← België

BVBA GECKO HOUSE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.4 Rolnummer: P.22.0300.N Zaak: BVBA GECKO HOUSE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 956 - laatst gezien 2026-06-19 04:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een beklaagde heeft, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor de maatregel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, geen recht op die maatregel en het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het toekennen van die maatregel wenselijk is; bij die beoordeling kan de rechter de aard en de ernst van de feiten betrekken, alsook het gegeven dat niet blijkt dat een veroordeling de sociale reclassering van de beklaagde zal belemmeren en door bij die beoordeling tevens het gegeven te betrekken dat een beklaagde de impact van een veroordeling op zijn sociale reclassering aannemelijk moet maken, legt de rechter deze beklaagde geen onmogelijke bewijslast op. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling - Beoordeling door de rechter - Criteria - Impact op de sociale reclassering van de beklaagde - Aannemelijk maken van de impact door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling - Criteria - Impact op de sociale reclassering van de beklaagde - Aannemelijk maken van de impact door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0300.N GECKO HOUSE bv, met zetel te 9070 Destelbergen, Petegemstraat 2, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Paul Brondel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 21 januari 2022, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 4 mei

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt dat de redelijke termijn ingaat op 20 december 2019, zijnde de datum waarop de dagvaarding aan de eiseres werd betekend, en dat zij vanaf dat ogenblik wist dat zij werd beschuldigd van de feiten van de telastlegging; nochtans is de redelijke termijn beginnen te lopen vanaf de datum waarop aan de eiseres voor het eerst als verdachte een proces-verbaal werd opgestuurd, hetzij kort na de initiële vaststellingen op 25 juni
  3. Het onderdeel dat geheel verplicht tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: er werd geen enkele daad van onderzoek of vervolging gelast tussen 5 mei 2021 (lichten van de expeditie van het arrest van het Hof) en 17 november 2021 (fixatiebericht) en dit zonder dat de eiseres hieraan deel had; de lange procesduur van meer dan drie en half jaar is dan ook niet van aard om nog langer wettig te oordelen dat de redelijke termijn niet overschreden is, zelfs al is deze periode mede te verklaren door het aanwenden van rechtsmiddelen en de tijd die nodig is om die rechtsmiddelen te behandelen.
  5. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke waarbinnen een beklaagde het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, is overschreden. Hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de gerechtelijke overheid en het belang dat de zaak voor de beklaagde heeft. Uit een procesduur van meer dan drie en half jaar of uit de omstandigheid dat er zekere periodes van stilstand zijn, volgt niet noodzakelijk dat de redelijketermijnvereiste is miskend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Op grond van de redenen die het bestreden vonnis bevat, kan het wettig oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 3 Probatiewet: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiseres niet in aanmerking komt voor opschorting van de uitspraak van de veroordeling omdat zij niet aantoont dat een veroordeling haar sociale reclassering zou belemmeren en impliciet omdat de door het beroepen vonnis opgelegde bestraffing gepast is en zelfs mild is; de rechter moet nochtans een afweging maken tussen de zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten en de nadelige effecten van een veroordeling voor de veroordeelde (eerste onderdeel); in haar appelconclusie heeft de eiseres aangevoerd dat het opleggen van een bestraffing, zelfs al is deze van beperkte omvang, van aard is om haar met een strafregister op te zadelen, waardoor zij bepaalde opdrachten in de toekomst zou kunnen mislopen; het bewijs van de omstandigheid dat een veroordeling de sociale reclassering van de eiseres niet zou belemmeren, is praktisch niet te leveren, omdat het een bewijs ad futurum vereist (tweede onderdeel).
  9. Een beklaagde heeft, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor de maatregel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, geen recht op die maatregel.
  10. Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het toekennen van die maatregel wenselijk is.
  11. Bij die beoordeling kan de rechter de aard en de ernst van de feiten betrekken, alsook het gegeven dat niet blijkt dat een veroordeling de sociale reclassering van de beklaagde zal belemmeren.
  12. Door bij die beoordeling tevens het gegeven te betrekken dat een beklaagde de impact van een veroordeling op zijn sociale reclassering aannemelijk moet maken, legt de rechter deze beklaagde geen onmogelijke bewijslast op.
  13. Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering de maatregel te verlenen nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn, en dat de weigeringsbeslissing kan steunen of mede kan steunen op redenen die de rechter aanneemt ter verantwoording van het uitspreken van een straf.
  14. Indien het verzoek om de maatregel van de opschorting te genieten wordt gestaafd met concrete elementen, dan volgt uit artikel 149 Grondwet de verplichting voor de rechter om dit verweer te beantwoorden, zonder dat daarbij moet worden ingegaan op elk argument dat tot staving van dit verzoek wordt aangevoerd.
  15. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  16. De eiseres heeft in het appelgrievenformulier in ondergeschikte orde om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling verzocht. In haar appelconclusie heeft zij verder aangevoerd dat het opleggen van een bestraffing, zelfs beperkt in omvang, van aard is om haar op te zadelen met een strafregister, waardoor zij bepaalde opdrachten in de toekomst zou mislopen.
  17. Het bestreden vonnis oordeelt dat de door de eerste rechter opgelegde geldboete, deels met uitstel van tenuitvoerlegging, wettig is en op passende wijze de bewezen verklaarde feiten bestraft. Het houdt bij de straftoemeting rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin ze zich hebben voorgedaan en het blanco strafregister van de eiseres op het ogenblik van de feiten en oordeelt dat er geen redenen zijn om een zwaardere of een mildere geldboete op te leggen. Het oordeelt verder dat aan de eiseres geen opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan worden verleend omdat niet blijkt dat een veroordeling voor de bewezen verklaarde feiten de sociale reclassering van de eiseres zou belemmeren.
  18. Aldus vermeldt het bestreden vonnis op nauwkeurige wijze de redenen voor het niet-toekennen van de maatregel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, beantwoordt dit het verweer over het mislopen van bepaalde opdrachten dat door de eiseres op geen enkele wijze werd geconcretiseerd en maakt het wel degelijk een afweging tussen de ernst van de feiten en de nadelige effecten van een veroordeling. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.