← België

W. contra Fluvius System Operator

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 Rolnummer: P.22.0250.N Zaak: W. contra Fluvius System Operator Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 1710 - laatst gezien 2026-06-19 04:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen; wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf

(1).
(1)Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van drie criteria, gehanteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in die volgorde, of (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt
(1).
(1)Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 16 Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent en hij moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; indien blijkt dat de rechter de beslissing tot schuldigverklaring van een beklaagde aan een telastlegging steunt op redenen die verband houden met tijdens het strafonderzoek afgelegde belastende verklaringen van een getuige, waarvan de beklaagde vraagt dat hij op de terechtzitting onder eed zou worden gehoord, gaat het Hof na of de rechter die dat verzoek heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en onderzoekt het daarbij of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen, in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing
(1).
(1)Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Artikel 6.3.d, EVRM - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Artikel 6.3.d, EVRM - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Artikel 6.3.d, EVRM - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Artikel 6.3.d, EVRM - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 17 - 18 Het begrip getuige is onder de gelding van het EVRM een autonoom begrip, ongeacht de draagwijdte die aan dat begrip wordt gegeven in het nationale recht, zodat de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, van toepassing zijn op elke getuigenverklaring die op doorslaggevende wijze kan dienen als grondslag voor een veroordeling, waarbij er geen wezenlijk verschil bestaat tussen een mondelinge verklaring van een getuige die een politieambtenaar in een proces-verbaal noteert en een eigen vaststelling van deze politieambtenaar, die hij noteert in een proces-verbaal bestemd voor de instantie die de opsporing of het onderzoek leidt waaraan die politieambtenaar meewerkt; vereist is wel dat het gaat om een vaststelling die de uitkomst van de zaak op een doorslaggevende wijze kan bepalen en dat de beklaagde het bestaan van een ernstige grond tot betwisting van die vaststelling enigszins aannemelijk maakt
(1).
(1)EHRM 30 juli 2019, Ürek t. Turkije, nr. 74845/12, ro 50; EHRM 2 juli 2018, Butkevich t. Rusland, nr. 5865/07, ro 98. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Begrip getuige - Politieambtenaar - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Begrip getuige - Politieambtenaar - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 19 - 21 Het feit dat een in België aangevangen observatie wordt voortgezet in Nederland en die voortzetting pas na de uitvoering ervan wordt goedgekeurd door de bevoegde Nederlandse autoriteit, heeft niet tot gevolg dat de Belgische rechter het resultaat van die observatie als onregelmatig bewijs moet weren; de buitenlandse overheid beslist daarenboven zelf over de impact van een grensoverschrijdende observatie op haar soevereiniteit en die autoriteit kan haar goedkeuring steeds onderwerpen aan alle verificaties die zij passend acht
(1).
(1)Cass. 15 december 2015, AR P.15.0982.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.5, AC 2015, nr. 717 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Observatie - Grensoverschrijdende observatie - Voortzetting van een in België aangevangen observatie in Nederland - Machtiging - Goedkeuring door de buitenlandse overheid - Tijdstip van de goedkeuring - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onregelmatig bewijs - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Grensoverschrijdende observatie - Voortzetting van een in België aangevangen observatie in Nederland - Machtiging - Goedkeuring door de buitenlandse overheid - Tijdstip van de goedkeuring - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Grensoverschrijdende observatie - Voortzetting van een in België aangevangen observatie in Nederland - Machtiging - Goedkeuring door de buitenlandse overheid - Tijdstip van de goedkeuring - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 22 - 23 Het openbaar ministerie dat beschikt over ernstige aanwijzingen dat er strafbare feiten worden gepleegd in het kader van een nog steeds actieve vereniging of organisatie, kan het opstarten van een gerechtelijk onderzoek vorderen voor alle feiten die deel uitmaken van dezelfde activiteit, met inbegrip van de op het moment van de vordering nog te plegen feiten en die aanwijzingen kunnen volstaan als informatie over toekomstige feiten, die dusdanig concreet is dat zij het opstarten van een reactief onderzoek verantwoordt; de rechter oordeelt onaantastbaar voor welke feiten de procureur des Konings de onderzoeksrechter heeft gevorderd, rekening houdend met de bewoordingen van de vordering tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek, eventueel verduidelijkt door de erbij gevoegde stukken en de rechter kan aldus op grond van de voormelde aanwijzingen aannemen dat de vordering van de procureur des Konings zich uitstrekt tot toekomstige strafbare feiten die behoren tot dezelfde activiteit als reeds gepleegde strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen voorhanden zijn
(1).
