id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MINNELIJKE SCHIKKING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut en de raadzaamheid van het verzoek van een partij tot het laten voegen van stukken bij het strafdossier; de rechter neemt hierbij in aanmerking of die partij aannemelijk maakt dat die voeging noodzakelijk is voor het recht van verdediging
(1).
(1)Cass. 15 september 2015, AR P.15.0583.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.5, AC 2015, nr. 515; Cass. 1 april 2014, AR P.13.1957.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4, AC 2014, nr. 255; Cass. 27 april 1999, AR P.97.0860.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8, AC 1999, nr. 241. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Fiches 5 - 11 Een beklaagde kan op grond van zijn recht van verdediging niet zonder meer aanspraak maken op de voeging bij het strafdossier van documenten die verband houden met een minnelijke schikking die is overeengekomen tussen het openbaar ministerie en een aanvankelijke mede-inverdenkinggestelde of met een overeenkomst tot schadevergoeding die is overeengekomen tussen deze inverdenkinggestelde en een slachtoffer; de beklaagde moet daarentegen aan de hand van concrete gegevens aannemelijk maken dat de inzage van die documenten hem tot nut strekt doordat zij voor hem gegevens à décharge bevatten of van aard zijn de door hem te betalen schadevergoeding te verminderen; de rechter oordeelt onaantastbaar of het recht van verdediging van de beklaagde het voegen van de bijkomende stukken, met inbegrip van de vermelde documenten, vereist; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MINNELIJKE SCHIKKING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DADING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 216bis
, § 2, elfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2023, nr. 3, p. 161-
- - CLAES, Ana Laura; Noot'Top secret? Over de positie van (mede)daders en medeplichtigen t.a.v. een minnelijke schikking' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0350.N I
- R. G. F. M. M., beklaagde,
- A. M. E. S., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Kelly Van Elslande, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Hertjen 152 bus 1, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- Jacques BRUNEEL, met kantoor te 2000 Antwerpen, Bredestraat 4, en Peter VERSTRAETEN, met kantoor te 2018 Antwerpen, Desguinlei 214, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MJJ INVESTMENTS nv,
- Anne-Marie HAAREN, met kantoor te 2550 Kontich, Peter Benoitlaan 18, en Kjell SWARTELE, met kantoor te 2018 Antwerpen, Anselmostraat 2, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MEMPHIS HOTEL BRUSSELS nv,
- Luc DE PRÊTRE, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160 bus 2, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van BRUVERD nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van MERKAN nv,
- Jacques BRUNEEL, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van VALLÉE DU HAIN nv,
- Jan Lodewijk MERTENS, met kantoor te 2900 Schoten, Alice Nahonlei 74, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BAKUFIN-B nv,
- Jean HENDRICKX, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 24, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van OFFICE PARK LASNE nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van IMMO-MED. ANW nv,
- Tom HERMANS, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI INVESTMENTS II bv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI HOLDING bv,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, gewestelijk directeur van het Regionaal invorderingscentrum Antwerpen 1, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 9, burgerlijke partijen, verweerders, de verweerders 2, 3, 4 en 11 vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar deze verweerders woonplaats kiezen. II P. C. D. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- Jacques BRUNEEL, reeds vermeld, en Peter VERSTRAETEN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MJJ INVESTMENTS nv,
- Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, en Kjell SWARTELE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MEMPHIS HOTEL BRUSSELS nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van BRUVERD nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van MERKAN nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van IMMO-MED. ANW nv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI INVESTMENTS II bv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI HOLDING bv,
- BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders, III J. B. S., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- Jacques BRUNEEL, reeds vermeld, en Peter VERSTRAETEN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MJJ INVESTMENTS nv,
- Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, en Kjell SWARTELE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MEMPHIS HOTEL BRUSSELS nv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI INVESTMENTS II bv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI HOLDING bv,
- BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. IV-V W. R. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sara Melis, advocaat bij de balie Brussel, tegen
- Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, en Kjell SWARTELE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MEMPHIS HOTEL BRUSSELS nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van IMMO-MED. ANW nv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI INVESTMENTS II bv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI HOLDING bv,
- BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. VI B. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Hysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- Jacques BRUNEEL, reeds vermeld, en Peter VERSTRAETEN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MJJ INVESTMENTS nv,
- Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, en Kjell SWARTELE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van MEMPHIS HOTEL BRUSSELS nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van BRUVERD nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van vereffenaars van MERKAN nv,
- Luc DE PRÊTRE, reeds vermeld, en Anne-Marie HAAREN, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van IMMO-MED. ANW nv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI INVESTMENTS II bv,
- Tom HERMANS, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MODRI HOLDING bv,
- BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 februari
- De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. De eisers III, IV-V en VI voeren geen middel aan. De eiser IV-V doet afstand van het cassatieberoep IV. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen beslissingen van het arrest tot vervallenverklaring van de strafvordering, vrijspraak of verwerping van burgerlijke rechtsvorderingen, zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het arrest is bij verstek gewezen ten aanzien van de verweerders I.1, I.5 en I.6, II.1, III.1 en VI.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het arrest aan die verweerders is betekend en bijgevolg niet dat de cassatieberoepen I, II, III en VI zijn ingesteld binnen de in artikel 424 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn. In zoverre ook gericht tegen die verweerders, zijn de cassatieberoepen I, II, III en VI voor het overige niet ontvankelijk.
