← België

A. contra BELGISCHE STAAT -FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220623.1N.13 Rolnummer: F.21.0052.N Zaak: A. contra BELGISCHE STAAT -FOD FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-07-04 Raadplegingen: 2519 - laatst gezien 2026-06-19 05:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche Daar waar het op grond van artikel 861 Gerechtelijk Wetboek in beginsel aan de partij wiens belangen door de onregelmatigheid zijn geschaad toekomt om een exceptie van nietigheid op te werpen en om belangenschade aan te voeren en te bewijzen, dient de rechter in gevallen waar de onregelmatigheid tot gevolg kan hebben gehad dat een processtuk zoals een dagvaarding of een voorziening in cassatie de partij aan wie deze werd betekend niet heeft bereikt en de onregelmatigheid er bijgevolg de reden van kan zijn dat deze partij niet verschijnt of afwezig blijft, ambtshalve de exceptie van nietigheid op te werpen en, bij toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, maatregelen op te leggen om de onregelmatigheid te regulariseren; deze verplichting voor de rechter vindt zijn grondslag in het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, krachtens hetwelk een partij de mogelijkheid moet krijgen om zijn standpunt voor de rechter uiteen te zetten en zijn belangen te verdedigen Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Cassatieberoep - Fiscale zaken - Onregelmatige betekening - Herstel van bewezen belangenschade - Taak van de rechter - Maatregelen om de onregelmatigheid te regulariseren Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 861 en 1079 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0052.N 1. D. A., 2. S. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de adviseur-generaal Centrum KMO Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 304, voor wie optreedt de directeur van de Stafdienst Logistiek, met kantoor te 1030 Brussel, North Galaxy, Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 maart 2019 (rolnummer 2017/AR/379). Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Over het middel van niet-ontvankelijkheid dat het openbaar ministerie ambtshalve tegen het cassatieberoep opwerpt overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek: het verzoekschrift in cassatie werd niet op regelmatige wijze aan de verweerder betekend. 2. Krachtens artikel 1079, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de voorziening ingesteld door op de griffie van het Hof een verzoekschrift in te dienen, dat in voorkomend geval vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie de voorziening is gericht. Krachtens artikel 705, eerste lid, van dat wetboek wordt de Staat gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar. Artikel 42, 1°, van datzelfde wetboek bepaalt dat de betekeningen aan de Staat worden gedaan op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar onverminderd de in artikel 705 gestelde regels. Krachtens het enig artikel van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan, worden de dagvaardingen, betekeningen en kennisgevingen aan de Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, gedaan op het kantoor van de directeur van de Stafdienst Logistiek, Brussel, North Galaxy, Toren B, 2e verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, te 1030 Brussel. Krachtens artikel 47bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zijn de in hoofdstuk VII “Betekeningen, kennisgevingen, neerleggingen en mededelingen” van het Eerste Deel van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen bepalingen voorgeschreven op straffe van nietigheid. 3. Het cassatieberoep is gericht tegen “de Belgische Staat – FOD Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal te Centrum KMO Gent” en werd aan de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent betekend. De betekening van het verzoekschrift in cassatie gebeurde aldus noch aan het kabinet van de minister van Financiën, noch aan de ambtenaar die is aangewezen in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan. 4. Onder verwijzing naar de circulaire AAFisc Nr. 12/2016 (nr. Ci.704.999) en naar de omstandigheid dat de verweerder voor de appelrechter steeds vertegenwoordigd werd door de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent en het ook die ambtenaar is die als vertegenwoordiger van de minister van Financiën het bestreden arrest aan de eisers heeft betekend, werpen de eisers op dat: - het standpunt volgens hetwelk de ambtenaar die in de bodemprocedure de minister van Financiën vertegenwoordigt waarbij in het kader van die bodemprocedure steeds het adres van het kantoor van die ambtenaar wordt vermeld, niet door de minister is aangewezen om de betekening van een cassatieberoep te ontvangen, een werkelijke misleiding uitmaakt van de rechtsonderhorigen die gewettigd erop moeten kunnen vertrouwen dat het verzoekschrift in cassatie aan deze ambtenaar mag worden betekend; - het recht op toegang tot de rechter van de eisers wordt beknot indien (

