← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.9 Rolnummer: P.22.0174.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-05-14 Raadplegingen: 758 - laatst gezien 2026-06-18 21:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Er is samenhang tussen twee of meerdere misdrijven als de rechter oordeelt dat zij in het belang van een goede rechtsbedeling samen moeten worden behandeld en gevonnist; de loutere omstandigheid dat nadat zaken samen werden behandeld, daarin afzonderlijke vonnissen of arresten worden gewezen, tast de wettigheid van die vonnissen of arresten niet aan. Thesaurus CAS: SAMENHANG Vrije woorden: Strafzaken - Bevoegdheid van de rechter - Voeging van meerdere zaken wegens het recht van verdediging of een goede rechtsbedeling - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 227, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 2 - 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of de noodzaak van een goede rechtsbedeling de samenvoeging van meerdere zaken vereist

(1).
(1)Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1706.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.4, AC 2015, nr. 101; Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0231.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19, AC 1999, nr. 340; Cass. 2 februari 1982, AC 1981-82,
  1. M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1295-
  2. Thesaurus CAS: SAMENVOEGING VAN ZAKEN Vrije woorden: Strafzaken - Bevoegdheid van de rechter - Noodzaak van een goede rechtsbedeling - Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Samenvoeging van zaken - Noodzaak van een goede rechtsbedeling Tekst van de beslissing Nr. P.22.0174.N J M S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jeroen Vandenberk, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 6 januari 2022 (nr. 30/2022). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 227, 3°, Wetboek van Strafvordering: met de enkele reden dat de eiser een veelpleger is en voor vele feiten wordt vervolgd, weigert het bestreden vonnis om drie zaken met telkens de eiser als beklaagde samen te voegen; de in alle zaken vervolgde misdrijven zijn duidelijk samenhangend aangezien zij in eenzelfde periode plaatsvonden en feiten van dezelfde aard betreffen; de gezamenlijke behandeling moet worden beoordeeld op basis van de onderlinge band tussen deze feiten, niet op basis van de veelheid van de feiten (eerste onderdeel); de appelrechters laten na om enige vaststelling te doen over het al dan niet bestaan van een band tussen de feiten in de drie zaken noch beoordelen zij de samenvoeging ervan in functie van een goede rechtsbedeling (tweede onderdeel).
  4. Er is samenhang tussen twee of meerdere misdrijven als de rechter oordeelt dat zij in het belang van een goede rechtsbedeling samen moeten worden behandeld en gevonnist. De loutere omstandigheid dat nadat zaken samen werden behandeld, daarin afzonderlijke vonnissen of arresten worden gewezen, tast de wettigheid van die vonnissen of arresten niet aan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de appelrechters de in het middel bedoelde zaken samen hebben behandeld op de rechtszitting van 9 december
  6. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar of de noodzaak van een goede rechtsbedeling de samenvoeging van meerdere zaken vereist. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel van de appelrechters, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  8. Het middel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en van behoorlijke motivering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het verzoek van de eiser om drie zaken samen te voegen gestoeld is op artikel 227, 3°, Strafwetboek, daar waar zijn appelconclusie verwijst naar artikel 227, 3°, Wetboek van Strafvordering; aldus is het bestreden vonnis onbehoorlijk gemotiveerd.
  9. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtsbedeling. In zoverre faalt het middel naar recht.
  10. De verwijzing naar artikel 227, 3°, Strafwetboek in het bestreden vonnis berust op een verschrijving die uit dit vonnis zelf blijkt, aangezien die verwijzing betrekking heeft op artikel 227, 3°, Wetboek van Strafvordering in verband met samenhang en de samenvoeging van zaken zoals aangevoerd in eisers appelconclusie en waarop het bestreden vonnis antwoordt. Het Hof vermag het bestreden vonnis zo te lezen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  11. Het middel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en van behoorlijke motivering, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser slechts het resultaat van een urineonderzoek van 29 januari 2021 bijbracht, terwijl hij als stuk 5 ook een recentere urinetest van 9 augustus 2021 heeft neergelegd, waaraan het appelgerecht voorbijgaat; daarnaast oordeelt het bestreden vonnis ook dat de eiser geen enkel stuk bijbrengt van enige begeleiding inzake zijn drugproblematiek, terwijl het verslag van de justitieassistente duidelijk aangeeft dat hij in begeleiding is bij zorggroepzin-Verslaving; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van beide akten; daardoor is het bestreden vonnis eveneens onbehoorlijk gemotiveerd.
  12. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtsbedeling. In zoverre faalt het middel naar recht.
  13. Een eventuele miskenning van de bewijskracht van een akte is geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  14. Een grief die aanvoert dat de rechter niets vermeldt over een neergelegd stuk en niet motiveert waarom hij daarmee geen rekening houdt, maakt geen grief betreffende de miskenning van de bewijskracht van dat stuk uit. In zoverre het middel de miskenning van de bewijskracht van de urinetest van 9 augustus 2021 aanvoert, kan het niet worden aangenomen.
  15. Het bestreden vonnis oordeelt (p. 8): “De justitieassistente heeft zeer beknopt meegedeeld dat [de eiser] een open houding aanneemt en constructief meewerkt (…). Hij is sinds de opstart in begeleiding bij zorggroepzin-Verslaving en rondde de vorming Dader in zicht positief af. (…) De stukken en het verslag van de justitieassistente tonen dat [de eiser] werk heeft en een collectieve schuldenregeling heeft aangevraagd, maar op basis van deze stukken kan niet worden besloten dat [de eiser] zijn leven en zijn druggebruik thans onder controle heeft.” Met dat oordeel geeft het bestreden vonnis van het verslag van de justitieassistente eensdeels een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en leidt het er anderdeels een gevolg uit af. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.