan die beklaagde de titularis is, belet niet dat die geldsom aan een ander kan toebehoren en dat de beklaagde ze bedrieglijk kan wegnemen. Dat de beklaagde op grond van zijn vermelde hoedanigheid aanspraak maakt op het feitelijk bezit van die geldsom, doet daaraan geen afbreuk. Het staat aan de strafrechter om onaantastbaar te oordelen aan wie de weggenomen zaak op het moment van de wegneming in werkelijkheid toebehoorde en of de wegneming van de zaak bedrieglijk was. De strafrechter is daarbij niet gebonden door enige burgerrechtelijke bepaling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. De appelrechters (arrest, p. 28-30) oordelen als volgt: - dat de eiseres titularis is van de hier bedoelde rekeningen is niet van doorslaggevend belang om te bepalen wie eigenaar is van het geld op een bankrekening. Dit gegeven kan slechts dienen als een aanwijzing die het mogelijk maakt om een feitelijk vermoeden te vestigen; - uit de gegevens van het strafdossier die het arrest opsomt, blijkt op overtuigende wijze dat E.D. de eigenaar was van de gelden op de beide rekeningen en hij de rekeningen beheerde; - de eiseres heeft na het overlijden van E.D. de beide rekeningen leeggehaald; - het staat voor de appelrechters vast dat de eiseres de gelden die haar niet toebehoorden bedrieglijk heeft weggenomen; - dat E.D. bij leven mondeling de intentie zou hebben geuit om zijn geld na overlijden aan de eiseres te laten toekomen en om op die manier zijn zonen te onterven, doet hieraan geen afbreuk. Dat de verweerders reeds zeer geruime tijd geen contact meer hadden met hun vader is niet van aard om hierover anders te oordelen. Deze intenties werden niet veruitwendigd door een schenking of een testament. Het testament dat de eiseres voorlegde tijdens het onderzoek heeft geen betrekking op de rekeningen van E.D.; - gelet op het overlijden van E.D. op 25 februari 2013, viel de nalatenschap open ten voordele van zijn zonen, dit zijn de verweerders, als wettige erfgenamen, zodat de feiten in hun nadeel werden gepleegd; - uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de eiseres handelde met de bedrieglijke bedoeling om zich het geld op de rekeningen toe te eigenen. Zij wist dat de gelden na het overlijden van E.D. dienden toe te komen aan zijn wettige erfgenamen, maar haalde desondanks sluiks beide rekeningen leeg om zichzelf in hun nadeel te verrijken. De eiseres handelde duidelijk met bedrieglijk opzet. Verder stelt het arrest (p. 13-24) met van het beroepen vonnis overgenomen redenen vast dat de eiseres aanvankelijk niet toegaf aan de verbalisanten dat de gelden die na een financieel onderzoek op haar persoonlijke rekeningen werden teruggevonden, afkomstig waren van E.D. Met die redenen, waaruit ook blijkt waarom de eiseres sluiks heeft gehandeld, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiseres aan de telastlegging A.
- a)naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 461 Strafwetboek, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest veroordeelt de eiseres ten onrechte wegens de diefstal omschreven in de telastlegging A.b), terwijl de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf niet zijn vervuld; diefstal vereist het toe-eigenen van een zaak die de dief nog niet in zijn bezit had; de eiseres had de overgeschreven gelden reeds in haar bezit aangezien zij medetitularis was van de gemeenschappelijk rekening; zij heeft die gelden overgeschreven naar haar persoonlijke rekening in samenspraak met de bank en overeenkomstig de algemene voorwaarden van de bank; zij handelde niet bedrieglijk, maar was te goeder trouw op het moment van de aanvraag tot overschrijving; het arrest beantwoordt dat verweer niet. 16. In zoverre het onderdeel dezelfde draagwijdte heeft als het eerste onderdeel, is het om dezelfde redenen te verwerpen. 17. Het enkele feit dat een beklaagde met het akkoord van de bank en overeenkomstig de algemene voorwaarden van de bank geld dat hem niet toebehoort wegneemt van een bankrekening, sluit zijn bedrieglijk opzet niet uit. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. De appelrechters (arrest, p. 30-32) oordelen als volgt: - uit de gegevens van het strafdossier die het arrest opsomt, blijkt duidelijk dat de geldsommen op de Luxemburgse rekening aan E.D. toebehoorden vóór zijn overlijden en aan zijn wettige erfgenamen na zijn overlijden; - zoals hoger gesteld, toont het feit dat iemand titularis is van een rekening, niet onweerlegbaar aan dat hij eigenaar is van de gelden op deze rekening; - de eiseres gaf aanvankelijk niet toe aan de verbalisanten dat de op haar persoonlijke rekening aangetroffen gelden afkomstig waren van de Luxemburgse rekening; - op 28 februari 2013, dus kort na het overlijden van E.D, liet de eiseres de waarden van de gemeenschappelijke Luxemburgse rekening transfereren naar haar eigen rekening. Door het overlijden van E.D. maakten deze echter deel uit van de boedel van de nalatenschap, die toebehoorde aan de verweerders; - door de portefeuille/gelden te transfereren naar haar eigen rekening, nam de eiseres andermans goed weg; - het staat voor de appelrechters vast dat de eiseres de gelden die haar niet toebehoorden bedrieglijk heeft weggenomen. Dat E.D. bij leven mondeling de intentie zou hebben geuit om zijn geld na overlijden aan de eiseres te laten toekomen en om op die manier zijn zonen te onterven, doet hieraan geen afbreuk. Dat de verweerders reeds zeer geruime tijd geen contact meer hadden met hun vader verandert daaraan niets. Deze intenties werden niet veruitwendigd door een schenking of een testament. Het testament dat de eiseres voorlegde tijdens het onderzoek heeft geen betrekking op de rekeningen van E.D.; - uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de eiseres handelde met de bedrieglijke bedoeling om zich het geld op de rekening toe te eigenen. Zij wist dat de gelden na het overlijden van E.D. dienden toe te komen aan zijn wettige erfgenamen. Desondanks haalde zij, door na het overlijden van E.D. de portefeuille/gelden te transfereren naar haar eigen rekening, die rekening leeg met de bedoeling zichzelf te verrijken ten nadele van de wettige erfgenamen aan wie de gelden toekomen. Zij handelde duidelijk met bedrieglijk opzet; - alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf vermeld in de telastlegging A.
