← België

L. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.11 Rolnummer: P.22.0246.N Zaak: L. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 1324 - laatst gezien 2026-06-18 13:27 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon, in de regel, voor de rechter niet alleen alle regelmatig tegen hem aangevoerde gegevens vrij kan tegenspreken, maar ook dat hij elk voor hem gunstig verweer kan doen gelden maar dit betekent evenwel niet dat de verdwijning van bepaalde bewijsgegevens steeds leidt tot een miskenning van het recht van verdediging van de beklaagde; het staat immers aan de rechter om op grond van alle voorliggende gegevens onaantastbaar te oordelen of en in hoeverre het niet langer voorhanden zijn van die stukken een effectieve belemmering vormt voor de volwaardige uitoefening van het recht van verdediging van die beklaagde en of die eventuele miskenning niet is geremedieerd; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verdwenen bewijsstukken - Gevolg - Beoordeling - Herstel van eventuele miskenning van het recht van verdediging - Toepassing Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht van verdediging - Verdwenen bewijsstukken - Herstel van eventuele miskenning van het recht van verdediging - Toepassing Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht van verdediging - Verdwenen bewijsstukken - Gevolg - Beoordeling - Herstel van eventuele miskenning van het recht van verdediging - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.22.0246.N P. N. J. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alex Buelens, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. V. K., burgerlijke partij,
  2. W. D. R., burgerlijke partij,
  3. G. N., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 januari
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van de wapengelijkheid: het arrest verklaart de feiten bewezen zonder dat de eiser of de appelrechters kennis konden nemen van een groot deel van het strafdossier, met name 15.325 stukken; deze verloren gegane stukken bevatten elementen die voordelig zijn voor de eiser en zijn onontbeerlijk voor de waarheidsvinding; uit deze stukken bleek namelijk dat er door de eiser wel degelijk activiteiten, te weten de door hem opgezette datingsites, werden ontwikkeld, dat klanten wel contacten met elkaar konden leggen en dat er terugbetalingen gebeurden indien men niet tevreden was.
  6. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van wapengelijkheid, dat onderscheiden zou zijn van de algemene beginselen van de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon, in de regel, voor de rechter niet alleen alle regelmatig tegen hem aangevoerde gegevens vrij kan tegenspreken, maar ook dat hij elk voor hem gunstig verweer kan doen gelden.
  8. Dit betekent evenwel niet dat de verdwijning van bepaalde bewijsgegevens steeds leidt tot een miskenning van het recht van verdediging van de beklaagde. Het staat immers aan de rechter om op grond van alle voorliggende gegevens onaantastbaar te oordelen of en in hoeverre het niet langer voorhanden zijn van die stukken een effectieve belemmering vormt voor de volwaardige uitoefening van het recht van verdediging van die beklaagde en of die eventuele miskenning niet is geremedieerd.
  9. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. De appelrechters oordelen in verband met het verlies van de 15.325 pagina’s als gevolg van een verhuis van de politiediensten als volgt: - de mogelijke negatieve gevolgen van het verdwijnen van de stukken in kwestie voor de mogelijkheden voor de beklaagden en dus ook de eiser om potentieel ontlastende elementen naar voren te schuiven, worden volledig gecompenseerd doordat hiermee rekening werd gehouden in hun voordeel; - de toenmalige raadsman van de eiser heeft aan de onderzoeksrechter een kopie toegestuurd van de inventaris van de door de echtgenote van de eiser overgemaakte stukken, alsook een overzicht van de terugbetalingen aan klanten tussen 17 maart 2009 en 3 augustus
  12. De overgemaakte stukken betroffen volgens de advocaat getuigenissen van klanten, berichten tussen klanten-leden, verzoeken tot contacten tussen klanten-leden, online chats tussen klanten-leden en op het internet raadpleegbare reviews over andere soortgelijke websites. Volgens de raadsman tonen de bijgebrachte stukken aan dat de 10.000den klanten-leden op de respectieve websites wel degelijk concreet de dienst gebruiken die op deze sites wordt aangeboden, namelijk een reële mogelijkheid om in contact te komen met andere leden, te chatten of ook fysiek met elkaar af te spreken, alsook dat ontevreden klanten die daarom verzochten op geldige en traceerbare wijze wel degelijk werden gehonoreerd in hun vraag tot terugstorting of niet-afhouding van inschrijvingsgelden, waarbij deze lijst zelfs totaliseert op een bedrag van 264.000,00 euro over een periode van 2,5 jaar; - de lijst met terugbetalingen werd in aanmerking genomen bij een herberekening van de omvang van de mogelijke fiscale fraude in het voordeel van de beklaagden; - er wordt aanvaard dat er wel degelijk door het merendeel van de klanten-leden van de websites in kwestie concreet gebruik kon worden gemaakt van de aangeboden diensten en dat de door de eiser opgezette datingsites effectieve diensten verstrekten aan meerdere leden; - meer concreet wordt aangenomen dat het enkel met betrekking tot de onder de telastleggingen A.1 tot en met A.5 