← België

GLOBAL HERPELGEM

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.7 Rolnummer: P.21.1435.N Zaak: GLOBAL HERPELGEM Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige - Constitutioneel recht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-06-02 Raadplegingen: 1179 - laatst gezien 2026-06-18 19:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De artikelen 5, 1°, c), en 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (Omgevingsvergunningsdecreet) en artikel 5.2.1, § 6, DABM houden een vergunningsplicht in voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse; die vergunningsplicht is onder meer van toepassing op het geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, zoals bedoeld in rubriek 60 van de bijlage 1 bij Vlarem II; de rechter oordeelt onaantastbaar aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak of een bepaalde plaats moet worden beschouwd als een groeve, een graverij, een uitgraving of een andere put, met inbegrip van een waterplas of een vijver, in de zin van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen; de loutere omstandigheid dat een waterplas in het verleden dienstig was als koelbekken voor een industriële installatie, impliceert niet dat die waterplas niet kan vallen onder het toepassingsgebied van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II. Thesaurus CAS: MIJNEN. GROEVEN. GRAVERIJEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten - Opvullen van waterplassen en vijvers - Waterplas die dienst deed als koelbekken voor een industriële installatie - Beoordeling door de rechter - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 5.2.1, § 6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Rubriek 60 van bijlage 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten - Opvullen van waterplassen en vijvers - Waterplas die dienst deed als koelbekken voor een industriële installatie - Criteria van beoordeling - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 5.2.1, § 6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Rubriek 60 van bijlage 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten - Opvullen van waterplassen en vijvers - Waterplas die dienst deed als koelbekken voor een industriële installatie - Beoordeling door de rechter - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 5.2.1, § 6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Rubriek 60 van bijlage 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Fiches 4 - 7 Bij de beoordeling van de draagwijdte van een bepaling van een uitvoeringsreglementering is de rechter niet gebonden door de interpretatie ervan die na het uitvaardigen van die bepaling wordt verdedigd door leden van de uitvoerende macht, ook al betreft het de minister die bevoegd is voor het departement waartoe die uitvoeringsreglementering behoort, wanneer de rechter die draagwijdte anders beoordeelt dan de minister, miskent hij hierdoor niet het beginsel van de scheiding der machten. Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Interpretatie van een uitvoeringsreglementering - Rubriek 60 van Bijlage 1 Vlarem II - Standpunt van de Minister - Beoordeling van de reglementering door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Interpretatie van een uitvoeringsreglementering - Rubriek 60 van Bijlage 1 Vlarem II - Standpunt van de Minister - Beoordeling van de reglementering door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Interpretatie van een uitvoeringsreglementering - Rubriek 60 van Bijlage 1 Vlarem II - Standpunt van de Minister - Beoordeling van de reglementering door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Interpretatie van een uitvoeringsreglementering - Rubriek 60 van Bijlage 1 Vlarem II - Standpunt van de Minister - Beoordeling van de reglementering door de rechter - Draagwijdte Fiches 8 - 11 De in artikel 16.6.5 DABM bepaalde mogelijkheid voor de rechter om, na de partijen te hebben gehoord, bij wijze van veiligheidsmaatregel het verbod uit te spreken om de inrichtingen, die aan de oorsprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen die hij bepaalt, strekt ertoe de bedreiging voor de mens of het milieu weg te nemen

(1); bij gebrek aan een conclusie over de termijn van een in voorkomend geval op te leggen veiligheidsmaatregel, is de rechter die bij toepassing van de voormelde bepaling een exploitatieverbod uitspreekt voor een termijn die hij bepaalt, niet ertoe gehouden de duur van die termijn nader met redenen te omkleden; de rechter kan ter verantwoording van het bij toepassing van artikel 16.6.5 DABM opgelegde exploitatieverbod de bedreiging voor de mens of het milieu afleiden uit het risico dat de beklaagde zijn wederrechtelijke activiteit niet vrijwillig zal stopzetten en een voor de omgeving onomkeerbare toestand wil creëren.
