← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Bewijsvoering - Onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige - Door de onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdeskundige die een onderzoek doet naar de waarachtigheid van de verklaring van een slachtoffer - Zelfde gerechtsdeskundige die de geestestoestand van de beklaagde onderzoekt - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onderzoek door een gerechtsdeskundige - Onpartijdigheid - Door de onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdeskundige die een onderzoek doet naar de waarachtigheid van de verklaring van een slachtoffer - Zelfde gerechtsdeskundige die de geestestoestand van de beklaagde onderzoekt - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Bewijsvoering - Onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige - Door de onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdeskundige die een onderzoek doet naar de waarachtigheid van de verklaring van een slachtoffer - Zelfde gerechtsdeskundige die de geestestoestand van de beklaagde onderzoekt - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0380.N K. P., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. N. D. S., in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter J. D., burgerlijke partij,
  2. K. R., burgerlijke partij,
  3. I. D., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 februari
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging I.
  6. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  7. Het arrest veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster 1 in eigen naam van een provisionele schadevergoeding, het beveelt een deskundigenonderzoek en het verwijst de zaak voor verdere afhandeling van die burgerlijke rechtsvordering terug naar de eerste rechter. Het arrest houdt wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 1 in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter de beslissing over de interesten en de kosten aan. Dat zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en die beslissingen vallen evenmin, onder een van de uitzonderingen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre het cassatieberoep ook tegen die beslissingen is gericht, is het voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  8. De eiser heeft zijn cassatieberoep niet laten betekenen aan de verweerster 1, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep ook tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering van die verweerster is gericht, is het niet ontvankelijk.
  9. Het cassatieberoep is evenmin betekend aan de verweersters 2 en 3, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep ook tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van die verweersters is gericht, is het evenmin ontvankelijk. Eerste middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen beginsel van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige: het arrest verwerpt eisers verweer dat de verslagen van de door de onderzoeksrechter tweemaal aangestelde gerechtsdeskundige J.D.V. uit het strafdossier en het debat moeten worden geweerd; uit diens op 10 juli 2020 neergelegd verslag blijkt dat hij na kennisneming van het strafdossier de verklaringen van de verweerster 1 als waarachtig beschouwt; daardoor erkende hij haar als slachtoffer en niet meer als vermeend slachtoffer; volgens het op 11 december 2020 neergelegde verslag heeft hij daarna ingevolge een nieuwe aanstelling eisers geestestoestand onderzocht; bijgevolg heeft de gerechtsdeskundige de tweede opdracht uitgevoerd nadat hij over de verklaringen van de verweerster 1 reeds een oordeel had gevormd; deze voorkennis liet hem niet langer toe nog een onpartijdige beoordeling te maken over eisers geestestoestand; bijgevolg moeten beide deskundigenverslagen als bewijsmiddel worden geweerd.
  11. Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige wiens bevindingen van belang zijn voor de beoordeling van de schuld of onschuld van de beklaagde. De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn. Daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de gerechtsdeskundige effectief partijdig heeft gehandeld, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest.
  12. Uit het gegeven dat een door de onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdeskundige na een onderzoek naar de waarachtigheid van een verklaring afgelegd door een zich manifesterend slachtoffer, ook de geestestoestand van een verdachte onderzoekt, volgt niet noodzakelijk dat die deskundige partijdig is bij de uitvoering van de hem door de onderzoeksrechter toevertrouwde opdrachten. De vonnisrechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt.
