id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.11 Rolnummer: P.22.0028.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 925 - laatst gezien 2026-06-19 01:56 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Volgens artikel 23, § 6, eerste lid, WBN is een cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een op grond van artikel 23, § 1, WBN ingestelde vordering tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit slechts ontvankelijk indien is voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) het cassatieberoep moet met redenen zijn omkleed, 2) voor het hof van beroep moet zijn aangenomen of beweerd dat de staat van Belg van de verweerder in de vordering tot vervallenverklaring het gevolg is van de omstandigheid dat de ouder van wie de betrokkene zijn nationaliteit heeft verkregen op zijn geboortedag zelf Belg was, en 3) bij het cassatieberoep moet de schending of de verkeerde toepassing van wetten waarop het rechtsmiddel is gegrond dan wel het ontbreken van een reden tot afwijzing worden ingeroepen; artikel 23, § 6, eerste lid, WBN laat de verweerder in een procedure tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit evenwel niet toe om andere middelen voor het Hof van Cassatie aan te voeren dan deze die de onwettige of onregelmatige afwijzing van zijn staat van Belg, waarop de verweerder zich voor de appelrechters heeft beroepen, bekritiseren
(1).
(1)Cass. 12 mei 2021, AR P.21.0228.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230118.2F.2, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.7, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van de Belgische nationaliteit - 28-06-1984 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1984900065 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Verband met bestreden beslissing Wettelijke bepalingen: Wetboek van de Belgische nationaliteit - 28-06-1984 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1984900065 Thesaurus CAS: NATIONALITEIT Wettelijke bepalingen: Wetboek van de Belgische nationaliteit - 28-06-1984 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1984900065 Fiche 4 De vervallenverklaring van de nationaliteit bij toepassing van artikel 23, § 1, 2°, WBN, is een maatregel van burgerlijke aard die wordt opgelegd aan personen die op ernstige wijze zijn tekortgekomen aan hun verplichtingen als Belg; bij deze beoordeling kan de rechter rekening houden met het gegeven dat de persoon in kwestie is veroordeeld voor ernstige strafrechtelijke feiten, zoals het leiden van een terroristische groep. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT Fiches 5 - 9 Het Hof stelt vast dat de wetgever de rechtszoekende die een cassatieberoep wil instellen tegen een beslissing tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit verschillend behandelt naargelang het verval is uitgesproken in een burgerlijke procedure door het hof van beroep, zetelend in eerste en laatste aanleg, na een strafrechtelijke veroordeling en een dergelijk verval is uitgesproken door de strafrechter, die in eenzelfde beslissing uitspraak doet over de strafvordering; er is dan ook grond tot het stellen van hierna omschreven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
(1).
(1)Cass. 12 mei 2021, AR P.21.0228.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230118.2F.2, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.7, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT PREJUDICIEEL GESCHIL GRONDWETTELIJK HOF CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Verband met bestreden beslissing Tekst van de beslissing Nr. P.22.0028.N S M, persoon van wie het verval van de Belgische nationaliteit wordt gevorderd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, familiekamer, van 14 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart de eiser met toepassing van artikel 23, § 1, 2°, WBN vervallen van de Belgische nationaliteit.
- Volgens artikel 23, § 6, tweede alinea, WBN wordt de voorziening in cassatie ingesteld en berecht zoals is voorgeschreven voor de voorzieningen in criminele zaken.
- Artikel 23, § 1, 2°, WBN bepaalt dat Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder of adoptant die op de dag van hun geboorte Belg was, alsook Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van de artikelen 11 en 11bis WBN, van de Belgische nationaliteit kunnen worden vervallen verklaard wegens ernstige tekortkomingen aan hun verplichtingen als Belgische burger.
- Artikel 23, § 3, WBN bepaalt dat het hof van beroep van de hoofdverblijfplaats van de verweerder in België of bij gebreke daarvan het hof van beroep te Brussel, in eerste en laatste aanleg uitspraak doet over de vordering tot vervallenverklaring van het openbaar ministerie.
- Volgens artikel 23, § 6, eerste lid, WBN is een cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een op grond van artikel 23, § 1, WBN ingestelde vordering tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit slechts ontvankelijk indien is voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) het cassatieberoep moet met redenen zijn omkleed; 2) voor het hof van beroep moet zijn aangenomen of beweerd dat de staat van Belg van de verweerder in de vordering tot vervallenverklaring het gevolg is van de omstandigheid dat de ouder van wie de betrokkene zijn nationaliteit heeft verkregen op zijn geboortedag zelf Belg was, en 3) bij het cassatieberoep moet de schending of de verkeerde toepassing van wetten waarop het rechtsmiddel is gegrond dan wel het ontbreken van een reden tot afwijzing worden ingeroepen.