(1)Cass. 26 maart 2013, AR P.13.0133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5, AC 2013, nr. 212; R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2014, pp. 272-273, nr. 527. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Vordering tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek - Saisine van de onderzoeksrechter - Omvang - Gepleegde of nog niet-gepleegde strafbare feiten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Vordering tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek - Saisine van de onderzoeksrechter - Omvang - Gepleegde of nog niet-gepleegde strafbare feiten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0250.N I R. J. M. W., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199, burgerlijke partij, 2. VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING cv, met zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 189, burgerlijke partij, 3. A. W., vrijwillig tussengekomen partij, verweersters. II P. G. S. G. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, 2. VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweersters. III R. J. M. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Charlotte De Boeck, advocaat bij de balie Antwerpen. IV G. E. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. V M. H., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 januari 2022. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert geen middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II 1. Overeenkomstig artikel 424 Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep van een beklaagde tegen een bij verstek gewezen en voor verzet vatbare beslissing over een burgerlijke rechtsvordering worden ingesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verzet. 2. Het arrest is bij verstek gewezen ten aanzien van de verweerster I-II.2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het arrest aan die verweerster is betekend. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster I-II.2, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster II.1, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster II.1, is het cassatieberoep II evenmin ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest verklaart de strafvordering ontvankelijk en veroordeelt de eiser I wegens de hem ten laste gelegde feiten, terwijl het zijn verzoek om de politieambtenaren G.C. en R.G. als getuigen ter rechtszitting te horen afwijst zonder de desbetreffend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria correct toe te passen; politieambtenaren kunnen met betrekking tot hun vaststellingen wel degelijk getuigen à charge zijn en artikel 6.3.d EVRM kan wel degelijk worden toegepast op schriftelijke bewijsstukken zoals processen-verbaal, zodat uit die omstandigheden geen ernstige reden kan worden afgeleid om deze politieambtenaren niet te horen; het arrest steunt wel degelijk in doorslaggevende mate op de vaststellingen van de politieambtenaren G.C. en R.G. om de eiser I schuldig te verklaren aan minstens de verkoop van amfetamines; de in het arrest vermelde compenserende factoren volstaan niet om anders te oordelen. 5. Artikel 6.3.d EVRM bepaalt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft om de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. 6. Die bepaling is vreemd aan het onderzoek van de ontvankelijkheid van de strafvordering, dat voorafgaat aan de bewijswaardering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt. 8. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 9. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  1. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  2. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 10. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Die criteria en de daarbij vermelde redenen kunnen elkaar wel versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat zij steeds in hun onderling verband moeten worden gelezen. 11. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met die criteria, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. Daarbij moet de rechter zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 12. Indien uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de rechter de beslissing tot schuldigverklaring van een beklaagde aan een telastlegging steunt op redenen die verband houden met tijdens het strafonderzoek afgelegde belastende verklaringen van een getuige, waarvan de beklaagde vraagt dat hij op de terechtzitting onder eed zou worden gehoord, gaat het Hof na of de rechter die dat verzoek heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast. Daarbij onderzoekt het Hof onder meer of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen, in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 13. Het arrest (p. 60-63) steunt de beslissing tot schuldigverklaring van de eiser I voor wat betreft de telastleggingen I (voorbereidende handelingen voor de teelt van cannabis als leidende persoon van een vereniging), L (poging diefstal) en M (leidende persoon criminele organisatie) op een geheel van eigen redenen die geen verband houden met de hierna vermelde redenen waarop eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen A, C, E (vervaardigen, verkoop en bezit van amfetamine als leidende persoon van een vereniging) en G (vervaardigen, handel en bezit van BMK als leidende persoon van een vereniging) berust, noch met enige door de eiser I betwiste vaststelling van de politieambtenaren G.C. en R.G. In zoverre het onderdeel de telastleggingen I, L en M in de kritiek betrekt, mist het feitelijke grondslag. 