id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:
Artikel 67
- Artikel 67bis Vrije woorden: Vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat - Toepassingsgebied - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 34, § 2, 1°, 35 en 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 34
Vrije woorden: Artikel 34, § 2, 1° - Besturen van een voertuig na alcoholopname - Toepassing van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 34, § 2, 1°, 35 en 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 35
Vrije woorden: Besturen van een voertuig in staat van dronkenschap - Toepassing van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 34, § 2, 1°, 35 en 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiche 5 De omschrijving “een bestuurder die bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd” in artikel 67bis Wegverkeerswet moet in zijn gebruikelijke betekenis worden begrepen en daaronder valt niet enkel hij die niet werd aangetroffen bij de vaststelling van de overtreding, maar ook hij die er wel werd aangetroffen zonder dat evenwel kon worden vastgesteld dat hij de bestuurder was. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 67
- Artikel 67bis Vrije woorden: Vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat - Begrip ‘bestuurder die bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd' - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 6 - 9 Indien een overtreding van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan op grond van het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden moet worden toegerekend aan de houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de overtreding werd begaan en die houder voor het leveren van het tegenbewijs getuigen wil laten horen, dan zijn dit getuigen à décharge en moet de verplichting om die getuigen te horen worden beoordeeld volgens de criteria die voor getuigen à décharge gelden. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen ter zitting - Weerlegging van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet door het horen van getuigen ter zitting - Aard van deze getuigen - Getuigen à décharge - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht tot het horen van getuigen ter zitting - Weerlegging van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet door het horen van getuigen ter zitting - Aard van deze getuigen - Getuigen à décharge - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
Artikel 67
- Artikel 67bis Vrije woorden: Vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat - Weerlegging van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet door het horen van getuigen ter zitting - Aard van deze getuigen - Getuigen à décharge - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Artikel 67bis, Wegverkeerswet - Vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat - Weerlegging van het vermoeden van toerekening van artikel 67bis Wegverkeerswet door het horen van getuigen ter zitting - Aard van deze getuigen - Getuigen à décharge - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 18, p. 1350-
- - DE ROY, Chris; Noot'Enkele beschouwingen bij de draagwijdte en het tegenbewijs van artikel 67bis WPW' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0071.N I. M. G. D., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Philip Traest, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 17 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 67bis Wegverkeerswet, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de bewijslast in strafzaken: de appelrechters verklaren de eiseres schuldig aan de haar ten laste gelegde feiten en veroordelen haar tot straf omdat zij niet het tegenbewijs levert van het wettelijk weerlegbaar vermoeden van toerekening dat is vervat in artikel 67bis Wegverkeerswet, terwijl de toepassingsvoorwaarden voor dit vermoeden niet zijn vervuld; dit vermoeden kan volgens de wetsgeschiedenis immers enkel worden toegepast in het kader van de bewijslevering met betrekking tot overtredingen van de Wegverkeerswet en zijn uitvoeringsbesluiten die “in de vlucht” werden vastgesteld, al dan niet met behulp van bemande of onbemande automatisch werkende toestellen; bovendien is dit vermoeden enkel van toepassing wanneer de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, terwijl de discussie over de vraag wie de bestuurder was in dit dossier beperkt was tot de beide inzittenden in het voertuig die wel degelijk werden geïdentificeerd, maar die ontkenden met het voertuig te hebben gereden op het ogenblik van het ongeval.
- Artikel 67bis, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.”
- Deze bepaling voorziet voor overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan die zijn begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een natuurlijk persoon, en, voor zover de bestuurder niet werd geïdentificeerd, in een vermoeden van toerekening van de met het motorvoertuig begane overtreding aan de houder van de kentekenplaat van het voertuig. Dit vermoeden is evenwel weerlegbaar.
- De tekst van artikel 67bis Wegverkeerswet beperkt het toepassingsgebied van het vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat niet tot “in de vlucht” vastgestelde overtredingen met het motorvoertuig, maar vermeldt zonder enige beperking alle overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
- Een dergelijke beperking kan evenmin worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling. Het is niet omdat de aanleiding voor de invoering van dit vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat de gewijzigde rechtspraak van het Hof van Cassatie betreffende overtredingen “in de vlucht” was, dat de wetgever het toepassingsgebied van het vermoeden van toerekening wenste te beperken tot dergelijke overtredingen.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden van toerekening aan de houder van de kentekenplaat enkel van toepassing is op “in de vlucht” vastgestelde overtredingen op de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan, faalt het naar recht.
