id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.10 Rolnummer: P.21.1506.N Zaak: B. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 729 - laatst gezien 2026-06-16 03:11 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche De bestuurder van een bus die, ook al is het kort, stilstaat aan een halte om passagiers in en uit de bus te laten, is niet in beweging; het voorbijrijden van een bus die aan een halte stilstaat, vormt dan ook geen inhaalmanoeuvre in de zin van artikel 16.1 Wegverkeersreglement. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 16 - Artikel 16.1 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 16.1 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1506.N I B E L B, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amarikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, II AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amarikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen M V G, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 29 oktober 2021. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers doen afstand van hun cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing om hen in solidum te veroordelen tot het betalen van een provisionele vergoeding van 2.000,00 euro aan de verweerder en het debat te heropenen voor verduidelijkingen omtrent de aard van het ongeval en de omvang van burgerlijke rechtsvordering van de verweerder, omdat dit geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420 Wetboek van Strafvordering zijn. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en artikel 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de komst van de verweerder voor de eiser I niet onvoorzienbaar was; zij steunen dit oordeel op de verklaring van de getuige W., die het voertuig van de eiser I volgde, dat zij bij de aanvang van diens afdraaimanoeuvre de naderende motorfiets had opgemerkt; in hun appelconclusie hebben de eisers aangevoerd dat de eiser I, anders dan de getuige, reeds naar links was voorgesorteerd en hun zicht op het tegenliggend verkeer aldus verschilde; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord en verantwoorden hun beslissing hierdoor niet naar recht. 2. De appelrechters stellen vast dat: - de getuige W. verklaarde dat zij achter het voertuig van de eiser I reed, die linksaf wilde slaan en daartoe zijn linker richtingaanwijzer gebruikte om af te slaan; - de eiser I verklaarde dat hij linksaf wilde slaan, hij stilstond met zijn voertuig, de richting aangaf met zijn richtingaanwijzers en afsloeg toen hij zag dat er niemand afkwam; - deskundige Opdorp in zijn verslag specificeerde dat “ongeveer 1 seconde voor de impact de wagen (van de eiser I) de rijstrook richting Ekeren begon op te rijden, op een moment dat de motorfiets genaderd was tot op 19,4 meter”. 3. Met het oordeel dat de getuige W. zich in het voertuig vlak achter de eiser I bevond en aldus geen beter zicht had op het tegenliggend verkeer, terwijl in geen van de voormelde verklaringen melding wordt gemaakt van het gegeven dat de eiser I zich – anders dan de getuige – reeds naar links zou hebben begeven, geven de appelrechters te kennen dat de eiser I zich niet heeft voorgesorteerd en verwerpen en beantwoorden zij aldus het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 4. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en artikel 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen, met verwijzing naar de verklaring van de getuige W., ten onrechte dat de komst van de verweerder voor de eiser I niet onvoorzienbaar was; in hun appelconclusie hebben de eisers aangevoerd dat de onvoorzienbaarheid van de verweerder het gevolg was van diens roekeloos en foutief rijgedrag; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord en verantwoorden hun beslissing hierdoor niet naar recht. 6. In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, mist het om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit onderdeel feitelijke grondslag. 7. De appelrechters oordelen dat: - de eiser, die naar links wilde afslaan, voorrang diende te verlenen aan de tegenliggers op de rijbaan die hij wenste te verlaten; - voorrang verlenen inhoudt dat men slechts mag rijden indien dit, rekening houdend met de plaats van de andere weggebruikers (waar deze zich ook bevinden), hun snelheid (welke deze ook
