id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:
Art. 190
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 190
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 190
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 11 - 12 Artikel 12, tweede lid, Grondwet waarborgt dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens een beslissing genomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering; dit gaat evenwel niet zover dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de vervolging zelf te regelen; een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld; binnen dat strikte kader kan de wet de Koning machtigen om handelingen te bepalen waarvan de overtreding strafbaar is met de straffen die de wet bepaalt
(1).
(1)GwH 6 december 2018, arrest 174/2018, B.19.4; GwH 4 oktober 2018, arrest 128/2018, B.9.2; GwH 17 mei 2018, arrest 56/2018, B.34.3.; GwH 18 november 2021, arrest 158/2021, B.6, www.const-court.be. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: SCHEIDING VAN DE MACHTEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 13 Het KB Drugs 1930 heeft voor wat betreft het verbod op de niet-vergunde invoer van cocaïne geen andere draagwijdte dan het KB Drugs 2017. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Bijlage 1A - 03 ELI link Pub nr 2017031231 KB 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies - 31-12-1930 - 30 ELI link Pub nr 1930123150 Fiches 14 - 15 Opdat de rechter een beklaagde kan veroordelen wegens het overtreden van een verbodsbepaling uit een opgeheven strafwet die op het moment van het feit nog van kracht was, moet hij vermelden welke de wetsbepalingen zijn die deze verbodsbepaling tot aan zijn uitspraak handhaven en ze strafbaar stellen; voor het overige is daarvoor geen bijzondere motivering vereist
(1).
(1)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.0945.N, arrest niet te publiceren, T.Strafr. 2021, afl. 2, 100-102, RW 2021-22, 463; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0510.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.2, AC 2020, nr. 675; Cass. 23 oktober 2019, AR P.19.0610.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1, AC 2019, nr. 539, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.. Zie alg. F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie-en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 279-285. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 16 - 18 De rechter mag een beklaagde slechts schuldig verklaren aan een feit waarvan hij de omschrijving, zoals dit feit bij hem is aanhangig gemaakt, heeft gewijzigd, indien die beklaagde de gelegenheid had zich daarover te verdedigen, het recht van verdediging vereist evenwel niet dat het de rechter is die de beklaagde uitdrukkelijk uitnodigt zich te verweren betreffende een heromschrijving; indien de heromschrijving in het debat was ingevolge het verloop van het strafproces en de beklaagde wist dat een heromschrijving tot de mogelijkheden behoorde en hij zich ter zake ook kon verdedigen, is een uitdrukkelijke verwittiging niet vereist
(1).
(1)Cass. 15 mei 2018, AR P.18.0040.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180515.1, AC 2018, nr. 307; P. MORLET, “Changement de qualification. Droits et devoirs du juge”, RDPC. 1990, 561-590; A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier, 2005, 17-21; R. DECLERCQ, Beginselen van rechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0276.N I J. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. II K. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 januari 2022, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 2 maart
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij geen deelnemingshandeling heeft gesteld en geen deelnemingsopzet had voor wat betreft de telastlegging A (invoer cocaïne, in vereniging); ondanks eisers verzoek daartoe, beoordelen de appelrechters niet de aanwezigheid van de constitutieve bestanddelen voor die deelneming; zij motiveren de strafbare deelneming van de eiser I immers enkel in het licht van de materiële handeling van de uithaling van de verdovende middelen die zou moeten gebeuren; nochtans is het misdrijf van invoer van verdovende middelen voltrokken van zodra deze verdovende middelen het grondgebied van België zijn binnengekomen; bijgevolg dienden de appelrechters vast te stellen dat de aan de eiser I verweten strafbare gedragingen, met name het afspreken met de medebeklaagden, het overhandigen van de gopro-camera en de zegels, hebben plaatsgevonden voordat de verdovende middelen op Belgisch grondgebied werden gebracht en dat deze gedragingen essentieel zijn voor de totstandkoming van het misdrijf van de invoer van verdovende middelen.
- Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf verleent en het opzet heeft om aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. Het is daarbij vereist maar ook voldoende dat de mededader kennis heeft van alle omstandigheden die aan de handeling van de dader het kenmerk van een misdaad of een wanbedrijf verlenen. De deelnemingshandeling moet bovendien ofwel voorafgaan aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf, ofwel ermee samengaan.
- Uit de beslissing van de rechter die een beklaagde veroordeelt als deelnemer aan een misdrijf, moet blijken dat die beklaagde voldoet aan de voor die deelneming vereiste constitutieve bestanddelen. Daarvoor is echter niet vereist dat de rechter het voldaan zijn aan elk van die constitutieve bestanddelen uitdrukkelijk motiveert. Enkel wanneer de beklaagde een welbepaald verweer voert over een of meerdere constitutieve bestanddelen van het hem ten laste gelegde misdrijf moet de rechter daarop specifiek antwoorden. Een in louter algemene bewoordingen geformuleerd verzoek van de beklaagde om de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf te preciseren of te motiveren volstaat daartoe niet.
- Het misdrijf invoer van verdovende middelen zoals bedoeld in onder meer artikel 2bis, § 1, Drugwet vereist dat de verdovende middelen daadwerkelijk worden overgebracht naar het Belgische grondgebied. Bijgevolg is die invoer voltooid vanaf het moment dat de verdovende middelen de Belgische grens overschrijden. Dit belet niet dat het welslagen van de invoer ook na die overschrijding nog een geheel van materiële handelingen kan vereisen, waaronder het uithalen van de verdovende middelen uit de containers waarin zij het land zijn ingevoerd. Dergelijke handelingen kunnen zodanig cruciaal zijn voor het slagen van de invoer dat zij, mede gelet op de op het spel staande belangen en risico’s, noodzakelijkerwijze vóór de invoer moeten zijn afgesproken. Bijgevolg kunnen de handelingen die met deze uithaling gepaard gaan, daden van deelneming aan de invoer uitmaken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9-10 en 20-21) oordeelt zoals het middel vermeldt en neemt onder meer de volgende redenen over van het beroepen vonnis (p. 10-11): “Uit het strafdossier blijkt dat er sprake was van een organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne via de Antwerpse haven. De organisatie deed hierbij een beroep op havenarbeiders die op kaai een switch dienden uit te voeren tussen een Zuid-Amerikaanse en een Europese container teneinde alzo de cocaïne bij de eindbestemmeling te krijgen. Dergelijke handelswijze vereist een duidelijk voorafgaand plan en een duurzame internationale samenwerking. Onder meer de medewerking van arbeiders binnen de haven vormt daarbij een essentieel onderdeel van de drugstrafiek. Er was in hoofde van [de eisers] duidelijk sprake van vooraf verleende toezeggingen om mee te werken aan het misdrijf. [De eisers] organiseerden het recupereren van de cocaïne vanuit de Antwerpse haven. [R.A.] trad daarbij op als tussenpersoon met [S.V.], die bereid was als straddle chauffeur op kaai 1742 een switch uit te voeren en de cocaïne over te laden van een Zuid-Amerikaanse in een Europese container. Er vonden vooraf reeds ontmoetingen plaats en er werd daarbij door [de eisers] een voorschot overhandigd, waarvan [S.V.] 20.000 euro ontving en [R.A.] 5.000 euro. Hun voorafgaande organisatie en toezegging tot medewerking maakten een essentiële hulp uit voor het plegen van het misdrijf. Rekening houdend met de op het spel staande belangen wordt de cocaïne immers pas vanuit Zuid-Amerika verscheept indien in België de nodige regelingen zijn getroffen om deze tot bij de eindbestemmeling te krijgen. Gelet op de vaststellingen van de douane inzake container […] die op woensdag 05.04.2017 toekwam in de Antwerpse haven vanuit Colombia en er op 06.04.2017 gelost werd, alsook de opdracht van [S.V.] om initieel op donderdag 06.04.2017 een switch uit te voeren tussen een Zuid-Amerikaanse en een Europese container, staat vast dat er cocaïne werd ingevoerd die door de organisatie waartoe [de eisers] behoorden diende uitgehaald te worden. Dat de geplande switch door omstandigheden niet kon worden uitgevoerd met tussenkomst van [S.V.], doet geen afbreuk aan het feit dat [de eisers] zich als mededader schuldig hebben gemaakt aan de invoer van cocaïne. De door hen gestelde gedragingen betreffen niet louter voorbereidende handelingen, maar droegen ertoe bij dat op 05.04.2017 een partij cocaïne via de Antwerpse haven werd ingevoerd. Bijgevolg dienen de onder A aan [de eisers] ten laste gelegde feiten te worden geherkwalificeerd zoals volgt: [invoer verdovende middelen].”