- De eiser II heeft het exploot van de betekening van zijn cassatieberoep aan de verweerders II.2, II.3, II.4, II.6 en II.8 ter griffie van het Hof neergelegd op 4 mei 2022, dit is buiten de termijn bepaald in artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van die verweerders, is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II
- De memorie van de eiser II, die is neergelegd op 29 april 2022 en bijgevolg buiten de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: artikel 216bis, § 1, vijfde lid, en § 2, achtste en elfde lid, Wetboek van Strafvordering miskent de als geschonden aangewezen bepalingen, zowel op zichzelf genomen als gelet op de wijze waarop die bepalingen hier zijn toegepast en waarbij het arrest oordeelt dat het recht van verdediging niet is miskend; de procureur des Konings heeft niet aan de eisers I, maar enkel aan de financieel sterke partijen de kans op een minnelijke schikking geboden; de eisers I kunnen geen kennis nemen van de inhoud van de bekrachtigde minnelijke schikkingen, wat nochtans essentieel is voor hun recht van verdediging; de schijn bestaat dat de aan de eisers I verweten feiten zwaarder zijn dan wanneer deze het voorwerp zouden uitmaken van een tegensprekelijk debat met de partijen die de strafvervolging hebben afgekocht; ook is niet geweten welke schadevergoeding die laatste partijen hebben betaald aan de schadelijders waarmee overeenkomsten zijn gesloten; bijgevolg weten de eisers I niet waartoe zij nog kunnen worden veroordeeld om geen dubbele schadevergoeding te moeten betalen; ook de appelrechters kunnen zich daarover niet uitspreken bij gebrek aan gegevens; de appelrechters weigeren stukken van de kantoren V. & K. en B.-V. toe te voegen die belangrijke informatie zouden bevatten over de totstandkoming van de overeenkomsten van 23 maart
- Het arrest stelt niet vast dat enkel aan de financieel sterke partijen de gelegenheid is geboden om over te gaan tot een minnelijke schikking. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Uit het arrest nr. 83/2016 van het Grondwettelijk Hof van 2 juni 2016 blijkt voor wat betreft minnelijke schikkingen voorgesteld of aanvaard na het aanhangig maken van de strafvordering het volgende: - uit het enkele gegeven dat de wetgever het openbaar ministerie de bevoegdheid verleent om binnen de perken van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering te bepalen in welke individuele gevallen het een minnelijke schikking kan voorstellen of aanvaarden, kan op zich niet worden afgeleid dat hij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou hebben miskend of het openbaar ministerie zou hebben gemachtigd om op willekeurige wijze minnelijke schikkingen te sluiten (B.8.3); - in zoverre het openbaar ministerie binnen het kader van zijn beleid inzake de opsporing en de vervolging bedoeld in artikel 151, § 1, Grondwet, over de discretionaire bevoegdheid beschikt om al dan niet een voorstel tot minnelijke schikking te doen of om al dan niet op een voorstel daartoe van de inverdenkinggestelde in te gaan, zonder dat die het recht heeft ze af te dwingen, wordt geen afbreuk gedaan aan het in artikel 12, tweede lid, in fine, Grondwet gestelde vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging en is het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen rechtsonderhorigen niet zonder redelijke verantwoording (B.17.2); - een inverdenkinggestelde beschikt niet over het recht om een minnelijke schikking af te dwingen. Het feit dat, wanneer het openbaar ministerie weigert in te gaan op diens voorstel daartoe, het niet verplicht is voor die houding verantwoording af te leggen, noch die weigering aan het oordeel van een rechter voor te leggen, doet geen afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter gewaarborgd bij artikel 13 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM. Immers, bij ontstentenis van een minnelijke schikking wordt de strafvordering voortgezet en wordt de zaak behandeld door de bevoegde rechter (B.21). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 216bis, § 2, elfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In overeenstemming met paragraaf 1 vervalt de strafvordering tegen de dader die de door de procureur des Konings voorgestelde minnelijke schikking, nadat deze door de bevoegde rechter werd bekrachtigd, heeft aanvaard en nageleefd. De minnelijke schikking doet evenwel geen afbreuk aan de strafvordering tegen de overige daders, mededaders of medeplichtigen, noch aan de vorderingen van de slachtoffers tegen hen. De wegens hetzelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding en, onverminderd artikel 50, derde lid, van het Strafwetboek, tot betaling van de gerechtskosten, ook al heeft de dader die een minnelijke schikking heeft aanvaard, hieraan reeds voldaan.” Uit die bepaling volgt niet dat het bestaan van een minnelijke schikking die de strafvordering ten aanzien van een aanvankelijke inverdenkinggestelde heeft doen vervallen, een negatieve impact heeft op het recht van verdediging van een andere inverdenkinggestelde tegen wie de strafvordering verder wordt uitgeoefend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut en de raadzaamheid van het verzoek van een partij tot het laten voegen van stukken bij het strafdossier. De rechter neemt hierbij in aanmerking of die partij aannemelijk maakt dat die voeging noodzakelijk is voor het recht van verdediging.
- Een beklaagde kan op grond van zijn recht van verdediging niet zonder meer aanspraak maken op de voeging bij het strafdossier van documenten die verband houden met een minnelijke schikking die is overeengekomen tussen het openbaar ministerie en een aanvankelijke mede-inverdenkinggestelde of met een overeenkomst tot schadevergoeding die is overeengekomen tussen deze inverdenkinggestelde en een slachtoffer. De beklaagde moet daarentegen aan de hand van concrete gegevens aannemelijk maken dat de inzage van die documenten hem tot nut strekt doordat zij voor hem gegevens à décharge bevatten of van aard zijn de door hem te betalen schadevergoeding te verminderen. De rechter oordeelt onaantastbaar of het recht van verdediging van de beklaagde het voegen van de bijkomende stukken, met inbegrip van de vermelde documenten, vereist. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Voor wat betreft de strafvordering oordeelt het arrest (p. 84-87) als volgt: - het gegeven dat met enkele van de oorspronkelijke inverdenkinggestelden een akkoord bij toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering werd gesloten, leidt geenszins tot enige miskenning van het recht van verdediging van enige van de huidige beklaagden; - het kan noch aan het openbaar ministerie, noch aan de betrokken partijen in kwestie (inverdenkinggestelden en burgerlijke partijen) worden verweten dat zij gebruik hebben gemaakt van de wettelijke regeling om een minnelijke schikking te sluiten in het kader van de strafvordering; - artikel 216bis, § 2, elfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt ook uitdrukkelijk dat de minnelijke schikking met een aantal mede-inverdenkinggestelden geen afbreuk doet aan de strafvordering tegen de overige daders, mededaders of medeplichtigen, noch aan de vorderingen van de slachtoffers tegen hen; - het gegeven dat de voormelde partijen thans niet meer als beklaagden betrokken zijn in deze procedure neemt niet weg dat hun eventuele rol in de aan de huidige beklaagden ten laste gelegde feiten wel degelijk grondig werd onderzocht tijdens het onderzoek. Deze partijen zijn pas “verdwenen” na de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. De resultaten van de onderzoeksdaden met betrekking tot hun rol bevinden zich nog steeds in het strafdossier (inclusief verhoren van de betrokkenen, stukken die bij huiszoekingen werden aangetroffen en in beslag genomen, enz.). De rol en het aandeel van deze par¬tijen blijkt ook duidelijk uit het strafdossier; - dat niet is geweten hoeveel de desbetreffende partijen eventueel zouden hebben betaald aan de burgerlijke partijen is zonder belang voor de strafvervolging. In hoeverre dit eventueel van belang kan zijn voor wat betreft de (omvang van de) schadevergoeding waarop de verweerders desgevallend ten aanzien van één of meerdere van de huidige beklaagden aanspraak kunnen maken, wordt verder onderzocht bij de beoordeling van de burgerlijke rechtsvorderingen; - er is geen sprake van enige miskenning van het recht van verdediging van één of meerdere van de beklaagden; - ten overvloede, alle beklaagden hebben gedurende het vooronderzoek en de behandeling voor de vonnisrechters al hun rechten kunnen laten gelden.