(1)Cass. 4 maart 2003, AR P.02.0974.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.12, AC 2003, nr. 147. Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Verbod tot het uitbaten van inrichtingen die aan de oorsprong liggen van het milieumisdrijf - Termijn van het exploitatieverbod - Evenredigheid - Criteria - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.5 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Verbod tot het uitbaten van inrichtingen die aan de oorsprong liggen van het milieumisdrijf - Termijn van het exploitatieverbod - Evenredigheid - Criteria - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.5 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Verbod tot het uitbaten van inrichtingen die aan de oorsprong liggen van het milieumisdrijf - Termijn van het exploitatieverbod - Evenredigheid - Criteria - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.5 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Verbod tot het uitbaten van inrichtingen die aan de oorsprong liggen van het milieumisdrijf - Termijn van het exploitatieverbod - Evenredigheid - Criteria - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.5 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiches 12 - 15 De maatregelen die de rechter bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM kan bevelen, strekken ertoe de door het milieumisdrijf veroorzaakte wederrechtelijke toestand ongedaan te maken door de toestand zoals die bestond vóór het milieumisdrijf zoveel als mogelijk te herstellen teneinde aldus het milieu te vrijwaren; de rechter oordeelt onaantastbaar of de door hem bij toepassing van die bepaling bevolen maatregel noodzakelijk is voor dit herstel; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Over de herstelmaatregel en termijn op basis van art. 16.6.6 Decreet Milieubeleid zie Cass. 11 januari 2022, AR P.21.0373.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5, AC 2022, nr. 13. Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Beoordeling - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Beoordeling - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Beoordeling - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiches 16 - 21 Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM verbiedt de rechter bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM een herstelmaatregel te bevelen die kennelijk onredelijk is; hierbij dient hij na te gaan of het voordeel van de bevolen herstelmaatregel ter vrijwaring en herstel van het milieu opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de overtreder; het bevolen herstel moet evenredig zijn met de in concreto vastgestelde aantasting van het milieu en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt; bij afwezigheid van een conclusie over de redelijkheid en evenredigheid van de herstelmaatregel, is de rechter er evenwel niet toe gehouden zijn beslissing in dit verband nader met redenen te omkleden
(1).
(1)Over de herstelmaatregel in zaken van stedenbouw en ruimtelijke ordening (art. 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) oordeelde het Hof reeds in vergelijkbare zin: “Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM verbiedt de rechter een herstelmaatregel te bevelen die kennelijk onredelijk is. Hierbij dient hij na te gaan of het voordeel van de bevolen herstelmaatregel voor het behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de overtreder. Het bevolen herstel moet evenredig zijn met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt” (Cass. 5 januari 2021, AR P.20.0736.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2, AC 2021, nr. 1, in dezelfde zin Cass. 5 februari 2019, AR P.17.0756.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1, AC 2019, nr. 65; Cass. 5 januari 2016, AR P.14.1754.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160105.2, AC 2016, nr. 3; Cass. 4 februari 2003, AR P.01.1462.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2, AC 2003, nr. 80; Cass. 24 november 2009, AR P.09.0278.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4, AC 2009, nr. 689) en “De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een herstelmaatregel evenredig is met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en of uit de vergelijking tussen het voordeel voor de ruimtelijke ordening dat volgt uit die maatregel en de voor de betrokkene veroorzaakte last niet volgt dat de herstelmaatregel kennelijk onredelijk is. Bij die beoordeling kan de rechter de aard van en de wijze waarop het stedenbouwkundige misdrijf werd gepleegd dat tot de herstelmaatregel aanleiding geeft, het flagrante karakter van het misdrijf en de doelbewustheid waarmee het werd gepleegd, mee in overweging nemen” (Cass. 5 januari 2021, AR P.20.0736.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2, AC 2021, nr. 1; Cass. 27 september 2011, AR P.10.2020.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.2, AC 2011, nr. 500; Cass. 18 december 2001, AR P.99.1548.