- Met die redenen, waaruit blijkt dat de eiser I de constitutieve bestanddelen van de hem verweten deelneming aan de invoer van verdovende middelen in zich verenigt, beantwoorden de appelrechters eisers voor hen gevoerde verweer, dat niet specifiek sloeg op de in het middel betwiste constitutieve bestanddelen, en is hun beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het onmiddellijkheidsbeginsel in strafzaken: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser I enkel op de verklaringen van twee medebeklaagden, zonder deze ter rechtszitting te horen of aanvullend bewijs aan te dragen; deze medebeklaagden werden, om de redenen die het arrest vermeldt, ook niet gehoord op verzoek van de eiser II; de rechter moet aan verklaringen van medebeklaagden, als onderscheiden categorie, een verschillend gewicht toekennen.
- Er bestaat in strafzaken geen algemeen rechtsbeginsel, genaamd onmiddellijkheidsbeginsel.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem voorgelegde gegevens, met inbegrip van de bewijswaarde van de getuigenverklaringen die zich in het strafdossier bevinden. Behoudens in hier niet toepasselijke gevallen dient de strafrechter aan verklaringen van bepaalde getuigen geen ander gewicht te geven dan aan verklaringen van andere getuigen of aan andere bewijsmiddelen, noch getuigenverklaringen uit te sluiten als bewijs van de schuld van een beklaagde wanneer die verklaringen niet worden gestaafd door aanvullende bewijsmiddelen.
- De appelrechter kan de schuld van een beklaagde afleiden uit enkel belastende getuigenverklaringen die zich in het strafdossier bevinden, zonder dat hij de betrokken getuigen steeds ter rechtszitting moet horen. Dat laatste is onder meer niet vereist wanneer de beklaagde daarom niet zelf heeft gevraagd, terwijl hij nochtans de geloofwaardigheid van die getuigen voor de appelrechters heeft betwist en de eerste rechter de beslissing over zijn schuld reeds op de verklaringen van die getuigen heeft gebaseerd. Evenmin moet de appelrechter in dat geval het niet-horen van die getuigen ter rechtszitting onderzoeken aan de hand van de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarvoor heeft ontwikkeld. Dat een andere beklaagde wel heeft gevraagd om die getuigen ter rechtszitting te horen als onderdeel van zijn verweer over de hem ten laste gelegde feiten, doet daaraan geen afbreuk. De beslissing over de schuld van elke beklaagde aan de respectieve hem ten laste gelegde feiten en de bewijsmiddelen waarop de strafrechter die beslissing steunt, zijn immers individueel voor elke beklaagde.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen steunen de appelrechters de beslissing over eisers schuld op de overeenstemmende verklaringen van de medebeklaagden S.V. en R.A., die de eiser I niet heeft gevraagd ter rechtszitting te horen, en plaatsen zij die verklaringen tegenover eisers verklaringen die zij leugenachtig beschouwen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest betrekt eisers verweer dat S.V. en R.A. hun belastende verklaringen hebben ingetrokken niet bij de beoordeling over de bewijswaarde van die verklaringen.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt.
