← België

H. contra BELGISCHE STAAT, MOBILITEIT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220609.1N.1 Rolnummer: C.21.0142.N Zaak: H. contra BELGISCHE STAAT, MOBILITEIT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-23 Raadplegingen: 1031 - laatst gezien 2026-06-16 04:40 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220609.1N.1 Fiche 1 De onteigende die tijdig een vordering tot herziening heeft ingesteld, kan in de loop van de procedure met toepassing van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek zijn vordering wijzigen en alsnog de nietigverklaring van het onteigeningsbesluit vorderen, ook al is inmiddels de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 16 Onteigeningswet 1962 verstreken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Herzieningsprocedure - Termijn artikel 16, tweede lid Onteigeningswet 1962 - Wijziging of uitbreiding vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 807 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 16 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Fiche 2 De vordering tot herziening kan niet worden beschouwd als een rechtsmiddel tegen de beslissingen van de vrederechter in verband met de regelmatigheid van de onteigening of over de provisionele of voorlopige vergoeding; de onteigende kan niet berusten in de beslissing van de vrederechter aangezien tegen deze beslissing geen enkel rechtsmiddel kan worden ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Herzieningsprocedure - Geen rechtsmiddel - Berusting Wettelijke bepalingen: Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 16 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1044, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0142.N
  1. D. H.,
  2. H. D. C., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, voor wie optreedt de voorzitter van het Federaal Comité tot Aankoop van Onroerende Goederen, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, 10de verdieping, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 december 2020, op verwijzing gewezen na het arrest van het Hof van 5 april
  3. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft op 26 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  4. De verweerder werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel op: - de eisers voeren niet de schending aan van artikel 21 Gerechtelijk Wetboek; - het middel kan niet tot cassatie leiden aangezien de herziening van de beslissing van de vrederechter over de regelmatigheid van het onteigeningsbesluit pas na het verstrijken van de termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 16 Onteigeningswet 1962 is gevraagd.
  5. De als geschonden aangevoerde wetsartikelen volstaan om tot cassatie te kunnen leiden. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  6. Krachtens artikel 16 Onteigeningswet 1962 worden de voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, tweede lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg. De vordering tot herziening kan ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening. De vordering tot herziening is een op zichzelf staande procedure die verloopt volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat de onteigende die tijdig een vordering tot herziening heeft ingesteld, in de loop van de procedure met toepassing van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek zijn vordering kan wijzigen en alsnog de nietigverklaring van het onteigeningsbesluit kan vorderen, ook al is inmiddels de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 16 Onteigeningswet 1962 verstreken. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid die berust op een andere rechtsopvatting moet eveneens worden verworpen. Gegrondheid
  7. Overeenkomstig de artikelen 7 en 8 Onteigeningswet 1962 oordeelt de vrederechter in een provisioneel vonnis of de vordering tot onteigening regelmatig is ingesteld en bepaalt hij, indien hij het verzoek van de onteigenaar inwilligt, in hetzelfde vonnis, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen. Het vonnis waarbij de vrederechter oordeelt dat de onteigening regelmatig is ingesteld en hij de provisionele vergoeding vaststelt, is niet vatbaar voor hoger beroep of cassatieberoep.
  8. Krachtens artikel 16 Onteigeningswet 1962 worden de voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, tweede lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg. De vordering tot herziening kan ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening. De vordering tot herziening kan niet worden beschouwd als een rechtsmiddel tegen de beslissingen van de vrederechter in verband met de regelmatigheid van de onteigening of over de provisionele of de voorlopige vergoeding.
  9. Krachtens artikel 1044, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is berusten in een beslissing afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.
  10. Uit wat voorafgaat volgt dat de onteigende niet kan berusten in de beslissing van de vrederechter omtrent de regelmatigheid van de onteigening aangezien tegen deze beslissing geen enkel rechtsmiddel kan worden ingesteld.
  11. De appelrechter die oordeelt dat de eisers stilzwijgend hebben berust in de beslissing van de vrederechter dat de onteigening regelmatig werd ingesteld en dat deze berusting belet dat zij de vordering tot nietigverklaring van het onteigeningsbesluit in hoger beroep alsnog hernemen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220609.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220609.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.