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011218.9, AC 2001, nr. 709). (BDS) Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Recht op eigendom - Natuurbehoud - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Vlaams Gewest - Inbreuk op het Decreet Milieubeleid - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Last die de herstelmaatregel meebrengt voor de overtreder - Recht op eigendom - Evenredigheid - Beoordeling - Redenen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiches 22 - 23 De rechter die een beklaagde veroordeelt wegens het zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, zoals bedoeld in rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II, en het herstel in de oorspronkelijke toestand beveelt door het uitgraven en afvoeren van de opgevoerde gronden, oordeelt niet tegenstrijdig wanneer hij tevens vaststelt dat niet is aangetoond dat de aangevoerde gronden de waarden van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 overschrijden, dit laatste impliceert als zodanig niet dat de voormelde herstelmaatregel niet noodzakelijk kan zijn ter vrijwaring van het milieu. Thesaurus CAS: MIJNEN. GROEVEN. GRAVERIJEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten - Opvullen van waterplassen en vijvers - Aangevoerde gronden met waarden die voldoen aan het Vlarebo-Besluit - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Vrijwaring van het milieu - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 5.2.1, § 6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Rubriek 60 van bijlage 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Besluit van de Vlaamse Regering 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 14-12-2007 - 65 ELI link Pub nr 2008200841 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Omgevingsvergunning - Opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten - Opvullen van waterplassen en vijvers - Aangevoerde gronden met waarden die voldoen aan het Vlarebo-Besluit - Maatregel van herstel in de toestand van vóór het milieumisdrijf - Vrijwaring van het milieu - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 5.2.1, § 6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Rubriek 60 van bijlage 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Besluit van de Vlaamse Regering 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 14-12-2007 - 65 ELI link Pub nr 2008200841 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1435.N GLOBAL HERPELGEM nv, met zetel te 8020 Oostkamp, Kapellestraat 117, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Charlotte Ponchaut, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 oktober
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest ontslaat de eiseres van rechtsvervolging voor de telastlegging B. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat het opvullen van het waterbekken onder de rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II valt en de eiseres bijgevolg schuldig is aan het exploiteren van die inrichting zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse, is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; wanneer op basis van het strafdossier niet eenduidig kan worden geoordeeld dat een beklaagde schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten, moet een beklaagde worden vrijgesproken; de strafrechter mag de ter staving hiervan aangevoerde argumenten en stukken niet onbeantwoord laten of ongefundeerd naast zich neerleggen; het arrest stelt op een ongefundeerde manier een koelwaterbekken gelijk met de in de rubriek 60 bedoelde “andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers” en antwoordt niet op de conclusie van de eiseres waarin werd aangevoerd dat een gebetonneerd koelbekken niet onder die rubriek valt, aangezien dit een al te ruime interpretatie zou inhouden; evenmin wordt geantwoord op de conclusie van de eiseres waarin werd gesteld dat hierover minstens twijfel bestaat en die twijfel, gelet op het vermoeden van onschuld, in haar voordeel moet worden uitgelegd.
  4. De artikelen 5, 1°, c), en 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunningsdecreet) en artikel 5.2.1, § 6, DABM houden een vergunningsplicht in voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse. Die vergunningsplicht is onder meer van toepassing op het geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, zoals bedoeld in rubriek 60 van de bijlage 1 bij Vlarem II.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak of een bepaalde plaats moet worden beschouwd als een groeve, een graverij, een uitgraving of een andere put, met inbegrip van een waterplas of een vijver, in de zin van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  6. De loutere omstandigheid dat een waterplas in het verleden dienstig was als koelbekken voor een industriële installatie, impliceert niet dat die waterplas niet kan vallen onder het toepassingsgebied van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt dat koelwaterbekkens als zodanig niet zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de voormelde rubriek
  8. Het leidt de toepasselijkheid van die rubriek op de activiteit waarvoor de eiseres onder de telastlegging A wordt vervolgd, echter niet af uit dit oordeel. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  9. Het arrest (p. 12-14) stelt vast en oordeelt als volgt: - de toezichthouder stelde vast dat het koelwaterbekken, bestaande uit twee bekkens, geen betonnen constructie is en valt onder het begrip “andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers”; verder in het proces-verbaal luidt het dat “het koelwaterbekken geen betonnen constructie is, maar uit hooguit een aantal betonnen elementen/segmenten bestaat”; - de waterplassen krijgen de naam koelwaterbekkens omdat het water dat zich hierin bevond voor de vroegere Electrabel-inrichting dienst deed als koelwater; het begrip koelwaterbekken is echter vanuit zijn aard niet uitgesloten van het toepassingsgebied van de vermelde rubriek 60; uit de opsomming van het toepassingsgebied volgt overigens dat dit heel ruim is bedoeld: de vermelding van “andere putten, met inbegrip van (...)” duidt hier op; - de bekkens zijn volgens de biologische waarderingskaart gelegen in een biologisch waardevolle, zij het slecht ontwikkelde, eutrofe plas, terwijl volgens Geopunt Vlaanderen beide koelwaterbekkens binnen een beschermingszone type III van een drinkwaterwinning liggen; - louter