- Met de redenen waarop zij de schuldigverklaring van de eiser I steunen, geven de appelrechters eensdeels te kennen dat zij geloof hechten aan de oorspronkelijke, voor de eiser I belastende verklaringen van S.V. en R.A. en bijgevolg niet aan hun gewijzigde verklaringen, waarbij zij hun oorspronkelijke verklaringen intrekken. Anderdeels weidt het arrest (p. 13-14) uit over de bedreigingen waaraan de getuigen onderhevig waren. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest eisers verweer over de ongeloofwaardigheid van de belastende verklaringen van die getuigen en moet het niet antwoorden op het in het onderdeel vermelde argument, dat de eiser I enkel heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 12, tweede lid, 14, 149 en 159 Grondwet, de artikelen 1, 2bis, § 3, b), 4 en 6, eerste lid, Drugwet, de artikelen 1, 19°, 2, 11, 26bis en 28 van het koninklijk besluit houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (hierna KB Drugs 1930), de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, en 3, alsook de bijlagen I tot V van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna KB Drugs 2017), alsmede miskenning van het algemeen legaliteitsbeginsel en de algemene rechtsbeginselen van het respect voor het recht van verdediging, de normenhiërarchie waarvan artikel 159 Grondwet een bijzondere verwoording vormt en de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale verdragsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang moet krijgen op het interne recht: door de toepassing van het KB Drugs 1930 en het KB Drugs 2017 miskent het arrest het legaliteitsbeginsel, krachtens hetwelk enkel de wet in formele en materiële zin gedragingen strafbaar kan stellen; zowel de delictsomschrijving als de straf moeten formeel wettelijk worden bepaald; bovendien moet de wet zelf met voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepalen welke feiten onder welke strafrechtelijke omschrijving strafbaar worden gesteld, zodat de burger zijn gedrag daarop kan richten; een algemene opsommingswet, zoals de Drugwet, van de door de Koning te reglementeren materies voldoet niet aan die vereisten; de wet, hier de artikelen 1 en 2bis Drugwet, kan de Koning niet machtigen om bepaalde gedragingen als strafbaar en als misdrijf te omschrijven; de feiten die de eiser II ten laste worden gelegd, zijn omschreven in het KB Drugs 1930 en het KB Drugs 2017; het arrest kon die besluiten op grond van artikel 159 Grondwet niet toepassen.
- Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een mis-drijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is zowel onder de oude als onder de nieuwe wet.
- Het arrest (p. 23-24) heromschrijft de feiten van de telastlegging A, aanvankelijk gekwalificeerd als het ondernemen van voorbereidende handelingen met het oog op onder meer de onwettige levering van een verdovende substantie in vereniging als volgt: “Het invoeren, uitvoeren of vervoeren van verdovende middelen, buiten de gevallen waarin de wet dit toelaat, meer bepaald een partij cocaïne, te Antwerpen en/of elders in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, meermaals, op niet nader te bepalen data tussen 31 januari 2017 en 9 april 2017, met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd-of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging; Stelt vast dat de feiten bedoeld onder de aldus heromschreven tenlastelegging A op het ogenblik dat ze werden gepleegd strafbaar waren bij toepassing van de artikelen 1, 2bis § 1,§ 3-b, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921 en de artikelen 1-19°, 2, 11, 26bis en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 (thans opgeheven), en dat deze feiten thans strafbaar zijn bij toepassing van de artikelen 1, 2bis §1, §3-b, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921 en de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, 3 en de bijlagen I tot V van het koninklijk besluit van 6 september 2017”.
