← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12 Rolnummer: P.21.1449.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 1052 - laatst gezien 2026-06-18 20:04 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat ingeval een beklaagde de rechter verzoekt om hem probatie-uitstel te verlenen en dit wettelijk mogelijk is, de rechter die beslissing nauwkeurig met redenen moet omkleden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn; indien de beklaagde tot staving van zijn verzoek om probatie-uitstel concrete gegevens aanvoert, dan moet blijken dat de rechter die bij zijn beoordeling heeft betrokken en moet hij overeenkomstig artikel 149 Grondwet dit verzoek beantwoorden, zonder dat is vereist dat de rechter ingaat op elk concreet gegeven dat tot staving van het verzoek is aangevoerd; de rechter kan een afwijzing van een verzoek om probatie-uitstel, ook als dit verzoek is gestaafd met concrete gegevens, motiveren door opgave van redenen waaruit de noodzaak blijkt om een effectieve straf op te leggen. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Een beklaagde kan, zelfs als hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor probatie-uitstel, geen recht op een dergelijk uitstel laten gelden maar het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting een probatie-uitstel aangewezen is; die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter ook de vergeldende of de algemene of specifieke preventieve werking die van een straf kunnen uitgaan als een strafdoelstelling hanteert, naaste andere, en hij zijn straftoemetingsbeslissing erop afstemt

(1).
(1)Contra J. ROZIE, “de strafdoelstellingen in het licht van de gewijzigde rechtspraak van het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 16 maart 2021), NC 2022, 119-
  1. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2023, nr. 2, p. 95-
  2. - DELEERSNYDER, Ellen; Noot'De vergelding en de preventie als strafdoelstellingen: Cassatie spreekt zich opnieuw uit' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1449.N P M H G V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dimitri De Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 oktober
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser zelf voorgestelde probatievoorwaarde “op ieder ogenblik en op eerste verzoek toelating geven aan de politie om alle computers, elektronische toestellen, gegevensdragers en accounts, zowel fysiek als in-the-cloud waarvan hij gebruik maakt of gemaakt heeft, te laten onderzoeken” niet kan worden opgelegd; probatiemaatregelen houden steeds een miskenning in van de eerbiediging van fundamentele rechten zoals het recht op privéleven; dat geldt ook voor de andere door het arrest opgelegde probatievoorwaarden, waarin de appelrechters geen graten zagen; het kan niet worden uitgesloten dat de onmogelijkheid deze probatievoorwaarde op te leggen, heeft meegespeeld in de beslissing om de aan de eiser opgelegde hoofdgevangenisstraf slechts deels met probatie-uitstel op te leggen.
  5. Het arrest wijst eisers verzoek om voor het geheel van de hem opgelegde hoofdgevangenisstraf probatie-uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen af met de redenen dat twee jaar van de opgelegde hoofdgevangenisstraf effectief moet zijn om de eiser de ernst te doen inzien van de gepleegde feiten en dit wangedrag te vergelden, om hem ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen en om een voorbeeld te stellen voor andere potentiële daders. Daaruit volgt dat de beslissing om de hoofdgevangenisstraf gedeeltelijk effectief op te leggen niet is ingegeven door de beslissing de in het middel vermelde probatievoorwaarde niet op te leggen. In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  6. De eiser heeft voor het overige geen belang op te komen tegen de beslissing om een bepaalde probatievoorwaarde niet op te leggen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: met de redenen die het arrest bevat om aan de eiser een gedeeltelijk effectieve gevangenisstraf op te leggen, beantwoordt het niet eisers in zijn conclusie geformuleerde verzoek om de gevangenisstraf geheel met probatie-uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen en is de weigering niet nauwkeurig met redenen omkleed; de eiser had uitdrukkelijk verwezen naar het deskundigenverslag dat het risico op recidive inschatte als “gemiddeld laag” tot “laag” en hij had gewezen op het bewijs van het volgen van een gepaste behandeling en de afwezigheid van nieuwe feiten gedurende 17 jaar; het arrest antwoordt daar niet op en rechtvaardigt allesbehalve waarom het noodzakelijk is aan de eiser een effectieve straf op te leggen om hem ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen; dat is zeker zo aangezien het arrest ook oordeelt dat de verdere bescherming van de maatschappij het opleggen van de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank niet vereist; ook de motivering dat een effectieve straf nodig is om de eiser de ernst van de gepleegde feiten te doen inzien, kan niet volstaan in het licht van de expliciete verwijzing in de appelconclusies naar de verklaringen van de eiser en de brief die hij aan de slachtoffers heeft geschreven; ook de noodzaak van vergelding van de gevangenisstraf kan evenmin een aanvaardbare verantwoording voor de beslissing of een afdoend antwoord bieden op eisers verzoek, aangezien de vergelding als strafdoel meer en meer tot het verleden behoort.
  8. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat ingeval een beklaagde de rechter verzoekt om hem probatie-uitstel te verlenen en dit wettelijk mogelijk is, de rechter die beslissing nauwkeurig met redenen moet omkleden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  9. Indien de beklaagde tot staving van zijn verzoek om probatie-uitstel concrete gegevens aanvoert, dan moet blijken dat de rechter die bij zijn beoordeling heeft betrokken en moet hij overeenkomstig artikel 149 Grondwet dit verzoek beantwoorden, zonder dat is vereist dat de rechter ingaat op elk concreet gegeven dat tot staving van het verzoek is aangevoerd.
  10. De rechter kan een afwijzing van een verzoek om probatie-uitstel, ook als dit verzoek is gestaafd met concrete gegevens, motiveren door opgave van redenen waaruit de noodzaak blijkt om een effectieve straf op te leggen.
  11. Een beklaagde kan, zelfs als hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor probatie-uitstel, geen recht op een dergelijk uitstel laten gelden. Het staat aan de rechter te oordelen of het licht van de doelstellingen van de straftoemeting een probatie-uitstel aangewezen is.
  12. Die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader.
  13. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter ook de vergeldende of de algemene of specifieke preventieve werking die van een straf kunnen uitgaan als een strafdoelstelling hanteert, naaste andere, en hij zijn straftoemetingsbeslissing erop afstemt.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Met de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen, motiveert het arrest op nauwkeurige wijze waarom aan de eiser niet voor het geheel van de opgelegde hoofdgevangenisstraf probatie-uitstel van tenuitvoerlegging kan worden verleend maar een deel van die hoofdstraf effectief moet zijn, beantwoordt en verwerpt het arrest het ter zake door de eiser met concrete gegevens gestaafde verzoek en verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.