- Voor wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen oordeelt het arrest (p. 153-155) als volgt: - het feit dat bepaalde aanvankelijke inverdenkinggestelden en bepaalde verweerders minnelijke regelingen hebben gesloten, maakt de burgerlijke rechtsvorderingen van die verweerders tegen de overige inverdenkinggestelden, thans beklaagden, niet onontvankelijk, maar kan wel van invloed zijn op de omvang van de schadevergoeding waarop die verweerders nog recht hebben ten aanzien van de beklaagden; - de verweerders die zich hadden gesteld tegen beklaagden waarmee een minnelijke schikking werd getroffen, hebben overigens bevestigd vergoed te zijn voor het aandeel van de door deze beklaagden ten aanzien van hen toegebrachte schade. Deze bewoordingen maken duidelijk dat de verweerders in kwestie zich door de akkoorden niet voor het geheel van hun voorgehouden schade vergoed zagen, maar enkel voor het aandeel van de inverdenkinggestelden waarmee een akkoord was gesloten; - concreet werden er minnelijke schikkingen gesloten met vijf inverdenkinggestelden. De vervolgingen van deze inverdenkinggestelden hadden betrekking op de telastleggingen A, B.I.a, B.I.b, B.II, B.III, B.IV, B.V.a tot en met B.V.d, B.VI, C.I.a tot en met C.1.c, C.II.a tot en met C.II.c, C.III.a, C.III.b, D.I.a, D.I.b, E.a tot en met E.I, F.I, F.II en G; - in zoverre burgerlijke rechtsvorderingen gesteund zijn op deze telastleggingen, dient rekening te worden gehouden met de vergoedingen die de verweerders eventueel hebben ontvangen. De omvang van deze vergoedingen is echter niet gekend; - de vervolgingen van de vermelde inverdenkinggestelden had geen betrekking op de telastleggingen B.VII, B.VIII, B.IX., B.X.a tot en met B.X.c, B.Xl.a.1 tot en met B.XI.a.4, B.XI.b, B.XII.a tot en met B.XII.c., B.XIII.a en B.XIII.b (waarvoor evenwel wordt vrijgesproken), D.II.a tot en met D.II.i, D.III, D.IV, D.V.a tot en met D.V.n, D.VI, D.VII.a en D.VII.b. Voor schade geleden ingevolge deze feiten kan nog steeds volledige schadevergoeding worden gevraagd; - de akkoorden zijn ook zonder gevolg voor de verweerders die niet erbij betrokken waren. Concreet werden er akkoorden gesloten door de verweerders I.2, I.3, I.4, I.8 en I.11; - alleszins staat het ook vast dat alle verweerders, inclusief diegene die reeds een akkoord hebben gesloten, schade hebben geleden door de inspanningen die zij hebben moeten leveren met betrekking tot het klaarmaken en opvolgen van de dossiers ten aanzien van de huidige beklaagden, zijnde schade die niet werd vergoed in het kader van de akkoorden.
- Het arrest (p. 156-160, 160-163, 170-172 en 178-180): - veroordeelt de eisers I tot een schadevergoeding van een euro provisioneel aan de verweerders I.2, I.3 en I.