omwille van hun functie als koelwaterbekken zijn deze bekkens niet uitgesloten van het toepassingsgebied van rubriek 60; een koelwaterbekken is immers niet steeds en noodzakelijk een betonnen constructie in de zin van een gesloten betonnen kom; uit de zintuiglijke vaststellingen van de toezichthouder volgt dat de betrokken waterbekkens slechts gedeeltelijk en beperkt en helemaal niet over de gehele omtrek enkele betonnen elementen of segmenten vertonen; - het bekken, dat in een door de eiseres aan de toezichthouder meegedeeld stuk ook “bezinkvijver” werd genoemd, heeft een groot wateroppervlak en heeft natuurlijk begroeide oevers; - het bij brief van 15 april 2020 vertolkte standpunt van de Vlaamse minister, bevoegd voor Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, waarin onder meer wordt gesteld dat “een koelwaterbekken inderdaad geen groeve, graverij, put of vijver is”, dat “het nooit de bedoeling is geweest om met de invoering van deze rubriek in bijlage 1 van Vlarem II het opvullen van industriële constructies in industriegebied (milieu)vergunningsplichtig te maken” en dat volgens haar interpretatie “het opvullen van een dergelijke betonnen constructie niet onder het toepassingsgebied van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II valt”, is niet relevant, aangezien de betrokken bekkens feitelijk geen betonnen constructies betreffen; - de eiseres kan zich niet beroepen op rechtsdwaling en behoorde op de hoogte te zijn van het toepassingsgebied van rubriek 60, te meer gezien zij een professioneel projectontwikkelaar is en gelet op de omvang van de site. Met die redenen beantwoordt het arrest de in het onderdeel aangehaalde conclusie en verantwoordt het naar recht het oordeel dat de voorheen als koelwaterbekken dienstige waterplassen onder het toepassingsbied vallen van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  10. Uit de voormelde redenen blijkt bovendien dat er volgens de appelrechters geen twijfel bestaat over de interpretatie van de draagwijdte van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II en dat de eiseres, mede gelet op de omvang van de site en haar hoedanigheid als professioneel projectontwikkelaar, ervan op de hoogte diende te zijn dat haar activiteit onder het toepassingsgebied van die rubriek viel. Hiermee geeft het arrest noodzakelijk ook te kennen dat de eiseres zich in dat verband niet op het vermoeden van onschuld kan beroepen. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.
  11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten: door te oordelen dat de door de Vlaamse minister, bevoegd voor Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme gegeven interpretatie van rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II niet relevant is en die interpretatie naast zich neer te leggen, miskent het arrest het beginsel van de scheiding der machten; de minister van Omgeving is het best geplaatst om de Vlarem-regels te interpreteren en de interpretatie van de minister primeert boven deze van een individuele inspecteur; het is een staatsrechtelijk premisse dat het standpunt van de Vlaamse overheid moet overeenstemmen met het standpunt van de minister; er wordt ook niet aangetoond dat het standpunt van de minister gebaseerd zou zijn op onvolledige of onjuiste informatie; het komt de rechterlijke macht niet toe om de interpretatie door de wetgevende macht van de eigen regelgeving zomaar naast zich neer te leggen en zich bij de interpretatie van een uitvoeringsreglementering in de plaats te stellen van de uitvoerende macht.
  13. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk.
  14. Het onderdeel preciseert niet waarom het arrest artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  15. Het arrest oordeelt niet dat rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II van toepassing is omdat de verbaliserende inspecteur dit heeft gesteld. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Bij de beoordeling van de draagwijdte van een bepaling van een uitvoeringsreglementering is de rechter niet gebonden door de interpretatie ervan die na het uitvaardigen van die bepaling wordt verdedigd door leden van de uitvoerende macht, ook al betreft het de minister die bevoegd is voor het departement waartoe die uitvoeringsreglementering behoort. Wanneer de rechter die draagwijdte anders beoordeelt dan de minister, miskent hij hierdoor niet het beginsel van de scheiding der machten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel: het bij toepassing van artikel 16.6.5 DABM aan de eiseres opgelegde verbod om de opgevulde plassen nog langer te gebruiken en verder te exploiteren gedurende een termijn van vijf jaar op straffe van verbeurte van een dwangsom is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest beperkt zich voor het opleggen van het exploitatieverbod tot een standaardmotivering en bepaalt de termijn van het verbod op een arbitraire wijze op vijf jaar; het arrest antwoordt ook niet op de conclusie van de eiseres waarin zij had aangevoerd dat er van enig risico voor mens of milieu geen sprake is omdat de gebruikte grond aan de kwaliteitsnormen voldoet, wat ook blijkt uit de vrijspraak van de eiseres voor de telastlegging B; uit het arrest blijkt niet door welk risico de veiligheidsmaatregel wordt verantwoord; het opleggen van een exploitatieverbod voor een termijn van vijf jaar op straffe van verbeurte van een dwangsom houdt dan ook een miskenning in van het eigendomsrecht van het koelwaterbekken van de eiseres, aangezien de last van het exploitatieverbod voor de eiseres niet opweegt tegen het voordeel ervan voor het behoud van de omgeving, zodat de opgelegde veiligheidsmaatregel kennelijk onredelijk is.
