id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3 Rolnummer: P.22.0230.N Zaak: P. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 1588 - laatst gezien 2026-06-18 17:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het staat aan de politieambtenaren om in hun processen-verbaal te vermelden op grond van welke gedragingen, aanwijzingen of gronden als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, Wet Politieambt zij overgaan tot het doorzoeken van een voertuig en die vermeldingen moeten de rechter toelaten na te gaan of die doorzoeking is gebeurd overeenkomstig artikel 29, eerste en tweede lid, Wet Politieambt; ter verantwoording van hun doorzoeking kunnen politieambtenaren verwijzen naar informatie over inzittenden van het doorzochte voertuig, die blijkt uit politionele gegevensbanken en dergelijke informatie kan geheim zijn maar dat dwingt de rechter evenwel niet om de vermelding in een proces-verbaal dat uit een politionele gegevensbank blijkt dat een inzittende van een voertuig gekend is bij de politiediensten, te aanvaarden als materiële aanwijzing die de doorzoeking van het voertuig rechtvaardigt, wanneer die vermelding niet wordt toegelicht in het proces-verbaal of in andere, eventueel later bijgebrachte informatie; te vage of te algemene informatie laat de rechter immers niet toe zijn regelmatigheidscontrole over de doorzoeking uit te oefenen. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Politie - Doorzoeking van een voertuig - Gedragingen, aanwijzingen of gronden die de doorzoeking rechtvaardigen - Vermeldingen in processen-verbaal - Verwijzing naar informatie uit politionele gegevensbanken - Vage en algemene informatie - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 29 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Opsporingsonderzoek - Doorzoeking van een voertuig - Gedragingen, aanwijzingen of gronden die de doorzoeking rechtvaardigen - Vermeldingen in processen-verbaal - Verwijzing naar informatie uit politionele gegevensbanken - Vage en algemene informatie - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 29 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 3 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar of de gegevens zoals ze hem ter kennis worden gebracht, een voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van een voertuig te rechtvaardigen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie Cass. 5 mei 2020, AR P.20.0459.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.11, AC 2020, nr. 271; Cass. 16 juni 2015, AR P.15.0599.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.9, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Politie - Doorzoeking van een voertuig - Gedragingen, aanwijzingen of gronden die de doorzoeking rechtvaardigen - Onaantastbare beoordeling - Wettigheidstoezicht door het Hof - Wijze Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Opsporingsonderzoek - Doorzoeking van een voertuig - Gedragingen, aanwijzingen of gronden die de doorzoeking rechtvaardigen - Onaantastbare beoordeling - Wettigheidstoezicht door het Hof - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Opsporingsonderzoek - Doorzoeking van een voertuig - Gedragingen, aanwijzingen of gronden die de doorzoeking rechtvaardigen - Onaantastbare beoordeling - Wettigheidstoezicht door het Hof - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.22.0230.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen R. D., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29 Wet Politieambt: het arrest grondt de vrijspraak van de verweerder op de onregelmatigheid van de doorzoeking van verweerders voertuig omdat de loutere vermelding door de politie dat de verweerder voorkomt in een politionele databank, niet volstaat als materiële aanwijzing die deze doorzoeking rechtvaardigde; het arrest vereist aldus impliciet dat de politieambtenaren in hun proces-verbaal preciseren om welke politionele databank het gaat en onder welk statuut de verweerder hierin is opgenomen; er kunnen echter redenen bestaan waarom politieambtenaren onderliggende informatie uit politionele databanken niet in hun proces-verbaal vermelden; aldus geeft het arrest aan artikel 29 Wet Politieambt een draagwijdte of voegt het een voorwaarde eraan toe die de wetgever niet bepaalt.
- In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Artikel 29, eerste en tweede lid, Wet Politieambt bepaalt: “De politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt: 1° om een misdrijf te plegen; 2° om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen een schuilplaats te geven of te vervoeren; 3° om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren. Zij kunnen dit eveneens wanneer de bestuurder weigert te laten controleren of zijn voertuig in overeenstemming is met de wet.”