- Het voegt eraan toe dat de verweerder I.11 wel andere schade kan vorderen dan deze die hij op grond van de belastingwetge¬ving kan vorderen en dat het daarbij in deze zaak onder meer gaat om de inspanning die de administratie diende te doen om de dossiers voor aangifte klaar te maken en verder op te volgen, alsook de opvolging van de strafprocedure; - veroordeelt de eisers I tot een schadevergoeding van 2.001,00 euro provisioneel aan de verweerders I.4 op grond van de telastleggingen B.VIII en D.II, waarvan het voorheen heeft vastgesteld dat zij geen deel uitmaken van de overeenkomsten tot schadevergoeding tussen de aanvankelijke inverdenkinggestelden en de verweerders I.4; - oordeelt dat het telkens schade betreft waarvan kan worden vastgesteld dat deze niet werd vergoed ingevolge de gesloten akkoorden; - verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I.8 ongegrond.
- Uit die redenen blijkt dat het arrest de eisers I niet veroordeelt tot schadevergoeding aan de verweerders I.2, I.3, I.4, I.8 en I.11 die kan begrepen zijn in de overeenkomsten gesloten ter gelegenheid van de minnelijke schikkingen en die tegelijk geen betrekking kan hebben op de schade van deze verweerders ingevolge de administratieve overlast veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor wat betreft de stukken van de kantoren V. & K. en B.-V. oordeelt het arrest (p. 88) als volgt: - “[De eisers I] maken geenszins aannemelijk dat hun rechten van verdediging ook maar enigszins zouden geschonden zijn door het ontbreken van welke stukken dan ook. Zij verduidelijken ook niet om welke concrete stukken het dan wel zou kunnen gaan. [De eisers I] hebben zelf alle stukken kunnen voorleggen die zij wilden voorleggen. [De eisers I] hebben nooit enig verzoek tot bijkomend onderzoek ingediend. Nochtans zijn zij al lang op de hoogte van de inhoud van het strafdossier, waarin vooral [de eiser I.1] al in een vroeg stadium inzage kreeg ([de eiser I.1] en zijn advocaat kregen inzage in het strafdossier naar aanleiding van de verschijning voor de raadkamer - in het kader van zijn voorlopige hechtenis - op 12.12.2005; [de eiser I.1] kreeg ook, ingevolge zijn verzoek hiertoe, bij beschikking van de onderzoeksrechter van 17.04.2008 opnieuw inzage in het strafdossier). Ook thans wordt er door [de eisers I] geen bijkomend onderzoek gevraagd. Het thans voorliggende strafdossier bevat voldoende gegevens om het hof [van beroep] in staat te stellen om zich een oordeel te vormen omtrent het tot stand komen van de overeenkomsten van 23.03.2001, omtrent het al dan niet legitiem karakter ervan, omtrent de rol van [de eisers I] hierbij alsook deze van andere betrokkenen. Van enige schending van de rechten van verdediging is er geen sprake.” - ten overvloede, alle beklaagden hebben gedurende het vooronderzoek en de behandeling voor de vonnisrechters al hun rechten kunnen laten gelden. Op grond van die redenen kan het arrest eveneens wettig oordelen dat het recht van verdediging van de eisers I niet is miskend doordat de door hen gevraagde stukken niet bij het strafdossier zijn gevoegd. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 21 tot en met 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, artikel 450 WIB92 en artikel 2262bis oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het motiveringsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering ten aanzien van de eisers I pas is aangevangen op 11 juni 2014, dit is de datum van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, terwijl de eisers I hebben aangevoerd dat de verjaring reeds was ingetreden op 6 februari 2011, minstens op 10 oktober 2014, dit is vóór de verwijzingsbeschikking; op grond van de feiten die het vaststelt, oordeelt het arrest niet wettig dat het gebruik door de eisers I van de van valsheid betichte stukken nog heeft voortgeduurd tot na de door de eisers I vermelde data omdat die stukken alsdan nog steeds het nuttige voordeel hadden dat de eisers I ervan verwachtten.
- Met de redenen die het arrest (p. 67-71) bevat, in het bijzonder dat het gebruik van valse stukken dat aan de eisers I ten laste is gelegd onder de globaal vermengde telastleggingen F.I en F.II (valsheden WIB92 en gebruik), steeds nuttige uitwerking is blijven houden, minstens tot de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 11 juni 2014, aangezien de verschuldigde belastingen tot op heden nog niet zijn betaald, verwerpt en beantwoordt het eisers’ verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep IV. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 958,66 euro, waarvan de eisers I, de eiser II en de eiser III elk 152,81 euro zijn verschuldigd, de eiser IV-V 347,41 euro is verschuldigd en de eiser VI 152,82 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div