  18. De artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de in het middel aangevoerde grieven. In zoverre faalt het middel naar recht.
  19. De in artikel 16.6.5 DABM bepaalde mogelijkheid voor de rechter om, na de partijen te hebben gehoord, bij wijze van veiligheidsmaatregel het verbod uit te spreken om de inrichtingen, die aan de oorsprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen die hij bepaalt, strekt ertoe de bedreiging voor de mens of het milieu weg te nemen. Bij gebrek aan een conclusie over de termijn van een in voorkomend geval op te leggen veiligheidsmaatregel, is de rechter die bij toepassing van de voormelde bepaling een exploitatieverbod uitspreekt voor een termijn die hij bepaalt, niet ertoe gehouden de duur van die termijn nader met redenen te omkleden.
  20. De rechter kan ter verantwoording van het bij toepassing van artikel 16.6.5 DABM opgelegde exploitatieverbod de bedreiging voor de mens of het milieu afleiden uit het risico dat de beklaagde zijn wederrechtelijke activiteit niet vrijwillig zal stopzetten en een voor de omgeving onomkeerbare toestand wil creëren.
  21. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Ter verantwoording van het opgelegde verbod om de opgevulde plassen nog langer te gebruiken en verder te exploiteren gedurende een termijn van vijf jaar, wijst het arrest (p. 16-17, nr. 10) erop dat: - de eiseres ondanks diverse aanmaningen van de bevoegde toezichthouder de opvullingswerken heeft verdergezet en zij zich erop toelegde een voldongen feit te creëren; - om de toestand voor de omgeving niet onomkeerbaar te maken en de verdere ontwikkeling van het project, dat gebaseerd is op een wederrechtelijke toe-stand, stop te zetten, het opleggen van een exploitatieverbod passend en noodzakelijk is; - aangezien de eiseres niet geneigd is vrijwillig gevolg te verlenen aan aanmaningen van bevoegde overheden, het verbeuren van een dwangsom eveneens noodzakelijk is, waarbij het bedrag van de dwangsom voldoende hoog moet zijn om een beklaagde die bij het plegen en voortzetten van misdrijven duidelijk een economische afweging maakt, te dwingen tot naleving van het verbod. Met die redenen, waaruit blijkt dat het opgelegde exploitatieverbod ertoe strekt de bedreiging voor het milieu weg te nemen, is de beslissing tot het opleggen van het exploitatieverbod regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus ook het in de appelconclusie van de eiseres met betrekking tot het exploitatieverbod aangevoerde verweer, zonder dat zij ertoe gehouden waren te antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  23. In zoverre het middel aanvoert dat de opgelegde veiligheidsmaatregel een miskenning inhoudt van het eigendomsrecht van de eiseres en haar in vergelijking met het voordeel van die maatregel voor het behoud van de omgeving een kennelijk onredelijke last oplegt, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel: het bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM bevolen herstel in de oorspronkelijke toestand “door het uitgraven en legaal afvoeren van de in de waterplassen (vroegere koelwaterbekkens) ingevoerde gronden” binnen een termijn van tien maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest onder verbeurte van een dwangsom is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het aldus bevolen herstel berust op een standaardmotivering en is niet onderbouwd; de grond waarmee het koelwaterbekken werd opgevuld, voldeed aan de normen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zoals ook in de conclusie van de eiseres werd aangevoerd; het arrest verantwoordt niet op grond van welk risico de herstelmaatregel verantwoord zou zijn en bevat bovendien een interne tegenstrijdigheid, aangezien het herstel wordt bevolen terwijl wordt gesteld dat er geen waarden werden overschreden, waaruit blijkt dat er geen risico bestaat voor mens en milieu, wat ook werd aangevoerd in de conclusie van de eiseres en waarop het arrest niet antwoordt; de bevolen herstelmaatregel houdt ook een miskenning in van het eigendomsrecht van het koelwaterbekken van de eiseres, aangezien de last die de bevolen herstelmaatregel met zich meebrengt voor de eiseres niet opweegt tegen het voordeel dat die maatregel zou opleveren voor het behoud van de omgeving; het arrest verduidelijkt niet waarom het noodzakelijk is voor het milieu dat het integraal uitgraven van een koelwaterbekken dat is opgevuld met grond die voldoet aan de normen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 noodzakelijk en proportioneel is voor het herstel van het leefmilieu.