- De omschrijving “een bestuurder die bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd” moet in zijn gebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder valt niet enkel hij die niet werd aangetroffen bij de vaststelling van de overtreding, maar ook hij die er wel werd aangetroffen zonder dat evenwel kon worden vastgesteld dat hij de bestuurder was. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en de artikelen 62 en 67bis Wegverkeerswet: de appelrechters hebben ten onrechte het wettelijk weerlegbaar vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet toegepast om de eiseres schuldig te verklaren aan de haar ten laste gelegde feiten en te veroordelen tot straf, nu niet blijkt dat een afschrift van de processen-verbaal met de vaststellingen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet, aan de eiseres werd toegezonden.
- Het onderdeel dat het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en de artikelen 34, 35 en 67bis Wegverkeerswet, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de bewijslast in strafzaken: de appelrechters hebben ten onrechte het wettelijk weerlegbaar vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet toegepast om de eiseres schuldig te verklaren aan het besturen van een voertuig in een staat van alcoholintoxicatie (telastlegging A) en het besturen van een voertuig in een staat van dronkenschap (telastlegging B), terwijl dit vermoeden niet kan worden aangewend voor de bewezenverklaring van deze feiten.
- Uit de tekst van artikel 67bis Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het daarin vastgelegde vermoeden van toerekening van de met een motorvoertuig begane overtreding aan de houder van de kentekenplaat van het voertuig een algemene draagwijdte heeft en dus geldt voor alle overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Dit vermoeden van toerekening geldt bijgevolg ook voor een overtreding op de artikelen 34, § 2, 1°, en 35 Wegverkeerswet. De toepassing van het vermoeden van toerekening is niet afhankelijk van het werkelijk en tastbaar vaststellen van een overtreding op artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet of op artikel 35 Wegverkeerswet. Anders oordelen zou een niet door de wetgever gewilde inperking inhouden van het toepassingsgebied van artikel 67bis Wegverkeerswet.
- Het bewijs van het verenigd zijn van de constitutieve bestanddelen van de overtredingen op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten moet, behoudens wettelijk bepaalde uitzondering, wel worden geleverd door het openbaar ministerie. Daarvoor geldt het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden niet.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters weigeren in te gaan op het gemotiveerde verzoek van de eiseres om D.D.S., N.C.I. en J.S. op te roepen als getuigen en steunen zich voor dit oordeel enkel op de redenen dat zij dit niet nodig achten om tot een oordeel te komen, dat zij zich steunen op een wettelijk vermoeden van toerekening dat de eiseres niet op een geloofwaardige wijze weerlegt en dat het horen van de medebetrokkene en de twee getuigen niets kan bijdragen tot de waarheidsvinding; de appelrechters onderzoeken bijgevolg niet of is voldaan aan de criteria zoals ter zake ontwikkeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; uit de redenen van het bestreden vonnis blijkt duidelijk dat de belastende verklaringen van deze getuigen doorslaggevende elementen zijn waarop de schuldigverklaring van de eiseres steunt in die zin dat het bewijs dermate belangrijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald, terwijl de omstandigheid dat de appelrechters zich tevens beroepen op het wettelijk weerlegbaar vermoeden zoals vervat in artikel 67bis Wegverkeerswet niet van aard is deze bepalende rol teniet te doen; de verklaringen van deze getuigen à charge zijn daarentegen de enige feitelijke bewijselementen waarop de appelrechters de bewezenverklaring van de feiten steunen.
- Indien een overtreding van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan op grond van het door artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde vermoeden moet worden toegerekend aan de houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de overtreding werd begaan en die houder voor het leveren van het tegenbewijs getuigen wil laten horen, dan zijn dit getuigen à décharge en moet de verplichting om die getuigen te horen worden beoordeeld volgens de criteria die voor getuigen à décharge gelden. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat het horen van die getuigen moet worden beoordeeld volgens de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria betreffende het horen van getuigen à charge, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010207.21 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040225.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div