- Die heromschrijving en de redenen die het arrest (p. 4, 9, 10, 12, 23 en 24, met inbegrip van de randnummers 2.2 tot 2.4.4 en 2.5.3) vermeldt in verband met de legaliteit van de aldus heromschreven feiten en de door de eiser II betwiste retroactieve toepassing van het KB Drugs 2017, maken duidelijk dat de appelrechters, naast de artikelen 1 en 2bis Drugwet zoals van toepassing, wel degelijk het KB Drugs 1930 toepassen op de aan de eiser II ten laste gelegde feiten en zij aan de hand van het KB Drugs 2017 enkel beoordelen of die feiten strafbaar zijn gebleven tot de datum van hun arrest. Met die redenen geven de appelrechters ook te kennen dat de aangevoerde niet-eerbiediging van het legaliteitsbeginsel door het KB Drugs 2017, behoudens voor wat betreft de handhaving van het verbod op de invoer van cocaïne, geen impact heeft op eisers vervolging en hier bijgevolg zonder belang is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 12, tweede lid, Grondwet waarborgt dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens een beslissing genomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Dit gaat evenwel niet zover dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de vervolging zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Binnen dat strikte kader kan de wet de Koning machtigen om handelingen te bepalen waarvan de overtreding strafbaar is met de straffen die de wet bepaalt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt: “Artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 bepaalt de gedragingen die strafbaar kunnen worden gesteld. Het preciseert bovendien de doelstelling van het strafbeleid. Voorts bepaalt artikel 2bis, § 1, 2 en 3 van deze wet de onderscheiden bestraffingen in geval van de overtreding van de krachtens de wet uitgevaardigde koninklijke besluiten. Tenslotte stelt deze wetsbepaling als bijkomende vereiste dat het te voeren strafbeleid enkel betrekking heeft op stoffen die afhankelijkheid kunnen teweegbrengen. Nu in de wet de doelstelling die zij nastreeft, de gedragingen en de aard van de stoffen die zij beoogt en de straffen die toepasbaar zijn, zijn gepreciseerd, zijn de essentiële bestanddelen van de strafbaarstelling vastgelegd door de wet en is hierdoor voldaan aan het legaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 12, tweede lid, 14 en 159 van de Grondwet en de door [de eiser II] aangewezen internationale rechtsnormen. Aangezien de wet van 24 februari 1921 geen enkele categorie van burgers de waarborgen van het legaliteitsbeginsel ontzegt, schendt de daarin vervatte bevoegdheidsdelegatie het legaliteitsbeginsel zoals hiervoor bedoeld, niet (vgl. GwH, 18 november 1998, nr. 114/98, B.5)”.
- De beslissing die met deze redenen oordeelt dat het legaliteitsbeginsel niet is miskend door de toepassing van de in de Drugwet bepaalde straffen op de niet-vergunde invoer van cocaïne, dit is een overtreding van het door het KB Drugs 1930 bepaalde verbod dat door het KB Drugs 2017 niet is opgeheven, is regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.a en 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 12, tweede lid, 14, 149 en 159 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1, 2bis, 4 en 6, eerste lid, Drugwet, de artikelen 1, 19°, 2, 11, 26bis en 28 KB Drugs 1930, de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, en 3, alsook de bijlagen I tot V KB Drugs 2017, alsmede miskenning van het algemeen legaliteitsbeginsel en de algemene rechtsbeginselen van het respect voor het recht van verdediging, de normenhiërarchie waarvan artikel 159 Grondwet een bijzondere verwoording vormt en de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale verdragsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang moet krijgen op het interne recht. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de herkwalificatie door het arrest van de feiten van de telastlegging A naar invoer van verdovende middelen uitsluitend gebeurt onder de bepalingen van het KB Drugs 2017, dat in werking is getreden op 26 september 2017; het KB Drugs 2017 is een strengere strafwet dan het KB Drugs 1930 en wordt ten onrechte retroactief toegepast op feiten die zouden zijn gepleegd tussen 31 januari 2017 en 9 april 2017; het arrest motiveert ook die retroactieve toepassing van het KB Drugs 2017 niet.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel van de eiser II, past het arrest op de heromschreven feiten van de telastlegging A het KB Drugs 1930 toe en onderzoekt het aan de hand van het KB Drugs 2017 de blijvende strafbaarheid van de aan de eiser II ten laste gelegde niet-vergunde invoer van cocaïne vanaf de opheffing van het KB Drugs 1930 tot aan de datum van het arrest. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest het KB Drugs 2017 op een andere wijze toepast op de feiten, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Het KB Drugs 1930 heeft voor wat betreft het verbod op de niet-vergunde invoer van cocaïne geen andere draagwijdte dan het KB Drugs