14. Het begrip getuige is onder de gelding van het EVRM een autonoom begrip, ongeacht de draagwijdte die aan dat begrip wordt gegeven in het nationale recht. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is zodoende van toepassing op elke getuigenverklaring die op doorslaggevende wijze kan dienen als grondslag voor een veroordeling. Er bestaat daarbij geen wezenlijk verschil tussen, bijvoorbeeld, een mondelinge verklaring van een getuige die een politieambtenaar in een proces-verbaal noteert en een eigen vaststelling van deze politieambtenaar, die hij noteert in een proces-verbaal bestemd voor de instantie die de opsporing of het onderzoek leidt waaraan die politieambtenaar meewerkt. 15. Vereist is wel dat het gaat om een vaststelling die de uitkomst van de zaak op een doorslaggevende wijze kan bepalen en dat de beklaagde het bestaan van een ernstige grond tot betwisting van die vaststelling enigszins aannemelijk maakt. 16. In zijn appelconclusie heeft de eiser I de appelrechters gevraagd om de politieambtenaren G.C. en R.G. ter rechtszitting te horen in verband met inconsistenties die erin bestaan dat zij volgens hun proces-verbaal, naar aanleiding van de observatie van de eiser I op 5 september 2018, twee handschoenen hebben gerecupereerd uit een zak die zij de eiser I hebben zien weggooien in een vuilnisbak, terwijl het analyseverslag melding maakt van vier onderzochte handschoenen in een ogenschijnlijk nieuwe en ongebruikte staat en de op de handschoenen aangetroffen biologische en druggerelateerde sporen van doorslaggevend belang zijn voor eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen A, C en E en omdat zij hem in verband brengen met een laboratorium voor de productie van synthetische drugs. Daaruit heeft de eiser I afgeleid dat de politieambtenaren vermoedelijk hebben geknoeid met het bewijsmateriaal (arrest, onder meer p. 48-49). 17. Het arrest (p. 33-34) oordeelt: “In het beschikkend gedeelte van zijn beroepsconclusie vraagt [de eiser I] om – alvorens recht te doen – rechercheur [G.C.] en gerechtelijk commissaris [R.G.] ‘te doen ondervragen door de verdediging’. In zijn beroepsconclusie (…) geeft [de eiser I], ter onderbouwing van zijn vraag tot het (doen) horen van deze 2 personen ter terechtzitting, een bloemlezing van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. [De eiser I] verliest hierbij evenwel uit het oog dat deze rechtspraak van toepassing is op het horen ter terechtzitting van getuigen à charge, zijnde getuigen die voor de betreffende beklaagde doorslaggevende belastende verklaringen hebben afgelegd. Rechercheur [G.C.] en gerechtelijk commissaris [R.G.] zijn echter géén getuigen in deze zaak, doch zij behoren tot het team van onderzoekers die onder leiding van de onderzoeksrechter hebben meegewerkt aan het gerechtelijk onderzoek dat gevoerd werd. Zij hebben tijdens het gerechtelijk onderzoek géén (belastende) verklaringen als getuige afgelegd in verband met de schuld van [de eiser I] aan de hem ten laste gelegde feiten, zodat de door [de eiser I] geciteerde rechtspraak op hen niet van toepassing is en er aldus een ernstige reden bestaat om deze heren niet te horen ter terechtzitting van het hof.” Met die redenen geven de appelrechters aan het eerst vermelde criterium een onjuiste draagwijdte. 18. Uit de redenen waarop de appelrechters (arrest, p. 55-63 en beroepen vonnis, p. 49-52) de beslissing over eisers schuld aan de telastleggingen A, C, E en G steunen, blijkt niet dat de betwiste politionele vaststellingen de uitkomst van de zaak niet mede hebben bepaald. Daarvoor volstaat het niet dat de beslissing ook steunt op andere bewijselementen die samen met de vermelde vaststellingen de appelrechters overtuigen van eisers’ schuld. 19. In die omstandigheden volstaan evenmin de in het arrest vermelde compenserende factoren, die in essentie erin bestaan dat de eiser I tegenspraak heeft kunnen voeren over de aan de appelrechters toekomende bewijswaardering van de betrokken politionele vaststellingen, dat de eiser I tijdens het vooronderzoek geen betwisting heeft gevoerd over de politionele vaststellingen en dat de appelrechters geen acht slaan op de eigen gevolgtrekkingen die de politieambtenaren uit hun vaststellingen hebben afgeleid. 20. Hieruit volgt dat de appelrechters hun beslissing tot het verwerpen van eisers verzoek om de politieambtenaren G.C. en R.G. als getuigen onder eed op de rechtszitting te horen voor wat betreft de kwestieuze telastleggingen niet naar recht verantwoorden. In zoverre is het onderdeel gegrond. Tweede onderdeel en derde middel van de eiser I 21. Het onderdeel en het middel die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Tweede middel van de eiser I 22. