← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 6 - 8 Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, §§ 1 en 4, Voorlopige Hechteniswet dient het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde; het moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid; daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak

(1); de loutere omstandigheid evenwel dat de motivering van eerdere beslissingen wordt overgenomen en dat er, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, in de nieuwe handhavingstitel geen melding wordt gemaakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent als zodanig echter niet noodzakelijk dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis
(2).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312 met concl. OM; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18, AC 2021, nr. 236; Cass. 2 december 2020, AR P.20.1153.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6, AC 2020, nr. 742, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24, AC 2020, nr. 463; Cass. 16 april 2019, AR P.19.0343.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1, AC 2019, nr. 234; Cass. 15 januari 2015, AR P.15.0025.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8, AC 2015, nr. 35; Cass. 22 december 2010, AR P.10.1918.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13, AC 2010, nr. 765; Cass. 2 maart 2004, AR P.04.01265.F, AC 2004, nr. 114; EHRM 9 februari 2021, Zohlandt t. Nederland en EHRM 9 februari 2021, Maassen t. Nederland, www.echr.coe.int; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 536-538; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1180.
(2)Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24, AC 2020, nr. 463; Cass. 6 maart 2018, AR P.18.0220.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9, AC 2018, nr. 155. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 11 Geen enkele wettelijke bepaling verplicht het onderzoeksgerecht voor de vaststelling van ernstige aanwijzingen van schuld lastens een inverdenkinggestelde de in de vordering van het openbaar ministerie aangedragen aanwijzingen over te nemen; evenmin is het onderzoeksgerecht verplicht te motiveren waarom het die aanwijzingen niet geheel of gedeeltelijk overneemt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, 21, 22, tweede en derde lid, en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, 21, 22, tweede en derde lid, en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, 21, 22, tweede en derde lid, en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 12 - 14 Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het onderzoeksgerecht inzake voorlopige hechtenis moet antwoorden op de conclusies van de partijen; rekening houdend met de korte termijn waarbinnen in deze materie moet worden beslist, moet het onderzoeksgerecht het in de conclusies gevoerde verweer niet tot in de bijzonderheden beantwoorden; uit dezelfde bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet volgt dat indien in conclusies partijen het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten onder de vermelding van feitelijke gegevens, het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, moet preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen opleveren; aldus beantwoordt het onderzoeksgerecht dit verweer zonder dat het moet antwoorden op een aangevoerde betwisting over gegevens die het niet als ernstige aanwijzingen van schuld aanneemt
(1).
(1)Cass. 25 januari 2022, AR P.22.0074.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.14, AC 2022, nr. 66, T. Strafr. 2022, 111; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4, AC 2021, nr. 832; Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1321.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.13, AC 2021, nr. 6; Cass. 17 juli 2019, AR P.19.0732.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4, AC 2019, nr. 421; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 15 - 17 Uit artikel 5.
  2. EVRM, dat beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld
(1); of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis; die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak; de duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van de handhavingsbeslissing, daar gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen
(2).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312 met concl. OM,; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4, AC 2021, nr. 832; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18, AC 2021, nr. 236; Cass. 30 maart 2021, P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18, AC 2021, nr. 236; Cass. 11 februari 2020, AR P.20.0126.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13, AC 2020, nr. 121; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 1219-1220.
(2)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312 met concl. OM; Cass. 8 maart 2022, AR P.22.0274.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16, AC 2022, nr. 175; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 236; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0980.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 633; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24, AC 2020, nr. 463; Cass. 16 april 2019, AR P.19.0343.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1, AC 2019, nr. 234; Cass. 15 januari 2015, AR P.15.0025.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8, AC 2015, nr. 35; Cass. 12 augustus 2008, AR P.08.1265.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6, AC 2008, nr. 434; EHRM 9 februari 2021, Zohlandt t. Nederland en EHRM 9 februari 2021, Maassen t. Nederland, www.echr.coe.int; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1180-1181. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 18 - 19 Uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde zelf niet of sedert geruime tijd niet meer werd verhoord, volgt niet noodzakelijk dat zijn voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is

(1).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312 met concl. OM; Cass. 19 januari 2021, AR P.21.0033.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10, AC 2021, nr. 40. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 20 - 21 Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking

(1); bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter evenwel niet uitdrukkelijk het toetsen aan al die criteria vermelden; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet op korte termijn beslissen, wat maakt dat het niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde moet antwoorden
(2).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, 312 met concl. OM; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4, AC 2021, nr. 832; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2015, 136.