- b)zijn bewezen; - niet pertinent stelt de eiseres dat zij handelde conform de algemene voorwaarden van de bank; - in het licht van de omstandigheden kan de eiseres zich bezwaarlijk ernstig beroepen op een beweerde goede trouw. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres en verantwoordt het haar schuldigverklaring aan de telastlegging A.
- b)naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld en de motiveringsplicht: het arrest oordeelt zonder meer dat alle door de eiseres weggenomen gelden te aanzien zijn als schade geleden door de verweerders; het is aan de verweerders om te bewijzen dat de gelden op de rekeningen waarvan de eiseres titularis was, wat betreft de Luxemburgse rekeningen al meer dan 5 jaar voor het overlijden van de erflater, aan hen toebehoren; het gevorderde bedrag kan hoegenaamd niet, en alleszins niet door de strafrechter, worden toegekend aan de verweerders; er zal eerst volgens de regels van het burgerlijk recht een vereffening en verdeling van de gelden dienen plaats te vinden; op grond daarvan kan worden uitgemaakt wat aan wie toebehoort; de autonomie van het strafrecht doet hieraan geen afbreuk. 20. In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht miskent, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 21. Overeenkomstig artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade aan hen die de schade hebben geleden. Aldus staat het aan de strafrechter om te bepalen wie welke schade heeft geleden en wie beschikt over het belang en de hoedanigheid om vergoeding voor die schade te vorderen. 22. Wanneer zaken die in leven toebehoorden aan een erflater na diens overlijden worden gestolen, wordt de uit de diefstal voortvloeiende schade geleden door diens erfgerechtigden, zoals aangewezen door de wet of met een erfregeling. Het staat dan ook aan de strafrechter om de beklaagde die hij schuldig verklaart aan de diefstal van die zaken, te veroordelen tot schadevergoeding aan degenen die aantonen die erfgerechtigden te zijn. Daarvoor moet niet eerst de nalatenschap van de erflater zijn vereffend en verdeeld. Evenmin moeten de erfgerechtigden aantonen dat zijzelf of de erflater reeds gedurende enige periode vóór het overlijden van deze laatste of vóór de diefstal eigenaar waren van de gestolen zaken. 23. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 24. Het arrest (p. 35-38) oordeelt als volgt: - de lastens de eiseres bewezen telastleggingen A.
- a)en A.
- b)staan in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerders werd geleden; - de eiseres is aansprakelijk voor de door de verweerders geleden schade en is dan ook ertoe gehouden die schade integraal te vergoeden; - de verweerders zijn de twee kinderen en enige wettige en reservataire erfgenamen van wijlen E.D., overleden op 25 februari 2013, die geen testament of andere akte van uiterste wil heeft gemaakt; - de verweerders hebben de nalatenschap van wijlen E.D. aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; - de verweerders hebben aldus belang en hoedanigheid en zijn als de enige erfgenamen gerechtigd op de door de eiseres bedrieglijk weggenomen gelden, voorwerp van de bewezen telastleggingen A.
- a)en A.b); - krachtens artikel 724 oud Burgerlijk Wetboek treden de erfgenamen van rechtswege in het bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de overledene, onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen; - de verweerders kunnen als gezamenlijke erfgenamen samen de vordering tot schadevergoeding die de nalatenschap heeft geleden, uitoefenen. Het is niet vereist dat zij specificeren dat zij dit in hun hoedanigheid van erfgenaam doen. Met het geheel van die redenen, waaruit blijkt dat de verweerders op het moment van de diefstal eigenaar waren van de gestolen gelden, is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en de motiveringsplicht: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verweerders als gezamenlijke erfgenamen samen de rechtsvordering tot schadevergoeding die de nalatenschap heeft geleden kunnen uitoefenen en niet moeten specificeren dat zij dit in hun hoedanigheid van erfgenaam doen; het gegeven dat de erfgenamen van rechtswege in het bezit van de goederen en rechten van de overledene treden, heeft niet tot gevolg dat de weggenomen bedragen als schadevergoeding aan de verweerders kunnen worden toegekend; het bezit van de goederen betekent nog niet dat de goederen definitief aan de verweerders toebehoren; indien de nalatenschap schade zou hebben geleden door de vermeende misdrijven dan dient de schadevergoeding ten goede te komen aan de nalatenschap en niet aan de verweerders persoonlijk. 26. Een nalatenschap heeft geen rechtspersoonlijkheid die onderscheiden is van deze van de erfgerechtigden. De erfgerechtigden op een nalatenschap kunnen dan ook in eigen naam vergoeding vorderen van de schade die aan de nalatenschap werd betrokkend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Het arrest steunt de beslissing tot het toekennen van schadevergoeding aan de verweerders niet enkel op de in het onderdeel vermelde reden, maar ook op een geheel van andere redenen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel en die het onderdeel niet in de kritiek betrekt. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 28. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div