id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:A
Art. 334
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Schuldigverklaring - Voornaamste redenen van de beslissing van de jury - Antwoord op conclusies - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 3 - 4 Onder foltering, in de zin van de artikelen 417bis, 1°, en 417ter Strafwetboek, wordt elke opzettelijke onmenselijke behandeling verstaan die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt; de wet bestraft gewelddaden die ten aanzien van het slachtoffer getuigen van een diepe minachting en een volledig misprijzen en waarbij de verwondingen een ernstig en vreselijk lijden hebben veroorzaakt
(1).
(1)Cass. 4 februari 2009, AR P.08.1776.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.3, AC 2009, nr. 92, RW 2009-10, 1126 noot S. DE WULF; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 549. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Opzettelijke onmenselijke behandeling - Graad en intensiteit van het lijden - Foltering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 417bis, 1°, en 417ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Begrip - Foltering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 417bis, 1°, en 417ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 Met het oordeel dat de beklaagde tot en met de datum van de veroordeling geen of weinig empathie voor het slachtoffer aan de dag legde, betrekt de strafrechter niet de wijze van verdediging bij de straftoemeting, maar enkel de houding van de beklaagde tegenover het slachtoffer. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Straftoemeting - Criteria - Gebrek aan empathie voor het slachtoffer - Recht van verdediging - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 344
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Straftoemeting - Criteria - Gebrek aan empathie voor het slachtoffer - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 344
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 7 - 8 Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de hoven van assisen; de verplichting om de straftoemetingsbeslissing te motiveren, is opgenomen in artikel 344 Wetboek van Strafvordering; indien het hof van assisen een bij toepassing van artikel 344 Wetboek van Strafvordering gemotiveerde straf oplegt waardoor overeenkomstig artikel 8, § 1, Probatiewet uitstel van tenuitvoerlegging wettelijk niet mogelijk is, moet het hof de weigering uitstel van tenuitvoerlegging niet nader met redenen omkleden. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Straftoemeting - Motivering - Weigering van een straf met uitstel - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 344
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Hof van assisen - Straftoemeting - Motivering - Weigering van een straf met uitstel - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 344
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0419.N P E C, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent, tegen J W, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 januari 2022 over de schuldigverklaring en over de bestraffing. De eiser voert in twee memories, die aan dit arrest zijn gehecht, drie middelen aan en doet afstand van zijn cassatieberoep op burgerrechtelijk gebied. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel tegen het arrest over de schuldigverklaring
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 417bis, 1° en 417ter Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de feiten duidelijk de uitdrukking zijn van een bijzondere minachting en zelfs misprijzen voor het individu van het slachtoffer; aldus stelt het arrest niet vast dat er sprake is van diepe minachting en dat het misprijzen volledig is (eerste grief); het arrest oordeelt dat de verwondingen bij het slachtoffer vreselijk lichamelijk lijden hebben veroorzaakt; aldus stelt het niet vast dat dit lijden ook ernstig en vreselijk is geweest (tweede grief).
