id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.24 Rolnummer: P.22.0787.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 820 - laatst gezien 2026-06-19 03:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De redelijke termijn van de voorlopige hechtenis wordt niet gerekend vanaf de aanvang van het gerechtelijk onderzoek of het verlenen van een bevel tot aanhouding bij verstek lastens de inverdenkinggestelde, maar wel vanaf het moment waarop de inverdenkinggestelde zich effectief in voorlopige hechtenis bevindt; naar aanleiding van de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 22 Voorlopige Hechteniswet, moet het onderzoeksgerecht de redenen van de voorlopige hechtenis en de evaluatie van de risico's van het toekennen van detentievervangende maatregelen dan ook slechts actualiseren rekening houdend met de redenen vermeld in de titel van de effectieve vrijheidsberoving en de termijn die is verstreken sinds het verlenen van die titel
(1).
(1)M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2021, 9de editie, t. II, pp. 1054-
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Vrije woorden: Duur van de voorlopige hechtenis - Redelijke termijn - Berekening - Handhaving van de voorlopige hechtenis - Actualisering van de redenen van voorlopige hechtenis en evaluatie van de risico's van toekenning van detentievervangende maatregelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Duur van de voorlopige hechtenis - Redelijke termijn - Berekening - Handhaving van de voorlopige hechtenis - Actualisering van de redenen van voorlopige hechtenis en evaluatie van de risico's van toekenning van detentievervangende maatregelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Duur van de voorlopige hechtenis - Redelijke termijn - Berekening - Handhaving van de voorlopige hechtenis - Actualisering van de redenen van voorlopige hechtenis en evaluatie van de risico's van toekenning van detentievervangende maatregelen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0787.N E. N., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Afrikastraat 92, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1 en § 5, 22, zesde en zevende lid, 23, eerste lid, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: met de enkele overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat de gevaren op recidive, onttrekking en collusie kunnen worden geneutraliseerd door een invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen de betaling van een borgsom; een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en de persoonlijkheid van de eiser ontbreekt; daarbij is er sprake van een automatisme, wat ook blijkt uit de stereotype en herhaalde motivering voor wat betreft de handhaving van de voorlopige hechtenis ten aanzien van meerdere inverdenkinggestelden; de redenen en motieven vermeld in de vordering van het openbaar ministerie zijn ook identiek aan deze vermeld in het bevel tot aanhouding bij verstek van 9 december 2020 en het bevel tot aanhouding na overlevering van 23 maart 2022, zonder enige actualisatie hoewel er intussen zowat anderhalf jaar is verstreken.
- In zoverre het middel verwijst naar beslissingen in verband met de voorlopige hechtenis van andere inverdenkinggestelden, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- De redelijke termijn van de voorlopige hechtenis wordt niet gerekend vanaf de aanvang van het gerechtelijk onderzoek of het verlenen van een bevel tot aanhouding bij verstek lastens de inverdenkinggestelde, maar wel vanaf het moment waarop de inverdenkinggestelde zich effectief in voorlopige hechtenis bevindt. Naar aanleiding van de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 22 Voorlopige Hechteniswet, moet het onderzoeksgerecht de redenen van de voorlopige hechtenis en de evaluatie van de risico’s van het toekennen van detentievervangende maatregelen dan ook slechts actualiseren rekening houdend met de redenen vermeld in de titel van de effectieve vrijheidsberoving en de termijn die is verstreken sinds het verlenen van die titel.
- De verplichting van de kamer van inbeschuldigingstelling om te voldoen aan de in het middel vermelde wetsbepalingen belet die kamer niet om haar beslissing te motiveren door de overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal. Die overname houdt immers in dat de kamer van inbeschuldigingstelling deze redenen nog steeds passend acht om het voor haar gevoerde verweer te beantwoorden en te verwerpen.
- Het enkele feit dat de handhavingsbeslissing verwijst naar elementen of gegevens die ook zijn vermeld in het bevel tot aanhouding, houdt niet in dat het onderzoeksgerecht geen rekening houdt met de vereiste individualisering en met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal: - vermeldt het arrest een geheel van feiten, waaronder gegevens volgend uit telefonieonderzoek, observatie en verhoren, waaruit ernstige aanwijzingen blijken dat de eiser als medeorganisator betrokken is bij een criminele organisatie die zich zou inlaten met de grootschalige invoer, handel en uitvoer van cocaïne, de teelt van cannabis en de productie van amfetamines; - oordeelt het arrest dat de handhaving van eisers hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid gelet op de gevaren voor recidive, onttrekking, bewijsverduistering en collusie en dat een invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen het betalen van een borgsom thans onvoldoende garanties naar de openbare veiligheid toe biedt en onvoldoende de vermelde gevaren neutraliseert, onder meer gelet op het gemakkelijke geldgewin dat met de feiten, indien bewezen, gepaard gaat, eisers voormelde rol binnen de organisatie, zijn niet verklaarde financiële middelen, zijn strafrechtelijk antecedenten, zijn Nederlandse nationaliteit, de onduidelijkheid over zijn woonplaats en zijn vele internationale contacten, de geëncrypteerde communicaties en andere door de organisatie genomen maatregelen om opsporing te verhinderen, het feit dat er aanwijzingen zijn dat de eiser zich zal verstaan met derden en bewijzen zal pogen te laten verdwijnen, het feit dat de borgsom niet in verhouding staat tot de opbrengst van de feiten, indien bewezen, en het feit dat het opleggen van voorwaarden in de gegeven omstandigheden onvoldoende mogelijkheden tot controle en opvolging biedt; - oordeelt het arrest dat uit de feiten, indien bewezen, blijkt dat de eiser een geestesgesteldheid heeft waartegen de maatschappij absoluut moet worden beschermd. Met die redenen, die omstandiger zijn dan deze vermeld in het bevel tot aanhouding van 22 maart 2022 en daaraan dan ook geenszins identiek zijn, beoordeelt het arrest op een nauwkeurige, geactualiseerde en geïndividualiseerde wijze de absolute noodzaak van de handhaving van eisers voorlopige hechtenis, maakt het concreet melding van de ernstige aanwijzingen van schuld die lastens de eiser blijven bestaan, de feitelijke omstandigheden van de zaak en de omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijkheid en onderzoekt het of er lastens de eiser ernstige redenen blijven bestaan om te vrezen dat hij nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest ook eisers verweer. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 160,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div