  1. i)ervan wordt uitgegaan dat artikel 42, 1° en 705, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de aanwijzing van de bevoegde ambtenaar ofwel bij ministerieel besluit ofwel uitdrukkelijk in de zin van schriftelijk moet gebeuren en indien (
  2. ii)de rechtszoekende niet erop kan vertrouwen dat het verzoekschrift tot cassatie ook kan worden betekend aan de adviseur-generaal van het bevoegde KMO Centrum die de minister van Financiën in het geding voor de appelrechter heeft vertegenwoordigd en aan wiens vertegenwoordiging geen einde werd gesteld; - de verweerder doelbewust geen memorie van antwoord heeft ingediend in de eerste cassatieprocedure maar verkozen heeft het bestreden arrest aan de eisers te betekenen in de hoop dat zij binnen die termijn geen nieuwe voorziening zouden betekenen op het kabinet van de minister van Financiën of op het kantoor van de ambtenaar aangewezen in het ministerieel besluit van 25 oktober 2012; de verweerder verder doelbewust geen memorie van antwoord heeft ingediend in antwoord op de huidige, tweede voorziening in de hoop dat het cassatieberoep zou worden verworpen omdat het niet werd betekend op het kabinet van de minister van Financiën of op het kantoor van de ambtenaar aangewezen in het ministerieel besluit van 25 oktober 2012; zulks neerkomt op procesrechtsmisbruik, dat moet worden gesanctioneerd door het cassatieberoep ontvankelijk te verklaren; - geen effectieve belangenschade is aangetoond in hoofde van de Belgische Staat. 5. De circulaire AAFisc Nr. 12/2016 (nr. Ci.704.999) van 5 april 2016 uitgevaardigd namens de minister van Financiën bepaalt : “Als gevolg van deze herstructurering zal de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, handelend ten verzoeke van de directeurs van de directe belastingen, van de btw of van het controlecentrum vanaf 01.01.2016 vertegenwoordigd worden, bij gerechtelijke geschillen, door de adviseur-generaal-directeurs van de KMO-centra, in functie van hun doelgroep, waarbij de adviseurs-generaal handelen ex officio als orgaan van de Staat. De betekeningen van de uitspraken en arresten mogen bijgevolg vanaf 01.01.2016 gedaan worden hetzij aan de minister van Financiën, hetzij aan de door hem gedelegeerde ambtenaar (artikel 42, 1° G.W.), hetzij aan de territoriaal bevoegde adviseurs-generaal van de centra KMO”. Deze circulaire bepaalt duidelijk dat de Belgische Staat vanaf 1 januari 2016 bij gerechtelijke geschillen wordt vertegenwoordigd door de adviseurs-generaal van de centra KMO en dat “uitspraken en arresten” aan hen mogen worden betekend. De circulaire bepaalt niet en creëert ook niet het gewettigd vertrouwen dat ook een verzoekschrift in cassatie aan de adviseurs-generaal van de centra KMO kan worden betekend. Het verzoekschrift in cassatie dient onmiskenbaar bij toepassing van artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 nog steeds te worden betekend op het kantoor van de directeur van de Stafdienst Logistiek te Brussel. Het recht op toegang tot de rechter van belastingplichtige wordt niet beknot doordat van hem wordt verwacht dat het verzoekschrift tot cassatie aan deze dienst wordt betekend. Het Hof heeft eerder reeds geoordeeld, in zijn arrest van 29 juni 2018 in de zaak F.17.0144.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.4 evenals in zijn arrest van 20 december 2018 in de zaak F.17.0095.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181220.4, dat een verzoekschrift in fiscale zaken moet worden betekend aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, hetzij aan het kabinet van die minister, hetzij aan het kantoor van de ambtenaar die aangewezen wordt door artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan, en niet aan het kantoor van de adviseur van het KMO Centrum. De aanvoering dat de artikelen 42,1° en 705, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek onduidelijk zouden zijn omdat zij niet duidelijk en concreet de wijze preciseren waarop de minister de ambtenaar aan wie kan worden betekend aanwijst, kan dan ook niet worden bijgetreden en de hierop gebaseerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient niet te worden gesteld. 