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 19, b), van het Verdrag van 8 juni 2004 tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politioneel optreden (hierna Benelux-Overeenkomst 2004), artikel 40 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna Schengen Uitvoeringsovereenkomst) en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de grensoverschrijdende observaties in Nederland geen onregelmatig verkregen bewijs uitmaken en weert de resultaten van die observaties niet uit het bewijs; het arrest oordeelt ten onrechte dat de appelrechters gebonden zijn door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 januari 2020, dat inzake de opsporingsmethode observatie geen onregelmatigheden heeft vastgesteld; de kamer van inbeschuldigingstelling is op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering immers niet bevoegd om te oordelen over de regelmatigheid van een in het buitenland uitgevoerde observatie; het arrest oordeelt ten onrechte dat er voor een observatie bestaande uit het grensoverschrijdende gebruik van een peilbaken onder een voertuig geen voorafgaande toestemming van het gastland is vereist; een retroactieve toestemming kan ook niet worden gebruikt om een aanvankelijk ontoereikende motivering voor het machtigen van een observatie te compenseren, aangezien dit geen voorafgaande controle toelaat over het voldaan zijn aan alle vereisten voor de regelmatigheid van de grensoverschrijdende observatie. 23. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 24. Het arrest past artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet toe en kan dat artikel bijgevolg niet schenden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 25. Het feit dat een in België aangevangen observatie wordt voortgezet in Nederland en die voortzetting pas na de uitvoering ervan wordt goedgekeurd door de bevoegde Nederlandse autoriteit, heeft niet tot gevolg dat de Belgische rechter het resultaat van die observatie als onregelmatig bewijs moet weren. Een machtiging tot observatie of een rechtshulpverzoek om een observatie over de grens te mogen verderzetten, wordt evenmin vermoed gebrekkig te zijn gemotiveerd, wanneer een dergelijke aanvoering niet berust op aannemelijke gegevens. Bovendien beslist de Nederlandse overheid zelf over de impact van een grensoverschrijdende observatie op haar soevereiniteit en kan die autoriteit haar goedkeuring steeds onderwerpen aan alle verificaties die zij passend acht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 26. Eensdeels oordelen de appelrechters (arrest, p. 50-54) dat zij gebonden zijn door het arrest van 23 januari 2020 van de kamer van inbeschuldigingstelling, waaruit geen onregelmatigheden blijken met betrekking tot de uitvoering van de observatie in België. Anderdeels stellen de appelrechters vast dat de toestemming van de bevoegde Nederlandse autoriteit inzake alle voor de grensoverschrijdende observatie gebruikte voertuigen werd verleend bij brief van 22 oktober 2019 en onderzoeken zij zodoende de regelmatigheid van de observaties uitgevoerd op Nederlands grondgebied. Aldus verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat het in Nederland verkregen bewijs niet onregelmatig is en dat door het gebruik van dat bewijs het recht van verdediging niet is miskend. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. 27. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II 28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 47, 55, 56, 61 en 64 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen dat zij bevoegd zijn om kennis te nemen van de strafvordering in haar totaliteit omdat “de onderzoeksrechter rechtsgeldig [werd] gevat niet enkel voor feiten in het verleden, doch tevens voor toekomstige feiten (gepleegd en/of nog te plegen door de geviseerde vereniging), zowel in België, alsook in Nederland”; zij steunen dat oordeel op de redenen dat, eensdeels, het openbaar ministerie de onderzoeksrechter op 17 oktober 2018 heeft gevorderd om een gerechtelijk onderzoek in te stellen wegens “inbreuken wetgeving verdovende middelen en psychotrope stoffen, in vereniging”, “zonder dat deze feiten in tijd of ruimte werden beperkt” en, anderdeels, dat in deze vordering reeds sprake was van uit te voeren huiszoekingen in Nederland op de locaties aangegeven in het navolgend proces-verbaal 8086/2018 en van het stellen van “alle nuttige onderzoeksdaden”; minstens laten de appelrechters het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen doordat zij noch vaststellen dat een reactief onderzoek naar toekomstige feiten verantwoord was doordat het openbaar ministerie op het ogenblik van het instellen van de vordering beschikte over informatie over nog te plegen feiten die dusdanig concreet was dat deze feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf vormden, noch andere nadere vaststellingen doen. 29. Het openbaar ministerie dat beschikt over ernstige aanwijzingen dat er strafbare feiten worden gepleegd in het kader van een nog steeds actieve vereniging of organisatie, kan het opstarten van een gerechtelijk onderzoek vorderen voor alle