← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.7 Rolnummer: P.22.0461.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 872 - laatst gezien 2026-06-19 04:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de enkele omstandigheid dat derden in een proces-verbaal bepaalde onderlijningen hebben aangebracht volgt niet dat dit proces-verbaal daardoor een onregelmatig karakter verkrijgt. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Proces-verbaal - Onderlijningen aangebracht door derden in het proces-verbaal - Draagwijdte - Gevolg Fiches 2 - 3 De strafrechter die vaststelt dat een beklaagde de schuld aan de hem verweten feiten niet betwist, kan bij afwezigheid van conclusie volstaan met die vaststelling zodat op hem in een dergelijk geval niet de verplichting rust de voornaamste redenen te vermelden voor de schuldigverklaring en een verdergaande motiveringsplicht kan ook niet uit artikel 6.1 EVRM worden afgeleid. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vonnis dat oordeelt dat de beklaagde geen betwisting voert over de schuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vonnis dat oordeelt dat de beklaagde geen betwisting voert over de schuld - Draagwijdte - Motivering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting voor de rechter om een regelmatig ingediende conclusie te beantwoorden, veronderstelt dat daarin een duidelijke en ondubbelzinnige vordering, verweer of exceptie is geformuleerd; de loutere verwijzing in het dictum van een conclusie naar artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zonder enige nadere concretisering, is geen duidelijke en ondubbelzinnige vordering, verweer of exceptie waarop de rechter moet antwoorden. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verwijzing in het dictum van een conclusie naar artikel 21ter Wetboek van Strafvordering - Geen concretisering - Redelijketermijnverweer - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0461.N T. E. H. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 23 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 32 Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering en artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis dat vaststelt dat in de versie van het aanvankelijk proces-verbaal, zoals dat terug te vinden is in het strafdossier, bepaalde zinnen zijn onderlijnd en deze onderlijningen niet van de hand van de opstellers zijn, oordeelt ten onrechte dat dit proces-verbaal een regelmatig stuk is.
  3. Uit de enkele omstandigheid dat derden in een proces-verbaal bepaalde onderlijningen hebben aangebracht volgt niet dat dit proces-verbaal daardoor een onregelmatig karakter verkrijgt. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt in strijd met eisers grievenformulier dat de eiser zijn schuld niet betwist aan de feiten van de telastleggingen A, B, C en D; uit het grievenformulier blijkt die betwisting wel; de eiser heeft noch bij conclusie noch in zijn pleidooi afstand gedaan van de grief over de schuld.
  5. Het bestreden vonnis wijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het grievenformulier. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. De eiser heeft in zijn appelconclusie geen betwisting gevoerd over de schuld. Met het oordeel dat de eiser in zijn conclusie de schuld aan de hem ten laste feiten niet heeft betwist, geeft het bestreden vonnis van die conclusie een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.
  7. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser in zijn pleidooi op de rechtszitting de schuld aan de hem ten laste gelegde feiten niet heeft betwist. Deze vaststelling heeft bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid. In zoverre het middel opkomt tegen deze vaststelling, is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis laat na enig gegeven te vermelden waaruit hij de schuld van de eiser heeft afgeleid, terwijl uit het grievenschrift blijkt dat de schuld wordt betwist.
  9. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede middel, is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen.
  10. Artikel 149 Grondwet houdt voor de strafrechter niet de verplichting in om bij afwezigheid van een conclusie de gegevens op te geven waarop de beslissing over de schuldigverklaring is gesteund.
  11. De strafrechter die vaststelt dat een beklaagde de schuld aan de hem verweten feiten niet betwist, kan bij afwezigheid van conclusie volstaan met die vaststelling. Op hem rust in een dergelijk geval niet de verplichting de voornaamste redenen te vermelden voor de schuldigverklaring. Uit artikel 6.1 EVRM kan geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid.
  12. In zoverre onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in het beschikkende gedeelte van zijn appelconclusie geformuleerd verzoek om toepassing te maken van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  14. De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting voor de rechter om een regelmatig ingediende conclusie te beantwoorden, veronderstelt dat daarin een duidelijke en ondubbelzinnige vordering, verweer of exceptie is geformuleerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De eiser heeft in het dictum van zijn appelconclusie aangevoerd: “In ondergeschikte orde, [de eiser] het voordeel te verlenen van een milde toepassing van de strafwet, toepassing te maken van art. 195, 6de lid Sv. en art. 21ter CV T.Sv. en [de eiser] het voordeel van uitstel te verlenen voor de opgelegde straf en maatregel(-en)”. Uit de appelconclusie of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt voor het overige niet dat de eiser voor de appelrechters een redelijketermijnverweer heeft gevoerd.
  16. Een dergelijke loutere verwijzing in het dictum van een conclusie naar artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zonder enige nadere concretisering, is geen duidelijke en ondubbelzinnige vordering, verweer of exceptie waarop de rechter moet antwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.