← België

VLAAMS GEWEST’contra SUIPOR

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220616.1N.2 Rolnummer: F.21.0051.N Zaak: VLAAMS GEWEST'contra SUIPOR Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-15 05:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een handelsvennootschap kan slechts als een “rechtspersoon, landbouwer” worden beschouwd indien de zaakvoerders, de bestuurders of de gedelegeerd bestuurders, aan wie minstens 51 pct. van de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap toebehoren, tevens minstens 50 pct. van hun totale arbeidsduur besteden aan land- of tuinbouwactiviteiten en minstens 35 pct. van hun totale beroepsinkomen uit die activiteiten halen. Thesaurus CAS: LANDBOUW Vrije woorden: Landbouwinvesteringsbesluit - Handelvennootschap - Rechtspersoon landbouwer - Begrip - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw - 24-11-2000 - Art. 1, 3°, a), 4) - 45 ELI link Pub nr 2001035128 Nota: Art. 1, 3°, a), 4), B.Vl.Reg. 24 november 2000 zoals van toepassing voor de wijziging bij besluit van de Vlaamse regering van 23 december

  1. Tekst van de beslissing Nr. F.21.0051.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Minister-president, voor wie optreedt de Viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 15, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest. tegen SUIPOR bv, met zetel te 9990 Maldegem, Holleweg 11, bus A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0829.475.605, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 september
  2. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 7 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Gegrondheid
  3. Artikel 4, eerste lid, besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw, zoals van toepassing v??r de wijziging bij besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2010, bepaalt: “De landbouwer die een landbouwbedrijf exploiteert waarvan kan worden aangetoond dat het levensvatbaar is en dat het voldoet aan minimumnormen op het gebied van leefmilieu, hygiëne en dierenwelzijn en waar de productie zo georganiseerd wordt dat een positief resultaat gerealiseerd wordt ten opzichte van die minimumnormen, kan de investeringssteun genieten die in aanmerking komt voor de financiering uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), uitgezonderd de consumentencoöperatie of de sociale instelling.”
  4. Artikel 1, 1°, 2° en 3°, a), van datzelfde besluit bepaalt: “In dit besluit wordt voor de productiesector verstaan onder: 1° de landbouwer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een land- of tuinbouwbedrijf exploiteert met een arbeidsbehoefte van minimaal 0,5 volle arbeidskrachten (VAK) per bedrijfsleider, en die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 2° of 3°; 2° de natuurlijke persoon, landbouwer: de natuurlijke persoon die minstens 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt aan de werkzaamheden op het land- of tuinbouwbedrijf en die minstens 35 % van zijn totale beroepsinkomen uit die activiteit haalt; 3° de rechtspersoon, landbouwer: a) de handelsvennootschap, vermeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek Vennootschappen, met uitzondering van het economisch samenwerkingsverband, die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet: 1) de statuten hebben de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf en de verhandeling van de op het bedrijf voortgebrachte producten tot doel; 2) de statuten bepalen dat de vennootschap opgericht is voor onbepaalde duur of voor een duur van ten minste twintig jaar; 3) de statuten bepalen dat de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap op naam zijn; 4) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap behoren voor minstens 51 % toe aan de zaakvoerders, de bestuurders of de gedelegeerd bestuurders met de kwalificatie landbouwer, wat betekent dat ze minstens 50 % van hun totale arbeidsduur besteden aan land- of tuinbouwactiviteiten in de vennootschap en minstens 35 % van hun totale beroepsinkomen uit die activiteiten halen; 5) de zaakvoerders, de bestuurders of de gedelegeerd bestuurders worden onder de vennoten aangewezen; (…)”
  5. Uit artikel 1, 3°, a), 4), van voormeld besluit volgt dat de handelsvennootschap slechts als een “rechtspersoon, landbouwer” in de zin van artikel 1, 3°, van dit besluit kan worden beschouwd indien de zaakvoerders, de bestuurders of de gedelegeerd bestuurders, aan wie minstens 51 pct. van de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap toebehoren, tevens minstens 50 pct. van hun totale arbeidsduur besteden aan land- of tuinbouwactiviteiten en minstens 35 pct. van hun totale beroepsinkomen uit die activiteiten halen.
  6. De appelrechter oordeelt: “De tekst van artikel 1, 3°, a), 4) legt echter geen inkomstenvereiste op. Het besluit vereist enkel dat 51 % van de aandelen toebehoort aan zaakvoerders of bestuurders landbouwers, en verbindt daaraan het vermoeden (het “wat betekent dat” uit artikel 1, 3°, a), 4) van het besluit) dat die landbouwers minstens de helft van hun arbeidsduur besteden in die vennootschap en dat zij 35 % van hun beroepsinkomsten uit die activiteiten halen. Het Vlaamse Gewest kan niet bovenop dit vermoeden het bewijs eisen dat de zaakvoerder of vennoot-landbouwer de helft van zijn tijd werkt in de vennootschap en er 35 % van zijn beroepsinkomsten uit haalt.” Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over het incidenteel beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué en de raadsheren Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 16 juni 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220616.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.