  13. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest het volgende: - bij de opdracht tot onderzoek van de geestestoestand van de eiser werden ook andere feiten betrokken dan de feiten die op de verweerster 1 werden gepleegd; - beide onderscheiden opdrachten van de gerechtsdeskundige hebben een andere finaliteit. Vooreerst kreeg hij de opdracht het verhoor van de verweerster 1 te analyseren en de waarachtigheid van haar verklaringen na te gaan. Hij diende enkel na te gaan of de verweerster 1 dergelijke verklaring kon afleggen als zij de feiten zelf niet zou hebben meegemaakt. Deze opdracht hield bijgevolg niet in de schuld van de eiser vast te stellen noch de verweerster 1 het statuut van slachtoffer toe te bedelen. De tweede opdracht had betrekking op de geestestoestand van de eiser, wat niet inhoudt dat de gerechtsdeskundige eisers schuld zou vaststellen. Integendeel diende hij enkel een wetenschappelijk onderbouwd advies te verlenen op basis van een psychiatrisch onderzoek, desgevallend gekoppeld aan een psychologisch onderzoek, en daarbij mee te delen of er eventueel een behandelnoodzaak is; - beide onderscheiden opdrachten van de gerechtsdeskundige zijn gesteund op andere, onder meer wetenschappelijke, elementen. Zo verwijst hij in zijn eerste verslag naar de elementen en de nader genoemde specifieke criteria waarop hij zich heeft gesteund om een uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van de verklaring van de verweerster 1, terwijl in het tweede verslag de elementen en wetenschappelijke criteria, daarin begrepen het psychologisch testonderzoek uitgevoerd door psycholoog R.M., waarop het besluit van de gerechtsdeskundige steunt, buiten de studie van het strafdossier, volkomen anders zijn dan deze vermeld in het eerste verslag; - om tot een onderbouwd advies te komen moest de gerechtsdeskundige voor beide opdrachten voorafgaandelijk kennis nemen van het strafdossier, zoals ook uitdrukkelijk opgenomen in de opdrachten van de onderzoeksrechter. Zelfs in de mate beide onderzoeken door verschillende gerechtsdeskundigen zouden zijn uitgevoerd, zou de tweede deskundige kennis hebben gehad van de besluiten van de eerste deskundige; - uit de verslagen van de gerechtsdeskundige blijkt dat hij zich bij beide onderzoeken strikt aan zijn opdracht heeft gehouden en zich niet heeft uitgelaten over de schuld van de eiser. In het tweede verslag stelt hij uitdrukkelijk dat de risicotaxatie op een hoog recidiverisico wijst “zo de feiten bewezen geacht worden”; - het feit dat de gerechtsdeskundige in het besluit van zijn eerste verslag de verweerster 1 eenmaal aanduidt als slachtoffer, is niet van aard anders te moeten oordelen. Op andere plaatsen in dat verslag duidt hij de verweerster 1 immers wel aan met vermeend slachtoffer en heeft hij het over de eiser als vermeende dader; - de eiser maakt niet aannemelijk dat de gerechtsdeskundige niet op professionele, objectieve en wetenschappelijke wijze de beide onderzoeken heeft gedaan noch dat hij zich heeft uitgesproken over de schuld van de eiser; - de verslagen van de gerechtsdeskundige strekken tot louter advies van de rechter die door dit advies in beginsel niet gebonden is. Het staat vast dat hij zich voor zijn advies enkel heeft gebaseerd op de strafinformatie zoals deze voor alle partijen ter beschikking is, op zijn eigen onderzoek en op het onderzoek van de psycholoog. Uit niets blijkt dat hij gebruik zou hebben gemaakt van stukken die hem door een partij zouden zijn overhandigd en door andere partijen of het hof van beroep niet gekend zouden zijn. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat niet blijkt dat de gerechtsdeskundige effectief partijdig heeft gehandeld en er evenmin objectieve gegevens voorhanden zijn die bij de eiser de gewettigde vrees kunnen doen ontstaan dat de gerechtsdeskundige partijdig heeft gehandeld. Die beslissing is naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen beginsel van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aannemelijk maakt dat er in Indonesië een strafdossier bestaat noch dat de politie er daadwerkelijk een onderzoek heeft verricht; met de verwijzing naar het politioneel verslag gevoegd aan het proces-verbaal 5496/20 van 20 december 2020 erkennen de appelrechters immers onrechtstreeks dat in Indonesië onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd; er bestaat dus effectief een Indonesisch strafdossier; door niet in te gaan op de vraag van de eiser om dit onderzoek te voegen, wordt informatie à décharge achtergehouden en wordt eisers recht van verdediging miskend.
  15. Het aangevoerde beginsel van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het onderdeel miskenning van dat beginsel aanvoert, faalt het naar recht.
  16. Met de redenen die het onderdeel vermeldt en die het arrest (nr. 6.2, p. 24-26) bevat, oordelen de appelrechters dat, behoudens uit een bewering van de verweerster 1, nergens uit blijkt dat er in Indonesië vaststellingen werden gedaan of dat daarvan een strafdossier werd opgesteld. Aldus oordelen zij ook niet onrechtstreeks dat er naast het aan het strafdossier gevoegde verslag van de Indonesische politie ook een niet gevoegd strafdossier zou bestaan. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze onjuiste lezing van het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 11, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken: de naar het Engels vertaalde bijlage bij het proces-verbaal 5496/20 van 24 december 2020 is ten onrechte niet vertaald in het Nederlands, gelet op de zwaarwichtigheid die de appelrechters eraan toekennen.
  19. Artikel 40, eerste en tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, bepaalt dat de regels van de Taalwet Gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid en deze nietigheid van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, maar dat elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak is gewezen, de nietigheid dekt van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan.
  20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser noch voor de eerste rechters noch voor de appelrechters de schending van artikel 11 Taalwet Gerechtszaken heeft opgeworpen. Bijgevolg is de door de eiser aangevoerde nietigheid gedekt overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 338,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.