- Het Hof stelt vast dat: - de eiser in zijn appelconclusie niet heeft beweerd dat hij de Belgische nationaliteit heeft verkregen van een persoon die Belg was op het ogenblik van zijn geboorte; dit wordt door het hof van beroep ook niet aangenomen; - de eiser in zijn memorie twee middelen aanvoert; het eerste middel houdt voor dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit geen straf is, zodat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing is; het tweede middel voert aan dat de appelrechters ten onrechte eisers stelling afwijzen dat hij recht heeft op een tweede aanleg en hierbij ten onrechte weigeren de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Hieruit volgt dat het cassatieberoep, met de daartoe aangevoerde stavende middelen, niet beantwoordt aan de vereisten waaraan artikel 23, § 6, eerste lid, WBN de ontvankelijkheid van het cassatieberoep onderwerpt.
- De vervallenverklaring van de nationaliteit is een maatregel van burgerlijke aard die wordt opgelegd aan personen die op ernstige wijze zijn tekortgekomen aan hun verplichtingen als Belg. Bij deze beoordeling kan de rechter rekening houden met het gegeven dat de persoon in kwestie is veroordeeld voor ernstige strafrechtelijke feiten, zoals het leiden van een terroristische groep. Artikel 23, § 6, eerste lid, WBN laat de verweerder in een procedure tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit evenwel niet toe om andere middelen voor het Hof van Cassatie aan te voeren dan deze die de onwettige of onregelmatige afwijzing van zijn staat van Belg, waarop de verweerder zich voor de appelrechters heeft beroepen, bekritiseren.
- De artikelen 23/1, 1° en 2° en 23/2, § 1, WBN laten de strafrechter die een gevangenisstraf van vijf jaar zonder uitstel uitspreekt voor een misdrijf als bedoeld in deze bepalingen toe om, op vordering van het openbaar ministerie, tevens het verval van de Belgische nationaliteit uit te spreken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder of een adoptant die Belg was op de dag van hun geboorte en van Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van artikel 11, eerste lid, 1° en 2°, WBN. Deze misdrijven omvatten onder meer het leiden van een terroristische groep.
- Anders dan artikel 23, § 6, WBN bevatten deze artikelen geen beperkingen op het instellen van een cassatieberoep tegen een beslissing, gewezen in laatste aanleg, die samen met een strafsanctie het verval van de Belgische nationaliteit uitspreekt. Hieruit volgt dat, wanneer het verval van de Belgische nationaliteit op grond van deze bepalingen wordt uitgesproken de ontvankelijkheid van het cassatieberoep wordt beoordeeld door de gemeenrechtelijke regels, zoals uiteengezet in de artikelen 416 en volgende Wetboek van Strafvordering.
- Het Hof stelt dan ook vast dat de wetgever de rechtszoekende die een cassatieberoep wil instellen tegen een beslissing tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit verschillend behandelt naargelang het verval is uitgesproken in een burgerlijke procedure door het hof van beroep, zetelend in eerste en laatste aanleg, na een strafrechtelijke veroordeling en een dergelijk verval is uitgesproken door de strafrechter, die in eenzelfde beslissing uitspraak doet over de strafvordering. Er is dan ook grond tot het stellen van hierna omschreven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Middelen
- De beslissing over de middelen wordt aangehouden in afwachting van een antwoord van het Grondwettelijk Hof op de gestelde prejudiciële vraag. Dictum Het Hof, Houdt de beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 23, § 6, eerste lid, WBN de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre dit de ontvankelijkheid van een cassatieberoep van de verweerder in een procedure waarbij het verval van zijn Belgische nationaliteit wordt gevorderd aan de dubbele voorwaarde onderwerpt dat hij voor het hof van beroep tevergeefs heeft aangevoerd dat hij de staat van Belg heeft verkregen door een ouder die op zijn geboortedag zelf Belg was en dat het cassatiemiddel de schending of de onjuiste toepassing van de wettelijke bepalingen waarop dit rechtsmiddel is gegrond dan wel het ontbreken van een reden tot afwijzing inroept, terwijl een cassatieberoep van een beklaagde tegen een beslissing tot vervallenverklaring van zijn Belgische nationaliteit, uitgesproken samen met een gevangenisstraf bij toepassing van de artikelen 23/1, 1° en 2° en 23/2, § 1, WBN, niet aan dergelijke restrictieve voorwaarden is onderworpen?” Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230118.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div