(2)Cass. 27 november 2019, AR P.19.1134.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191127.2F.9, AC 2019, nr. 630, T. Strafr. 2021, 131; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273 en nota OM; Cass. 1 augustus 2018, AR P.18.0855.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180801.1, AC 2018, nr. 437; Cass. 27 mei 2014, AR P.14.0847.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.5, AC 2014, nr. 383 ; Cass. 20 mei 2014, AR P.14.0803.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.7, AC 2014, nr. 363; Cass. 2 januari 2013, AR P.12.2052.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130102.3, AC 2013, nr. 2. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0760.N L. C. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en de artikelen 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale conventionele norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang krijgt op het interne recht, de proportionaliteit en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat “de ernstige aanwijzingen van schuld, zoals weerhouden in het bevel tot aanhouding, nog steeds actueel zijn en niet werden ontkracht door het verdere onderzoek. Deze ernstige aanwijzingen van schuld zijn niet gebaseerd op de gegevens uit het Sky/ECC (of EncroChat)-dossier zoals blijkt uit de lezing van het bevel tot aanhouding. De informatie uit het Sky/ECC-dossier is pas op een later tijdstip in het dossier gekomen, na het afleveren van het bevel tot aanhouding. In zover deze informatie de ernstige aanwijzingen van schuld, die hier los van staan, bevestigen, is dit gegeven volstrekt ondergeschikt en niet doorslaggevend voor de verdere handhaving van de voorlopige hechtenis. De regelmatigheid van de resultaten uit het Sky/ECC-dossier, die in conclusie betwist worden, is dan ook niet relevant in het kader van de huidige beoordeling van de voorlopige hechtenis. In zover behoeft de neergelegde conclusie op dit vlak geen verder antwoord”; uit de vordering van de federale procureur blijkt nochtans duidelijk dat hij zich voor de vaststelling van de ernstige aanwijzingen van schuld exclusief zoniet hoofdzakelijk wél beroept op de EncroChat en Sky/ECC-gegevens; daarenboven kan het arrest die vaststelling niet blijven steunen op het bevel tot aanhouding dat reeds dateert van 28 september 2020; het onderzoeksgerecht moet steeds de geactualiseerde toestand van het dossier in acht nemen, dit is met inbegrip van de ondertussen verkregen EncroChat en Sky/ECC-gegevens; door integendeel te oordelen als voormeld en verder louter te verwijzen naar de motivering in een vorige beslissing en geen bijkomende motieven aan te geven noch te antwoorden op de desbetreffende verweermiddelen in eisers appelconclusie, ontzeggen de appelrechters aan de eiser het recht op een effectief rechtsmiddel van toegang tot de rechter.
  3. In zoverre gericht tegen de vordering van de federale procureur en dus niet tegen het arrest, is het middel niet ontvankelijk.
  4. De onderzoeksgerechten beoordelen onaantastbaar de bewijswaarde van de gegevens tot vaststelling van de ernstige aanwijzingen van schuld. In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.
  5. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  6. Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet dient het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde. Het moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak. De loutere omstandigheid evenwel dat de motivering van eerdere beslissingen wordt overgenomen en dat er, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, in de nieuwe handhavingstitel geen melding wordt gemaakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent als zodanig echter niet noodzakelijk dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
  7. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht het onderzoeksgerecht voor de vaststelling van ernstige aanwijzingen van schuld lastens een inverdenkinggestelde de in de vordering van het openbaar ministerie aangedragen aanwijzingen over te nemen. Evenmin is het onderzoeksgerecht verplicht te motiveren waarom het die aanwijzingen niet geheel of gedeeltelijk overneemt.
  8. Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het onderzoeksgerecht inzake voorlopige hechtenis moet antwoorden op de conclusies van de partijen. Rekening houdend met de korte termijn waarbinnen in deze materie moet worden beslist, moet het onderzoeksgerecht het in de conclusies gevoerde verweer niet tot in de bijzonderheden beantwoorden.
  9. Uit dezelfde bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet volgt dat indien in conclusies partijen het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten onder de vermelding van feitelijke gegevens, het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, moet preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen opleveren. Aldus beantwoordt het onderzoeksgerecht dit verweer zonder dat het moet antwoorden op een aangevoerde betwisting over gegevens die het niet als ernstige aanwijzingen van schuld aanneemt.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Met de redenen die het arrest vermeldt en die het middel aanhaalt, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. Met die redenen oordeelt het arrest ook dat er zonder de EncroChat en Sky/ECC-gegevens voldoende ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan die de verdere aanhouding van de eiser rechtvaardigen, namelijk de ernstige aanwijzingen van schuld zoals aangenomen in het bevel tot aanhouding die niet werden ontkracht door het verdere gerechtelijk onderzoek en nog actueel zijn. Het middel bekritiseert die overige redenen, die de betwiste beslissing schragen, niet. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en de artikelen 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale conventionele norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang krijgt op het interne recht, de proportionaliteit en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn van eisers voorlopige hechtenis niet is overschreden; hij is reeds twintig maanden aangehouden en werd de laatste maanden nooit ondervraagd; de redelijke termijn is daardoor als dusdanig reeds overschreden en de eiser dient bijgevolg in vrijheid te worden gesteld; bovendien hebben de vorige beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling en het openbaar ministerie de resultaten van het Sky/ECC-onderzoek net ingeroepen om eisers voorlopige hechtenis te verlengen; bijgevolg dient het arrest ook bij de beoordeling van de redelijke termijn de wetmatigheid van die gegevens te controleren en de invloed ervan op de noodzaak van eisers aanhouding na te gaan.