feiten die deel uitmaken van dezelfde activiteit, met inbegrip van de op het moment van de vordering nog te plegen feiten. Die aanwijzingen kunnen volstaan als informatie over toekomstige feiten, die dusdanig concreet is dat zij het opstarten van een reactief onderzoek verantwoordt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 30. De rechter oordeelt onaantastbaar voor welke feiten de procureur des Konings de onderzoeksrechter heeft gevorderd, rekening houdend met de bewoordingen van de vordering tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek, eventueel verduidelijkt door de erbij gevoegde stukken. Zodoende kan de rechter op grond van de voormelde aanwijzingen aannemen dat de vordering van de procureur des Konings zich uitstrekt tot toekomstige strafbare feiten die behoren tot dezelfde activiteit als reeds gepleegde strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen voorhanden zijn. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 31. Op grond van de gegevens die het middel vermeldt, oordeelt het arrest (p. 36): “Aldus werd de onderzoeksrechter rechtsgeldig gevat niet enkel voor feiten in het verleden, doch tevens voor toekomstige feiten (gepleegd en/of nog te plegen door de geviseerde vereniging), zowel in België, alsook in Nederland. De onderzoeksrechter mocht binnen de gevorderde saisine uiteraard onderzoek voeren naar de leden van deze (grensoverschrijdende) vereniging en de onderliggende misdrijven die deze vereniging mogelijks pleegde, waaronder ook de toekomstige strafbare feiten van dezelfde organisatie. Hierbij kwam de productie van de amfetamines in het labo in de loods te M. naar voor. Kwestieuze productie maakte een ondeelbaar geheel uit met in België gepleegde misdrijven.” Daarnaast vermeldt het arrest (p. 44-45) dat er reeds voldoende concrete informatie voor een reactief onderzoek bestond sinds de vaststellingen vervat in het aanvankelijk proces-verbaal TG.60.LA.2727/2018 van 16 maart 2018. 32. Op grond van die redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat het gerechtelijk onderzoek zoals gevorderd door het openbaar ministerie ook betrekking had op eventuele toekomstige feiten, te plegen door de vereniging die in de vordering werd geviseerd. Aldus is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed en laten de redenen ervan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II 33. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de opgeworpen schending van artikel 8 EVRM wegens het ontbreken van de voorafgaande toestemming van het gastland voor een grensoverschrijdende technische observatie in de zin van artikel 19, b), Benelux-Overeenkomst 2004 en artikel 40 Schengen Uitvoeringsovereenkomst achterhaald en laattijdig is, alsook dat de vraag tot bewijsuitsluiting ongegrond is, omdat de appelrechters gebonden zijn door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 januari 2020 dat inzake de opsporingsmethode observatie geen onregelmatigheden heeft vastgesteld; het al dan niet voorhanden zijn van de toestemming van het gastland behoort echter niet tot de beperkte controle die door de kamer van inbeschuldigingstelling werd uitgevoerd op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 19, b), Benelux-Overeenkomst 2004 en artikel 40 Schengen Uitvoeringsovereenkomst: het arrest oordeelt ten onrechte dat voor het in België plaatsen van een peilbaken onder een voertuig, gepaard gaande met het uitlezen en het gebruik van de gegevens van dit peilbaken, geen voorafgaande toestemming van het gastland zou zijn vereist, zelfs niet wanneer de auto de landsgrens zou hebben overschreden. Het onderdeel vraagt om desgevallend aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Moet artikel 40 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst zo worden begrepen dat niet alleen een ‘fysieke’ observatie, waarbij ambtenaren fysiek de landsgrens overschrijden, maar ook een zogenaamde ‘technische’ observatie, bestaande uit het plaatsen en/of uitlezen van plaatsbepalingsapparatuur (peilbaken) onder een voertuig, in de plaats van het fysiek inzetten van een observatieteam, met zich meebrengt dat de observerende ambtenaren slechts bevoegd zijn een dergelijke observatie op het grondgebied van een andere overeenkomst sluitende partij voort te zetten, wanneer laatstgenoemde partij daartoe toestemming heeft gegeven op basis van een van te voren ingediend rechtshulpverzoek?” 34. De onderdelen hebben dezelfde draagwijdte als het tweede middel van de eiser I en zijn om dezelfde redenen te verwerpen. 35. De prejudiciële vraag die is afgeleid uit een onjuiste rechtsopvatting over de klaarblijkelijke draagwijdte van artikel 40 Schengen Uitvoeringsovereenkomst en uit overtollige redenen die niet tot cassatie kunnen leiden, wordt niet gesteld. Eerste middel van de eiser IV 36. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat er geen proactieve recherche kan worden afgeleid uit het feit dat in het Europees onderzoeksbevel van de procureur des Konings van 21 oktober 2019 aan de Nederlandse autoriteiten toelating werd gevraagd om peilbakengegevens van een bepaald voertuig te gebruiken vanaf 31 augustus 2017 tot 23 oktober 2018, dit is vanaf een datum die voorafging aan het reactief onderzoek dat slechts aanving op 16 maart 2018, omdat de datum van 31 augustus 2017 berust op een materiële vergissing aangezien uit geen enkel ander element blijkt dat er vóór 16 maart 2018 onderzoekshandelingen zouden zijn gesteld; er kan echter geen sprake zijn van een materiële vergissing aangezien de periode van 31 augustus 2018 tot 23 oktober 2018 reeds was gedekt door de onderzoeksmaatregel gevraagd in het Europees onderzoeksbevel van 27 augustus 2018 en een nieuwe toestemming dus overbodig was. 37. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser IV 38. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 15 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de Nederlandse autoriteiten toestemming voor een grensoverschrijdende observatie kunnen geven na de uitvoering van die observatie; een voorafgaandelijke toestemming is vereist om het uit de observatie verkregen bewijs regelmatig te kunnen aanwenden. 39. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 40. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en is het om dezelfde reden te verwerpen. Middel van de eiser V 41. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de brief van de Nederlandse officier van Justitie van 17 december 2018 wel degelijk melding maakt van het feit dat de overdracht van strafvervolging voor wat betreft het Nederlandse dossier gebeurde met het oog op een goede rechtsbedeling, geeft het arrest van die brief een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en beantwoordt het eisers verweer niet; het arrest oordeelt ten onrechte dat de Belgische rechter bevoegd is om kennis te nemen van de feiten uit het Nederlandse dossier; de toepasselijke bepalingen van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, meer bepaald de artikelen 5.3.1 en 5.3.5 van dat wetboek, zijn immers niet nageleefd. 42. Met de redenen die het arrest (p. 37-39) bevat en waarmee het de brief van de Nederlandse officier van Justitie van 17 december 2018 uitlegt in samenhang met de brief van de procureur des Konings van dezelfde datum, geeft het arrest van de eerst vermelde brief een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en beantwoordt het eisers desbetreffende verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 43. Met eigen (p. 37-38) en van het beroepen vonnis (p. 24-25) overgenomen redenen steunt het arrest de beslissing over de bevoegdheid van de Belgische rechter om eveneens kennis te nemen van de in Nederland gepleegde feiten op de omstandigheid dat de strafvordering met betrekking tot productie van synthetische drugs in België reeds op 17 december 2018 werd uitgeoefend en dat de Belgische rechter op grond van de leer van de ondeelbaarheid kennis mag nemen van alle aspecten van een misdrijf dat een ondeelbaar geheel vormt met het misdrijf dat op het Belgische grondgebied werd gepleegd, met inbegrip van in het buitenland gepleegde feiten die een ondeelbaar geheel vormen met de in België gepleegde feiten, zodat het verzoek van de procureur des Konings aan de bevoegde Nederlandse autoriteit om de strafvervolging met betrekking tot het drugslaboratorium te M. te laten plaatsvinden in België en daartoe het Nederlandse dossier aan België over te maken, eigenlijk overbodig was. In zoverre het middel niet opkomt tegen die zelfstandige redenen die de beslissing schragen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige 44. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Omvang van de cassatie 45. De vastgestelde onwettigheid van de beslissing voor wat betreft de eiser I leidt tot de vernietiging van zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen A, C, E en G en zijn veroordeling tot straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten en tot zijn veroordeling op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster I.2. Zij laat de beslissingen over de ontvankelijkheid van eisers hoger beroep en de saisine van het appelgerecht, alsmede over zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen I, L en M en zijn veroordeling tot de forfaitaire vergoeding en tot de bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand ongemoeid. Onmiddellijke aanhouding 46. De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser I wordt veroordeeld tot straf, heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding wordt bevolen. 47. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep van de eiser V, heeft het arrest wat hem betreft kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser I schuldig verklaart aan de telastleggingen A, C, E en G, hem veroordeelt tot straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten en hem veroordeelt op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster I.2. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van dat cassatieberoep aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eisers II, III, IV en V tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten in het geheel op 2.404,15 euro, waarvan elke eiser 259,44 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.