- Het staat aan de politieambtenaren om in hun processen-verbaal te vermelden op grond van welke gedragingen, aanwijzingen of gronden als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, Wet Politieambt zij overgaan tot het doorzoeken van een voertuig. Die vermeldingen moeten de rechter toelaten na te gaan of die doorzoeking is gebeurd overeenkomstig de vermelde bepalingen. Ter verantwoording van hun doorzoeking kunnen politieambtenaren verwijzen naar informatie over inzittenden van het doorzochte voertuig, die blijkt uit politionele gegevensbanken. Dergelijke informatie kan geheim zijn. Dat dwingt de rechter evenwel niet om de vermelding in een proces-verbaal dat uit een politionele gegevensbank blijkt dat een inzittende van een voertuig gekend is bij de politiediensten, te aanvaarden als materiële aanwijzing die de doorzoeking van het voertuig rechtvaardigt, wanneer die vermelding niet wordt toegelicht in het proces-verbaal of in andere, eventueel later bijgebrachte informatie. Te vage of te algemene informatie laat de rechter immers niet toe zijn regelmatigheidscontrole over de doorzoeking uit te oefenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de gegevens zoals ze hem ter kennis worden gebracht, een voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van een voertuig te rechtvaardigen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt onder meer: - de verweerder werd voorwerp van onderzoek en van de strafvordering in deze zaak naar aanleiding van een interceptie door de politiediensten, die van oordeel waren dat hij een onregelmatige rijwijze erop na hield. Hij werd om die reden aan een controle onderworpen. De politieagenten gingen daarbij over tot het doorzoeken van verweerders voertuig en bezittingen. Zij vonden onder meer 66.975,00 euro in twee opbergvakken in de wagen en 1.145,00 euro in verweerders portefeuille; - het fouilleren van personen en het doorzoeken van plaatsen of voertuigen wordt wettelijk beperkt ter bescherming van ieders recht op een ongestoord privéleven en om willekeurig overheidsoptreden tegen te gaan. Het gaat bijgevolg om wettelijke voorschriften die zowel fundamentele individuele rechten als principes van de maatschappelijke ordening beschermen; - in het aanvankelijk proces-verbaal wordt aangegeven dat het voertuig waarmee de verweerder reed, werd geïntercepteerd omdat het op de A12 te Meise voortdurend op de middenrijstrook reed terwijl er geen reden was om niet te rijden op de normaal voorgeschreven plaats, de rechterrijstrook; - de verbalisanten stellen verweerders identiteit vast en noteren vervolgens: “Na controle van betrokkene via ons Transmissiecentrum blijkt dat betrokkene gekend is bij onze diensten. Wij gaan over tot controle van betrokkene en zijn voertuig”; - die korte omschrijving van de reden die tot de doorzoeking van het voertuig aanleiding gaf, laat niet toe deze te toetsen aan de door artikel 29 Wet Politieambt gestelde vereisten, noch vast te stellen dat één van de door de wet omschreven redenen om tot dergelijke doorzoeking over te gaan aanwezig was; - het loutere gegeven dat een persoon “gekend is bij de diensten”, laat onbekend wat de reden is waarom die persoon gekend is bij de politie en wat de concrete inhoud en draagwijdte is van die kennis (verdachte, veroordeelde, getuige, houder van een strafregister, geseinde, slachtoffer …); - dat enkele gegeven laat dan ook niet toe om een redelijk vermoeden te voeden dat de verweerder op het moment van de interceptie wegens een verkeersinbreuk met het voertuig reed om een misdrijf te plegen, bewijselementen inzake een misdrijf of personen te verbergen of te vervoeren of een gevaarlijk voorwerp te vervoeren; - er zijn geen verdere elementen bekend waarop de beslissing tot doorzoeking van de wagen zou zijn gesteund; - de vermeende aanwezigheid van de verweerder in een (niet nader te identificeren) politionele databank kan dan ook niet worden aanvaard als materiële aanwijzing die de doorzoeking van het voertuig rechtvaardigde. Evenmin blijkt de verweerder een gedraging te hebben vertoond die wettelijk aanleiding kon geven tot een doorzoeking. De enige gedraging van hem die gekend is, is het feit dat hij zonder reden op de middenrijstrook reed. Dat gegeven verantwoordt uiteraard geen van de door artikel 29 Wet Politieambt vereiste vermoedens. Ten slotte waren er evenmin “omstandigheden van tijd of plaats” die dergelijke vermoedens konden meebrengen; - er kan bijgevolg niet worden vastgesteld dat de doorzoeking van het voertuig waarmee de verweerder reed, gebeurde in één van de wettelijk toegelaten omstandigheden. Die doorzoeking was bijgevolg onwettig.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de voorgelegde gegevens geen voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van het voertuig van de verweerder te rechtvaardigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div