- Opdat de rechter een beklaagde kan veroordelen wegens het overtreden van een verbodsbepaling uit een opgeheven strafwet die op het moment van het feit nog van kracht was, moet hij vermelden welke de wetsbepalingen zijn die deze verbodsbepaling tot aan zijn uitspraak handhaven en ze strafbaar stellen. Voor het overige is daarvoor geen bijzondere motivering vereist.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser II oordeelt het arrest (p. 10 en 12) onder meer: - “Aldus heromschreven, waren de aldus geïncrimineerde handelingen op het ogenblik van het plegen daarvan strafbaar bij toepassing van de artikelen 1, 2bis§1, §3-b, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921, en artikel 1, 19°, 2, 11, 26bis en 28 van het koninklijk besluit van 31 december
- Vanaf 26 september 2017 en tot op heden zijn de aldus geïncrimineerde handelingen strafbaar bij toepassing van de artikelen 1, 2bis§1, §3-b, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921, en de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, 3 en de bijlagen I tot V van het koninklijk besluit van 6 september
- Tussen het van kracht worden van de voormelde onderscheiden wetsbepalingen was er geen tijdsbestek waarbinnen de geïncrimineerde handelingen niet strafbaar waren”; - “Met betrekking tot het derde onderdeel van dit middel merkt het hof (van beroep) op dat wat betreft de onder de tenlastelegging A aan [de eiser II] verweten strafbare gedraging de ten deze relevante bepalingen van het koninklijk besluit van 6 september 2017 (samen gelezen met de artikelen 2bis,§1 4 en 6 van de wet van 24 februari 1921) geen verzwaring, verruiming of verstrenging inhouden ten aanzien van de ten deze relevante bepalingen van het koninklijk besluit van 31 december 1930 (samen gelezen met de artikelen 2bis,§1 4 en 6 van de wet van 24 februari 1921). De gebeurlijke omstandigheid dat eerstgenoemd koninklijk besluit een verstrenging, verruiming of verzwaring zou inhouden met betrekking tot andere strafbare gedragingen is niet relevant voor de beoordeling van de lastens [de eiser II] ingestelde strafvordering”. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters meer specifiek op eisers verweer moesten ingaan. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser II en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet duidelijk maakt waarom het KB Drugs 2017, als strengere strafwet die pas na de feiten in werking is getreden, op de vroegere “straffeiten” kan worden toegepast en waarom en hoe het inmiddels opgeheven KB Drugs 1930, dat een ander omschreven toepassingsgebied heeft en dus slaat op de bestraffing van andere feiten, rechtsgeldig bij deze beoordeling kan worden betrokken; het arrest is vatbaar voor meerdere interpretaties aangezien het niet verduidelijkt onder welke voorwaarden het KB Drugs 1930 kan worden toegepast en of deze voorwaarden aanwezig zijn, terwijl het de intertemporele toepasbaarheid van het KB Drugs 2017 op vroegere “straffeiten” niet motiveert.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser II en het eerste onderdeel van dit middel laat het arrest toe te begrijpen welke bepalingen het toepast op de aan de eiser II verweten feiten en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel van dit middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Derde middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.a en 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest Grondrechten EU, artikel 149 Grondwet, de artikelen 65, 66, 324bis en 324ter Strafwetboek, de artikelen 163, 182, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1, 2bis, 4 en 6, eerste lid, Drugwet, de artikelen 1, 2, 11, 26bis en 28 KB Drugs 1930, de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, 3, 6, § 1, 8, 50 en 61, alsook de bijlagen I tot V KB Drugs 2017, alsmede miskenning van het algemeen legaliteitsbeginsel en de algemene rechtsbeginselen van het respect voor het recht van verdediging, de normenhiërarchie waarvan artikel 159 Grondwet een bijzondere verwoording vormt en de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale verdragsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang moet krijgen op het interne recht.