  14. Het middel preciseert niet waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt of het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  15. In zoverre het middel is gericht tegen de vordering van de federale procureur en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  16. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of het verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  17. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen.
  18. Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden, het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
  19. Uit die verdragsbepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
  20. Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak.
  21. De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van de handhavingsbeslissing, daar gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen.
  22. Uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde zelf niet of sedert geruime tijd niet meer werd verhoord, volgt niet noodzakelijk dat zijn voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is.
  23. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter evenwel niet uitdrukkelijk het toetsen aan al die criteria vermelden.
  24. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet op korte termijn beslissen, wat maakt dat het niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde moet antwoorden.
  25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  26. In zijn appelconclusie (p. 12) heeft de eiser verzocht om zijn voorlopige hechtenis op te heffen omdat de onvolledigheid en de onwettigheid van de Sky/ECC-gegevens ook doorwerken op de beoordeling van de redelijke termijn van zijn voorlopige hechtenis. Hij heeft ook verwezen naar de afwezigheid van collusie- en vluchtgevaar. De eiser heeft evenwel geen specifiek verweer gevoerd over de redelijke termijn van zijn voorlopige hechtenis in verhouding tot de complexiteit van de zaak, zijn houding en het recidivegevaar.
  27. De appelrechters weigeren in te gaan op eisers verzoek om zijn invrijheidstelling te bevelen op grond van het geheel van de volgende redenen die deels werden overgenomen uit hun vorige handhavingsbeslissing van 21 april 2022: - het onderzoek kent een normaal verloop, rekening houdend met de omvang van de onderzochte feiten en het kennelijk internationale en georganiseerde karakter van de feiten; - de onderzoekshandelingen volgen elkaar regelmatig op en de processen-verbaal van die handelingen worden neergelegd in een grootschalig dossier naar een internationale organisatie die inbreuken zou plegen op de drugwetgeving en dit tot op de datum van het arrest; - de regie en de timing van de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen met betrekking tot de eiser blijven in handen van de onderzoeksrechter en er is in het onderzoek nog geen enkele stilstand geweest, ook niet naar de persoon van de eiser; - in zoverre de gegevens uit het Sky/ECC-onderzoek, die op een later tijdstip in het dossier zijn gekomen, de ernstige aanwijzingen van schuld, die er los van staan, bevestigen, zijn deze volstrekt ondergeschikt en niet doorslaggevend voor de verdere handhaving van eisers hechtenis; - de huidige duur van de voorlopige hechtenis is nog steeds verantwoord; - dat de eiser de laatste maanden geen enkel keer werd ondervraagd, is niet van aard om enige afbreuk te doen aan die overweging en heeft niet tot gevolg dat ten aanzien van hem geen geactualiseerde, precieze en gepersonaliseerde analyse van de bezwaren in de afgelopen periode is gebeurd; - na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de bestanddelen van de zaak wordt besloten dat de voorlopige hechtenis nog steeds verder is vereist voor de openbare veiligheid en om het nog steeds actuele collusie-, recidive- en onttrekkingsgevaar te neutraliseren; - het collusiegevaar is nog uiterst actueel nu niet kan worden uitgesloten dat afspraken worden gemaakt over de inhoud van nog af te leggen verklaringen of dat contacten worden gelegd om verklaringen te wijzigen of in te trekken; - er bestaat tevens een gevaar voor het laten verdwijnen van eventueel nog niet gekend bewijsmateriaal gelet op de omvang van de feiten in binnen- en buitenland en het groot aantal mogelijke betrokkenen; - er bestaat een groot gevaar op recidive aangezien de eiser reeds meermaals is veroordeeld wegens inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen; - de ten laste gelegde feiten hebben een lucratief karakter, wat doet vrezen voor recidive; - het gevaar op onttrekking blijft bestaan omdat de eiser enerzijds van vreemde nationaliteit is, anderzijds gelet op het internationale karakter van de feiten, alsook de ernst en de omvang van de bij wet gestelde straffen bij een eventuele schuldigverklaring; - de eiser lijkt zich te bevinden in een crimineel milieu; - deze gevaren blijken uit de contacten die de eiser zelfs in een toestand van detentie in een gevangenisinstelling met de buitenwereld heeft gelegd.
  28. Daaruit volgt dat het appelgerecht de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis effectief en concreet onderzoekt op grond van een geactualiseerd nazicht van de voortgang van het onderzoek en de gevaren voor recidive, collusie en onttrekking. Op grond van die redenen, waarmee het arrest ook eisers verweer beantwoordt, kan het wettig beslissen tot de handhaving van eisers voorlopige hechtenis, verder uit te voeren in de gevangenis. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130102.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180801.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191127.2F.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210714.VAK.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.32 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.