← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.5 Rolnummer: P.22.0599.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-06-20 Raadplegingen: 1145 - laatst gezien 2026-06-18 13:37 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat het hoger beroep ongegrond verklaart tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeksrechter over een verzoek tot bijkomende onderzoeksdaden is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; het is ook geen beslissing inzake bevoegdheid in de zin van artikel 420, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering; er is immers slechts een geschil inzake bevoegdheid in de zin van de vermelde bepaling, wanneer de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent dan wel zich onbevoegd verklaart, waardoor een geschil over rechtsmacht ontstaat dat de rechtsgang belemmert en waaraan slechts met een regeling van rechtsgebied een einde kan worden gesteld

(1); de omstandigheid dat het arrest zou oordelen dat gelet op het tijdsverloop geen aanvullend onderzoek meer kan worden uitgevoerd, levert geen beslissing inzake bevoegdheid op in die zin
(2); een dergelijke beslissing is evenmin een beslissing die uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid in de zin van artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering
(3), zodat het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk is
(4).
(1)Cass. 30 november 2021, AR P.21.1165.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.13, AC 2021, nr. 757; Cass. 20 februari 2019, AR P.18.1179.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190220.1, AC 2019, nr. 104; Cass. 15 februari 2017, AR P.16.0821.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170215.1, AC 2017, nr. 109, Cass. 5 november 2013, AR P.13.0834.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131105.14, AC 2013, nr. 579, Cass. 20 april 2010, AR P.09.1750.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2, AC 2010, nr. 265, Cass. 3 april 2007, AR P.07.01324.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071114.7, AC 2007, nr. 169, Cass. 9 januari 2007, AR P.06.1430.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.5, AC 2007, nr. 13, Cass. 21 maart 2006, AR P.05.1701.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5, AC 2006, nr. 164, Cass. 30 oktober 2001, AR P.01.1259.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13, AC 2001, nr. 584. Zie ook F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na “Potpourri II', in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 211-212; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie: Een update na de wet van 14 februari 2014 en de Potpourri II-wet van 5 februari 2016”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 107-108; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1776-1780.
(2)Cass. 4 juni 2014, AR P.14.0236.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140604.1, AC 2014, nr. 401.
(3)Over het begrip ‘beginsel van aansprakelijkheid' in de zin van art. 420, tweede lid, 2° Sv. zie Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0227.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.5, AC 2020, nr. 399; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1781-1782.
(4)M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021,
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies, 127 en 420 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies, 127, 218 en 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies, 127 en 420 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0599.N R. D., burgerlijke partij, verzoekster tot het stellen van onderzoekshandelingen, eiseres, met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 april
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Volgens artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering staat slechts casatieberoep open tegen een eindbeslissing, behoudens in de in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde uitzonderingsgevallen. Zo staat er onmiddellijk cassatieberoep open tegen een beslissing inzake bevoegdheid en tegen een beslissing die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid.
  4. Het arrest verklaart eisers hoger beroep ongegrond tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeksrechter over zijn op grond van de artikelen 61quinquies, § 2, en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen.
  5. Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
  6. Het is ook geen beslissing inzake bevoegdheid in de zin van artikel 420, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering. Er is immers slechts een geschil inzake bevoegdheid in de zin van de vermelde bepaling, wanneer de rechter die kennisneemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent dan wel zich onbevoegd verklaart, waardoor een geschil over rechtsmacht ontstaat dat de rechtsgang belemmert en waaraan slechts met een regeling van rechtsgebied een einde kan worden gesteld. De omstandigheid dat het arrest zou oordelen dat gelet op het tijdsverloop geen aanvullend onderzoek meer kan worden uitgevoerd, levert geen beslissing inzake bevoegdheid op in die zin.
  7. Een dergelijke beslissing is evenmin een beslissing die uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid in de zin van artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering.
  8. Het cassatieberoep is wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middel
  9. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071114.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131105.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140604.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170215.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190220.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.