- Het middel preciseert in geen van zijn onderdelen hoe en waarom het arrest de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, schendt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest de in het beroepen vonnis en het vernietigde arrest doorgevoerde herkwalificatie van de feiten van de telastlegging A naar invoer van cocaïne herneemt, zonder evenwel aan de hand van de akte van aanhangigmaking en vertrekkend vanuit deze akte vast te stellen welke feiten het voorwerp van die akte uitmaken, die tot verdere aanvulling aanleiding gaven; bovendien beschrijft arrest “de straffeiten” onder de werking van het KB Drugs 2017, terwijl “de straffeiten” voor wat betreft zowel de delictomschrijving als de straf steeds moeten worden omschreven volgens de strafbaarstelling van toepassing op het ogenblik van de feiten; de rechter moet aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking bepalen welke feiten het voorwerp van die akte uitmaken; de gegevens van het strafdossier kunnen enkel dienen om de bewoordingen van die akte zo nodig verder uit te leggen; het arrest stelt in de akte van aanhangigmaking geen aanknopingspunt vast om tot de herkwalificatie over te gaan; het feit dat artikel 2, 18°, en bijlage I A KB Drugs 2017 “cocaïne” viseert, wat eveneens voorkomt in artikel 1, 19°, KB Drugs 1930, voldoet rechtens niet aan de regel van de wettelijke preciesheid in het licht van het legaliteitsbeginsel; het gaat daar om een verboden stof, maar niet om een in de Drugwet verboden gedraging, daaruit kan de eiser II geen inbeschuldigingstelling afleiden, zodat dit antwoord van het arrest op eisers desbetreffende middel niet kan volstaan.
- De akte van aanhangigmaking maakt bij de correctionele rechtbank niet de daarin vervatte kwalificatie aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan deze akte ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en de rechtbank, ook in hoger beroep, heeft de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging van de partijen, aan de feiten hun juiste omschrijving te geven.
- De rechter oordeelt op grond van de akte van aanhangigmaking en van de daaraan ten grondslag liggende gegevens uit het strafdossier onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 2-3) vermeldt de aanvankelijke telastlegging A (het ondernemen van voorbereidende handelingen met het oog op onder meer de levering van cocaïne, in vereniging). Het (p. 9-12) vermeldt dat de feiten van die telastlegging, in essentie bestaande in de uithaling van de ingevoerde cocaïne uit de in de haven geloste containers, dienen te worden geherkwalificeerd naar invoer van cocaïne in vereniging, alsook welke aanpassingen vereist zijn om gevolg te geven aan het vernietigingsarrest van het Hof. Verder beantwoordt het (p. 12-14) eisers in het onderdeel hernomen verweer en oordeelt het met die redenen dat de eiser II op grond van de hem beschikbare informatie die het nader bepaalt, niet onwetend kon zijn over hetgeen hem precies wordt verweten.
- Op grond van die redenen, samen met deze vermeld in het antwoord op het eerste en tweede middel van de eiser II, kan het arrest wettig oordelen dat ingevolge de herkwalificatie van de telastlegging A geen verdrags-, grondwets- of wetsbepaling is geschonden noch enig algemeen rechtsbeginsel is miskend. Met die redenen, die het arrest niet nader diende toe te lichten, is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser II en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte de telastlegging A herkwalificeert zonder dat de eiser II werd uitgenodigd zich ook te verdedigen op het inmiddels opgeheven KB Drugs 1930; het arrest maakt niet duidelijk onder welke materiële voorwaarden deze herkwalificatie ook de toepassing van het KB Drugs 1930 op het oog heeft; de eiser II werd onvoldoende ingelicht welke materiële strafbaarstelling van toepassing was op het ogenblik van de feiten aangezien de herkwalificatie gebeurt onder het KB van 6 september 2017 en onder het KB van 31 december
- De rechter mag een beklaagde slechts schuldig verklaren aan een feit waarvan hij de omschrijving, zoals dit feit bij hem is aanhangig gemaakt, heeft gewijzigd, indien die beklaagde de gelegenheid had zich daarover te verdedigen.
- Het recht van verdediging vereist evenwel niet dat het de rechter is die de beklaagde uitdrukkelijk uitnodigt zich te verweren betreffende een heromschrijving. Indien de heromschrijving in het debat was ingevolge het verloop van het strafproces en de beklaagde wist dat een heromschrijving tot de mogelijkheden behoorde en hij zich ter zake ook kon verdedigen, is een uitdrukkelijke verwittiging niet vereist. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser II kon op grond van het vernietigingsarrest van het Hof weten dat op de hem ten laste gelegde feiten het KB Drugs 1930 van toepassing kon zijn en kon zich derhalve op de toepassing van dat besluit verdedigen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser II en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 172,21 euro, waarvan de eiser I 86,10 euro is verschuldigd en de eiser II 86,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221005.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231011.2F.15 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100504.10 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180515.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210623.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div