- Volgens artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering formuleert het college bestaande uit de beroepsrechter en de juryleden de voornaamste redenen van de beslissing van de jury, zonder dat moet worden geantwoord op alle neergelegde conclusies. Daaruit volgt dat het college niet voor elk afzonderlijk bestanddeel van de misdaad waaraan de beschuldigde is schuldig verklaard en tot in het detail opgave moeten doen van de gegevens waaruit het voorhanden zijn van de diverse bestanddelen blijkt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 1) stelt vast dat uit de verklaring van de jury volgt dat de eiser onder meer schuldig is aan het misdrijf van foltering met verzwarende omstandigheid, zoals omschreven in de bewoordingen van de artikelen 417bis, 1°, en 417ter, eerste lid en derde lid, 1°, Strafwetboek. Nadat het arrest vervolgens bij de formulering van de voornaamste redenen van de beslissing van de jury de verwondingen van het slachtoffer en de wijze waarop die werden toegebracht heeft beschreven (p. 2 en p. 3, eerste tot en met derde alinea), oordeelt het dat: - dergelijke feiten duidelijk de uitdrukking zijn van een bijzondere minachting en zelfs misprijzen voor het individu van het slachtoffer, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat het slachtoffer een dementerende vrouw van bijna 70 jaar betrof, klein van gestalte en freel naar constitutie, die bijzonder kwetsbaar was ingevolge haar alcoholverslaving waarvan de eiser misbruik heeft gemaakt; - niettegenstaande het slachtoffer geheugenverlies had door voortschrijdende dementie, zij regelmatig door de eiser op pad werd gestuurd om boodschappen te doen, wel wetende dat ze veel vergat en soms meer dan eens moet terugkeren naar de winkel; - de feiten zich afspeelden in een woongelegenheid waar gedurende lange tijd mensonwaardige omstandigheden heersten en de eiser wist dat het slachtoffer totaal onhygiënisch was en geen enkele zorg voor zichzelf had; - de eiser tegen een getuige, die hem had gewezen op de verslechterende toestand van het slachtoffer, zegde dat hij met haar geen medelijden moest hebben.
- Verder oordeelt het arrest voor wat betreft de verwondingen van het slachtoffer dat: - de verwondingen aan de armen zodanig ernstig waren dat onverwijld medisch ingrijpen noodzakelijk was om de armen van het slachtoffer te redden en volgens de wetsgeneesheer bij niet tijdige verzorging levensbedreigend konden zijn; - de verwondingen volgens de wetsgeneesheer ook hevige pijnen moeten hebben veroorzaakt; - vaststaat dat de verwondingen bij het slachtoffer vreselijk lichamelijk lijden hebben veroorzaakt. Daarmee geeft het arrest te kennen dat de feiten ten aanzien van het slachtoffer getuigen van een diepe minachting en een volledig misprijzen, alsook dat de verwondingen een ernstig en vreselijk lijden hebben veroorzaakt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen tegen het arrest over de bestraffing Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwijst bij de motivering van de straftoemeting naar het totaal gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer voor wie de eiser weinig of geen empathie aan de dag legde; aldus wordt bij de bestraffing rekening gehouden met de gedraging van de eiser tijdens het proces, te weten tot 27 april 2022 en dus met de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd tijdens het proces.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de hoven van assisen. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Artikel 149 Grondwet en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.
- Met het oordeel dat de eiser tot en met de datum van het arrest geen of weinig empathie voor het slachtoffer aan de dag legde, betrekt het arrest niet eisers wijze van verdediging bij de straftoemeting, maar enkel zijn houding tegenover het slachtoffer. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest wijst eisers verzoek hem uitstel van tenuitvoerlegging van de straf toe te staan af, gelet op het recidivegevaar; aldus nemen de appelrechters mogelijke toekomstige feiten mee in de strafmaat en wordt de eiser gestraft niet alleen voor wat hij gedaan heeft, maar ook voor wat hij in de toekomst nog aan nieuwe delicten zou kunnen plegen en dit louter en alleen op basis van een advies, bij gebrek aan eerdere antecedenten.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de hoven van assisen. De verplichting om de straftoemetingsbeslissing te motiveren, is opgenomen in artikel 344 Wetboek van Strafvordering. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Indien het hof van assisen een bij toepassing van artikel 344 Wetboek van Strafvordering gemotiveerde straf oplegt waardoor overeenkomstig artikel 8, § 1, Probatiewet uitstel van tenuitvoerlegging wettelijk niet mogelijk is, moet het hof de weigering uitstel van tenuitvoerlegging niet nader met redenen omkleden.
- Het arrest veroordeelt de eiser onder meer tot vijftien jaar opsluiting en het motiveert die beslissing overeenkomstig artikel 344 Wetboek van Strafvordering. De redenen die specifiek betrekking hebben op het uitstel van tenuitvoerlegging dragen dan ook de straftoemetingsbeslissing niet. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de gevraagde afstand. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div