- is)en hun verwijderingsafstand, kan gebeuren zolang het manoeuvre duurt, over de gehele breedte van de rijbaan en dus onafhankelijk van de inachtneming van de verkeersvoorschriften door de voorranghebbende weggebruikers; - dit impliceert dat de voorrangsplichtige moet kunnen schatten op welke afstand en aan welke snelheid de voorranghebbende is en rijdt; - de enige uitzondering is wanneer de voorrangsgerechtigde onvoorzienbaar is, wat in casu – zoals blijkt uit de verklaring van de getuige W. – niet het geval was. Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat noch de plaatsgesteldheid, noch de door de eisers aangevoerde foutieve handelwijze van de verweerder diens nadering voor de eiser I onvoorzienbaar maakte. Aldus verwerpen en beantwoorden zij het in het onderdeel vermelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 8. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel Eerste subonderdeel 9. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en de artikelen 16 en 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het voorbijrijden van de stilstaande bus niet als een inhaalmanoeuvre in de zin van voormeld artikel 16 kan worden gekwalificeerd en verantwoorden hun beslissing dat de eiser schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten en de verweerder geen fout in oorzakelijk verband met de schade heeft begaan, bijgevolg niet naar recht. 10. Artikel 16.1 Wegverkeersreglement bepaalt: “Het inhalen geldt slechts ten aanzien van bestuurders die in beweging zijn”. De bestuurder van een bus die, ook al is het kort, stilstaat aan een halte om passagiers in en uit de bus te laten, is niet in beweging. Het voorbijrijden van een bus die aan een halte stilstaat, vormt dan ook geen inhaalmanoeuvre in de zin van voormeld artikel 16.1. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het subonderdeel niet ontvankelijk. Tweede subonderdeel 12. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 16 en 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het voorbijrijden van een stilstaande bus niet onvoorzichtig was aangezien volgens deskundige Opdorp de verweerder zicht had op het tegenliggend verkeer; deze deskundige stelt evenwel dat de verweerder slechts tijdens het voorbijrijden van de bus zicht had op het tegemoetkomende verkeer; in zoverre de appelrechters oordelen dat de verweerder reeds vóór het voorbijrijden van de bus een dergelijk zicht had, geven ze van het verslag van de deskundige een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is; hieruit volgt tevens dat de veroordeling van de eiser I alsook het oordeel dat de verweerder geen fout heeft begaan evenmin naar recht is verantwoord. 13. Met het oordeel dat het voorbijrijden van de bus geen onvoorzichtige handeling betrof vermits “[de verweerder] wel degelijk zicht had op het tegenliggend verkeer zoals blijkt uit verslag van deskundige Opdorp”, geven de appelrechters van dit verslag een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 14. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten. In zoverre is het subonderdeel niet ontvankelijk. Derde subonderdeel 15. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en artikel 19.3.3°, Wegverkeersreglement: in haar appelconclusie heeft de eiseres II aangevoerd dat, zelfs zo wordt aangenomen dat het voorbijrijden van de bus geen inhaalmanoeuvre uitmaakt, de verweerder op grond van artikel 15.2 Wegverkeersreglement gehouden was om te vertragen en te stoppen; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord en verantwoorden hun beslissingen dan ook niet naar recht. 16. De appelrechters oordelen dat de snelheidsinbreuk van de verweerder op basis van de verslagen van de deskundigen is bewezen, maar dat deze snelheidsovertreding niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval. Met dit oordeel verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het subonderdeel vermelde verweer. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 17. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het subonderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: de appelrechters oordelen dat de overdreven snelheid van de verweerder niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval aangezien hij ook bij een lagere snelheid de aanrijding niet had kunnen vermijden; zij oordelen hierbij dat de snelheid op zich niet met zekerheid bijdroeg tot de omvang van de fysieke schade, die niet levensbedreigend was en dat het evenmin met zekerheid vaststaat dat de materiële of andere schade beperkter was geweest indien de verweerder aan de toegelaten maximumsnelheid had gereden; aldus stellen de appelrechters niet vast dat zonder de fout van de verweerder de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zoals deze zich in concreto heeft voorgedaan. 19. Degene die schadevergoeding vordert, moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweten handelwijze correct was uitgevoerd. De rechter moet aldus bepalen wat de betrokkene had moeten doen om rechtmatig te handelen. Hij moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan. Indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade. 20. De appelrechters, die oordelen dat het niet zeker is dat zonder de foutieve handelwijze van de verweerder, met name het voeren van een te hoge snelheid, de omvang van de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan anders zou zijn geweest, verantwoorden deze beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstanden, zoals gevorderd. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 125,81 euro, waarvan de eiser I 64,65 euro is verschuldigd en de eiseres II 26,16 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.