6. Uit het voorgaande volgt tevens dat het feit dat de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent de minister van Financiën steeds heeft vertegenwoordigd in de procedure voor de appelrechter, niet kan worden ingeroepen om te argumenteren dat de adviseur-generaal door de minister van Financiën in de zin van artikel 705, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek werd aangewezen om de betekening van een cassatieberoep te ontvangen. De omstandigheid dat het bestreden arrest op 18 februari 2021 aan de eisers werd betekend op verzoek van de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent heeft in geen geval tot gevolg dat het verzoekschrift in cassatie tegen de Belgische Staat aan die adviseur kon worden betekend en evenmin dat die adviseur in de zin van voornoemd artikel 705 Gerechtelijk Wetboek zou zijn aangewezen door de minister van Financiën om de betekeningen te ontvangen die aan hem moeten worden gedaan. 7. Uit de omstandigheid dat de verweerder het bestreden arrest aan de eisers heeft laten betekenen nadat het eerdere verzoekschrift tot cassatie van de eisers, waarvan zij naderhand afstand hebben gedaan, aan de verweerder werd betekend, kan niet worden afgeleid dat de verweerder bewust heeft nagelaten om in het kader van zowel het eerste als het tweede cassatieberoep een memorie van antwoord neer te leggen, in de hoop dat het Hof de voorziening onontvankelijk zou verklaren en in de wetenschap dat men volgens eerdere rechtspraak van het Hof niet met succes kan opwerpen dat de betekening van het verzoekschrift in cassatie nietig is wanneer de verweerder een memorie van antwoord heeft neergelegd. De betekening van het bestreden arrest nadat reeds door de eisers een eerste cassatieberoep was aangetekend, kan, gelet op de relatief korte tijdspanne tussen de betekening van het eerste verzoekschrift in cassatie en de betekening van het bestreden arrest, evenzeer het gevolg zijn van het feit dat de ambtenaar van de verweerder die opdracht gaf om het bestreden arrest te betekenen op dat ogenblik nog geen kennis had van het cassatieberoep. 8. Krachtens artikel 861, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Krachtens artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek maakt de rechter, wanneer hij vaststelt dat de bewezen belangenschade kan worden hersteld, op kosten van de opsteller van de onregelmatige akte, de verwerping van de exceptie van nietigheid afhankelijk van de uitvoering van de maatregelen waarvan hij de inhoud en de termijn waarna de nietigheid zal worden verkregen, bepaalt. Daar waar het op grond van deze bepaling in beginsel aan de partij wiens belangen door de onregelmatigheid zijn geschaad toekomt om een exceptie van nietigheid op te werpen en om belangenschade aan te voeren en te bewijzen, dient de rechter in gevallen waar de onregelmatigheid tot gevolg kan hebben gehad dat een processtuk zoals een dagvaarding of een voorziening in cassatie de partij aan wie deze werd betekend niet heeft bereikt en de onregelmatigheid er bijgevolg de reden van kan zijn dat deze partij niet verschijnt of afwezig blijft, ambtshalve de exceptie van nietigheid op te werpen en, bij toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, maatregelen op te leggen om de onregelmatigheid te regulariseren. Deze verplichting voor de rechter vindt zijn grondslag in het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, krachtens hetwelk een partij de mogelijkheid moet krijgen om zijn standpunt voor de rechter uiteen te zetten en zijn belangen te verdedigen. In voorliggend geval kan de onregelmatige betekening van het verzoekschrift in cassatie er de reden van zijn dat de verweerder geen memorie van antwoord heeft neergelegd en ter zitting van 23 juni 2022 niet is verschenen. Bij toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, verleent het Hof de eisers de mogelijkheid om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022, op hun kosten, het verzoekschrift in cassatie opnieuw te betekenen, ditmaal aan het kabinet van de minister van Financiën of aan de ambtenaar die is aangewezen in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere beslissing aan en verleent de eisers de mogelijkheid om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022, op hun kosten, het verzoekschrift in cassatie te betekenen aan het kabinet van de minister van Financiën of aan de ambtenaar die is aangewezen in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan. Stelt de zaak in voortzetting op de rechtszitting van 25 november 2022. Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 23 juni 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220623.1N.13 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181220.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.