concreet vermelde benadeelden vaststaat dat zij het slachtoffer waren van oplichting, wat impliceert dat waar onder de telastlegging A wordt aangevoerd dat de leden van de websites in kwestie voor een totaal bedrag van 3.559.501,50 euro aan betaalde abonnementsgelden zouden zijn opgelicht, slechts ten belope van een bedrag van 2.638,50 euro (19 benadeelden) wordt aanvaard dat dit ook effectief het geval was. Dit heeft in het voordeel van de beklaagden ook gevolgen voor de beoordeling van de witwas en van de eventuele verbeurdverklaring; - op die manier is er bijgevolg sprake van een volledig herstel van het recht van verdediging van de beklaagden. Indien de verdwenen pagina’s nog wel raadpleegbaar waren geweest, had zulks voor hen onmogelijk tot een gunstiger resultaat aanleiding kunnen geven; - de beklaagden hadden bovendien uitvoerig de mogelijkheid om hun standpunt te laten kennen en zij konden onderzoeksdaden suggereren en dit zowel ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging, de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep; - in dat verband kan worden vastgesteld dat de harde schijf waarop de documenten in kwestie stonden nooit voor onderzoek door de eiser werd aangeboden. De eiser beweerde weliswaar dat die schijf stuk zou zijn, maar zulks blijkt niet uit enig objectief element en de schijf werd ook niet ter beschikking gesteld voor een eventueel forensisch onderzoek met het oog op de recuperatie van de verloren gewaande gegevens. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er een volledig herstel is geweest van eisers recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest miskent eisers recht van verdediging door ten onrechte te stellen dat de strafvordering niet onontvankelijk is door de overschrijding van de redelijke termijn; ondanks de relatief geringe complexiteit van de zaak bedraagt het tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek en de rechtszitting voor het hof van beroep meer dan elf jaar; de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld situeren zich meer dan dertien jaar geleden; de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de gerechtelijke instanties; hierdoor is het onmogelijk geworden zijn verdediging te voeren.
  14. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling stelt dat de over- schrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.1 EVRM, ook wanneer de- ze reeds bereikt is vooraleer de zaak bij de rechter is aanhangig gemaakt, de niet- ontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid of stopzetting van de vervolging voor gevolg heeft.
  15. Artikel 6.1 EVRM duidt de gevolgen niet aan die de rechter aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet verbinden en arti- kel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt evenmin dat de rechter geen straf meer mag opleggen.
  16. Uit de enkele overschrijding van de redelijke termijn volgt in de regel geen miskenning van het recht van verdediging. De onredelijke duur van de strafvordering kan echter met de niet-ontvankelijkheid van die strafvordering worden gesanctioneerd als die overdreven lange duur tot gevolg heeft dat bewijsmateriaal verloren is gegaan of dat het recht van verdediging niet normaal kan worden uitgeoefend.
  17. De rechter oordeelt onaantastbaar over de overschrijding van de redelijke termijn en over de impact van een overschrijding op het recht van verdediging.
  18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Het arrest oordeelt met betrekking tot de aangevoerde redelijketermijnoverschrijding als volgt: - de redelijke termijn is wat betreft de eiser beginnen te lopen op 25 juni 2011, datum waarop hij voor het eerst werd verhoord met betrekking tot de feiten van oplichting te nadele van de vermeende slachtoffers van Temptation Dating, zodat er de vaststelling is dat ongeveer 10,5 jaar zijn verstreken sinds de eiser werd verontrust; - het onderzoek kende over het algemeen een normaal verloop; - het dossier vergde omwille van de aard en de omstandigheden van de feiten, namelijk feiten van oplichting, fiscale fraude en witwas waarbij gebruik werd gemaakt van internationale en omslachtige constructies om belastingen te ontduiken, een tijdrovend onderzoek inclusief een rechtshulpverzoek gericht aan de gerechtelijke overheden in Hong Kong; - tijdens het onderzoek werden ook verschillende verzoekschriften neergelegd strekkende tot de opheffing van beslagmaatregelen, waarbij ook meermaals hoger beroep werd ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling; - in de periode tussen de laatste beschikking tot mededeling van 8 september 2017 en de eindvordering van 14 november 2018 lag de strafvordering wel enige tijd stil; - de behandeling van de vordering tot verwijzing zowel voor de raadkamer als voor de kamer van inbeschuldigingstelling en behandeling ten gronde zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kenden, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van het dossier en de voor de partijen bepaalde conclusietermijnen een normaal verloop; - het tijdsverloop heeft er niet toe geleid dat de eiser zou zijn gehinderd in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn zonder dat die evenwel heeft geleid tot een miskenning van het recht van verdediging van de eiser en er bijgevolg geen aanleiding is om de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 278,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.