  25. De artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de in het middel aangevoerde grieven. In zoverre faalt het middel naar recht.
  26. Het arrest spreekt de eiseres vrij van het niet naleven van de sectorale milieuvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 5.4.9, § 1, DABM en artikel 5.60.2 Vlarem II, namelijk omdat bij het opvullen van de waterbekkens gronden zouden zijn gebruikt die niet voldoen aan de normen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 (telastlegging B). Het veroordeelt de eiseres daarentegen wegens het exploiteren zonder vergunning van een ingedeelde inrichting van de eerste klasse in strijd met artikel 5.2.1, § 6, eerste lid, DABM en de artikelen 5, 1°, c, en 6, eerste lid, Omgevingsvergunningsdecreet, namelijk wegens het zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers met een capaciteit van meer dan 10.000 m³, zoals bedoeld in rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II (telastlegging A). De omstandigheid dat bij het plegen van dat laatste misdrijf gronden worden gebruikt die voldoen aan de normen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, doet geen afbreuk aan dat misdrijf, noch aan de wederrechtelijke toestand die erdoor is ontstaan.
  27. De maatregelen die de rechter bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM kan bevelen, strekken ertoe de door het milieumisdrijf veroorzaakte wederrechtelijke toestand ongedaan te maken door de toestand zoals die bestond vóór het milieumisdrijf zoveel als mogelijk te herstellen teneinde aldus het milieu te vrijwaren. De rechter oordeelt onaantastbaar of de door hem bij toepassing van die bepaling bevolen maatregel noodzakelijk is voor dit herstel. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  28. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM verbiedt de rechter bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM een herstelmaatregel te bevelen die kennelijk onredelijk is. Hierbij dient hij na te gaan of het voordeel van de bevolen herstelmaatregel ter vrijwaring en herstel van het milieu opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de overtreder. Het bevolen herstel moet evenredig zijn met de in concreto vastgestelde aantasting van het milieu en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt. Bij afwezigheid van een conclusie over de redelijkheid en evenredigheid van de herstelmaatregel, is de rechter er evenwel niet toe gehouden zijn beslissing in dit verband nader met redenen te omkleden.
  29. De rechter die een beklaagde veroordeelt wegens het zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, zoals bedoeld in rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem II, en het herstel in de oorspronkelijke toestand beveelt door het uitgraven en afvoeren van de opgevoerde gronden, oordeelt niet tegenstrijdig wanneer hij tevens vaststelt dat niet is aangetoond dat de aangevoerde gronden de waarden van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 overschrijden. Dit laatste impliceert als zodanig niet dat de voormelde herstelmaatregel niet noodzakelijk kan zijn ter vrijwaring van het milieu.
  30. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  31. Het arrest oordeelt niet dat de door de bewezenverklaarde telastlegging A ontstane toestand geen risico oplevert voor mens en milieu. Het oordeelt wel (p. 14, voorlaatste alinea) dat niet is aangetoond dat de waarden van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 werden overschreden, alsook (p. 14, eerste alinea) dat de omstandigheid dat technisch onderzoek zou hebben bevestigd dat de opgevulde gronden geen enkel gevaar of risico zouden inhouden voor mens en omgeving, niet raakt aan de vergunningsplicht die volgt uit de indeling van de betrokken activiteit als een inrichting van eerste klasse. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  32. Het arrest (p. 17) verantwoordt het bevolen herstel in de oorspronkelijke toestand als volgt: - het openbaar ministerie vorderde het herstel overeenkomstig artikel 16.6.6 DABM, onder verbeuring van een dwangsom; - de eiseres heeft voor een voldongen feit gezorgd door het tegen de aanmaningen van de toezichthouder in blijven opvullen van de waterplassen; - deze werken gebeurden volstrekt wederrechtelijk en het herstel dringt zich op, mede gelet op de biologische waarde van de plassen; - de plaats moet in de oorspronkelijke toestand worden hersteld door het uitgraven en afvoeren van de aangevoerde grond. Met die redenen, die geen standaardmotivering uitmaken, verantwoordt het arrest naar recht het bevolen herstel, verwerpt en beantwoordt het de in het middel aangehaalde conclusie van de eiseres en is de beslissing in dit verband regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  33. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011218.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.12 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160105.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.