id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.1 Rolnummer: P.22.0264.N Zaak: E. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 857 - laatst gezien 2026-06-16 03:11 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het in artikel 380, § 1, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van exploitatie van de ontucht of prostitutie van een ander vereist niet dat de dader met kwaadwilligheid heeft gehandeld
(1).
(1)Artikel 380 Strafwetboek is met ingang van 1 juni 2022 opgeheven bij art. 117, 14° van de Wet 21 maart 2022 houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht (BS 30 maart 2022); “Misbruik van prostitutie” is thans omschreven in “Hoofdstuk IIIbis/
- Misbruik van prostitutie”, artikel 433quater/1 tot en met artikel 433quater/8 Strafwetboek, ingevoerd bij gemelde wet van 21 maart
- Thesaurus CAS: ONTUCHT EN PROSTITUTIE Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 380, § 1, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 380, § 1, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0264.N I E O, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fatima Oraibi, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen E P, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is het cassatieberoep van de eiser niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en van het beginsel dat twijfel in het voordeel van de beklaagde is: het oordeel dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de exploitatie van de prostitutie van de verweerster miskent het vermoeden van onschuld en is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt niet op eisers appelconclusie waarin hij had aangevoerd dat niet boven redelijke twijfel bewezen is dat er sprake was van exploitatie van de prostitutie noch van de verzwarende omstandigheid van geweld en dwang; uit het arrest blijkt dat er sprake is van twijfel over het bewijs van het materiële element, namelijk de exploitatie, en het morele element, namelijk de kwaadwilligheid, van het misdrijf van exploitatie van de prostitutie van een ander; het arrest leidt zonder verdere uitwerking en zelfs met een tegenstrijdige motivering de exploitatie door de eiser van de prostitutie van de verweerster af uit belastende gegevens die niet werden onderzocht en die in het nadeel van de eiser worden uitgelegd.
- Het in artikel 380, § 1, 4°, Strafwetboek, zoals hier van toepassing, bedoelde misdrijf van exploitatie van de ontucht of prostitutie van een ander vereist niet dat de dader met kwaadwilligheid heeft gehandeld.
- De loutere omstandigheid dat de rechter vaststelt dat bepaalde feitelijke gegevens niet werden onderzocht, belet hem niet om het bewijs van een misdrijf te baseren op andere feitelijke gegevens. Hierdoor miskent de rechter niet het vermoeden van onschuld.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het middel preciseert niet welke redenen van het arrest tegenstrijdig zijn. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest oordeelt op grond van een tegenstrijdige motivering, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 11-12) oordeelt onder meer al volgt: - het souteneurschap is sedert de wet van 13 april 1995 als dusdanig niet meer strafbaar. Dit betekent evenwel niet dat de persoon die, geheel of ten dele, leeft op kosten van de persoon wiens prostitutie hij exploiteert niet strafbaar meer is. De wetgever heeft het begrip souteneur laten vallen om te vermijden dat het louter samenleven met een prostituee zou worden bestraft. Het is niet meer strafbaar om binnen de huishoudelijke sfeer mee te genieten van de inkomsten uit prostitutie van de persoon, met wie men samenleeft, indien er geen sprake is van exploitatie; - in casu is er, naar het oordeel van het hof van beroep wel degelijk sprake van exploitatie van de verweerster tussen 7 oktober 2020 en 23 november 2020; - de eiser drong er voor en tijdens de incriminatieperiode bij de verweerster op aan dat ze zich zou prostitueren, in de context van een gewelddadige relatie met een aanzienlijk leeftijdsverschil van zeventien jaar waarin fysiek geweld niet werd geschuwd en eiser quasi permanent onder invloed was. Bovendien heeft de verweerster een lichte mentale handicap en was de eiser hiervan op de hoogte; - de eiser regelde ook deels de prostitutie van de verweerster onder andere door afspraken te maken met klanten of door klanten af te dreigen die op de prijs wilden afdingen; - de verweerster kon pas uit de prostitutie stappen naar aanleiding van een politionele tussenkomst waarbij ze spontaan aan de verbalisanten meedeelde dat ze zich op vraag van de eiser moest prostitueren en dat ze wilde stoppen, maar dit niet durfde. Na deze politionele tussenkomst blijkt dat de verweerster effectief uit de prostitutie is gestapt; - het is duidelijk dat de eiser “op de kap” leefde van de verweerster en dus een financieel voordeel haalde uit de prostitutie van de verweerster en er zijn hoofdbron van inkomsten van maakte. Zij diende in te staan voor de betaling van de huisvesting door het huren van dure kamers via booking.com, de financiering van de drug- en alcoholverslaving van de eiser en voor het eten. Het blijkt duidelijk uit de geloofwaardige verklaring van C.P. dat de verweerster op een avond 800,00 euro had verdiend en de eiser hiermee een feestje heeft gehouden voor zijn vrienden met drugs en alcohol; - gelet op het bovenstaande is er geen sprake van een toegelaten samenleven met een prostituee die uit vrije wil in de prostitutie is gestapt maar wel van exploitatie door de eiser van de ontucht van de verweerster. Het klopt dat er geen onderzoek werd verricht naar de klanten van de verweerster of de verrichtingen op de bankrekeningen van de eiser en de verweerster, maar gelet op het bovenstaande staat de exploitatie door de eiser met zekerheid vast. Mogelijk genoot de eiser van een werkloosheidsuitkering op het moment van de feiten, maar dit neemt niet weg dat hij de inkomsten van de prostitutie van de verweerster afroomde onder andere voor onderdak en om zijn drank- en drugverslaving te financieren. Indien hij inkomsten had, werden deze zeker niet aangewend voor het samenleven met de verweerster; - uit de sms-berichten tussen de moeder van de verweerster en de verweerster tussen 16 september 2020 en 14 oktober 2020 blijkt dat P.C. op bepaalde momenten met haar dochter wou breken. Dit maakt de verklaring van P.C. niet ongeloofwaardig dat haar dochter haar op verschillende momenten heeft gesproken met betrekking tot de exploitatie van haar prostitutie door de eiser; - het klopt ook dat uit de exploitatie van de geluidsfragmenten blijkt dat de verweerster in vele gevallen zelf haar afspraken regelde en kordaat optrad ten aanzien van de klanten. Dit neemt de exploitatie door de eiser echter niet weg. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters de in het middel aangehaalde conclusie van de eiser en zetten zij omstandig uiteen op grond van welke gegevens zij de eiser schuldig achten aan de exploitatie van de prostitutie van de verweerster, zonder dat uit die redenen blijkt dat er twijfel is over het bewijs van één of meerdere van die gegevens. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6 EVRM: de schuldigverklaring van de eiser aan de exploitatie van de prostitutie van de verweerster is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest baseert zich op tegenstrijdige redenen door enerzijds te oordelen dat de verweerster zelf de afspraken regelde en kordaat optrad ten aanzien van de klanten en anderzijds vast te stellen dat de verweerster een lichte mentale handicap heeft; het arrest motiveert ook niet op grond waarvan het oordeelt dat de eiser “op de kap leefde” van de verweerster, noch uit welk element zou blijken dat de eiser enige handeling heeft gesteld die als exploitatie van de prostitutie moet worden beschouwd; evenmin antwoordt het arrest op eisers argumentatie, zoals uitvoerig in zijn appelconclusie uiteengezet, over het gebrek aan bewijs van materieel laakbare handelingen, zodat het onvoldoende is gemotiveerd; dit laatste houdt ook een miskenning in van eisers recht op een eerlijk proces, dat immers vereist dat de eiser kan weten op welke feitelijke en juridische gronden hij werd veroordeeld.
- Redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig indien ze elkaar tenietdoen of opheffen. Dat is niet geval met de in het middel vermelde redenen van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het middel specificeert niet op welk verweer precies van de appelconclusie het arrest niet heeft geantwoord. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat het arrest de redenen bevat die toelaten te weten op welke feitelijke en juridische gronden de appelrechters de eiser schuldig achten aan de exploitatie van de prostitutie van de verweerster met gebruik van geweld, bedreigingen of dwang. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de verwerping van zijn cassatieberoep verkrijgt de beslissing op de strafvordering voor wat betreft de eiser kracht van gewijsde. In zoverre zijn cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing over zijn onmiddellijke aanhouding, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div