← België

G. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1690.N J E H G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Bouly, advocaat bij de balie Limburg, tegen

  1. E C, burgerlijke partij,
  2. D G, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 december
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  4. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2, 6.3.a en 6.3.b EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest heeft eisers hoger beroep ten onrechte onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid; het oordeelt ten onrechte dat de door artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving van de rechterlijke beslissing geen rechtsgevolgen heeft voor het doen ingaan van de appeltermijn; dit voorschrift is essentieel om het recht van verdediging te beschermen en het recht op een eerlijk proces te waarborgen; de vaststelling in het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 juni 2021 dat uitspraak zou worden gedaan op 28 juli 2021 doet daaraan geen afbreuk, dit is immers slechts een vermoedelijke datum; de schriftelijke kennisgeving zet bovendien de partijen op een verkeerd been; het e-mailadres van de eiser werd genoteerd met het oog op de toezending van een afschrift van de beslissing; de eiser achtte zich zo wettelijk verzekerd van de tijdige schriftelijke mededeling van het beroepen vonnis; het oordeel dat de eiser zich geen enkele moeite heeft getroost om te informeren naar de uitspraak keert de bewijslast om; dit oordeel is louter gebaseerd op de innerlijke overtuiging van de rechter en is op geen enkel feitelijk gegeven gesteund; uit het EVRM en het IVBPR volgt dat aan een persoon die niet wordt bijgestaan door een raadsman kennis moet worden gegeven van de mogelijkheden om een rechtsmiddel aan te wenden; het oordeel miskent bovendien de wapengelijkheid. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel: de afwijzing door het arrest van overmacht en onverwinnelijke dwaling gaat voorbij aan de verplichting voor de griffie om de eiser binnen de vijf dagen na de uitspraak een afschrift van de beslissing toe te sturen; het e-mailadres van de eiser werd daartoe genoteerd; de overweging dat de eiser had moeten voorzien dat de beroepen beslissing niet schriftelijk zou worden toegestuurd, is strijdig met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
  5. In zoverre de middelen aanvoeren dat het arrest met het bekritiseerde oordeel de wapengelijkheid miskent, zonder te verduidelijken waarin die miskenning precies bestaat, zijn ze bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  6. Artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt uitdrukkelijk dat de erin bedoelde kennisgeving door de griffier van een niet ondertekend afschrift van de beslissing aan elke partij of in voorkomend geval aan hun advocaten binnen de vijf dagen te rekenen vanaf de uitspraak de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, niet doet lopen. Dat deze kennisgevingsverplichting kan bijdragen tot de betere uitoefening van het recht van verdediging, laat niet toe afbreuk te doen aan de duidelijke wettekst. In zoverre de middelen aanvoeren dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen niet begint te lopen vooraleer de griffier de bedoelde kennisgeving heeft verricht of dat de niet-naleving van die verplichting bij partijen het vertrouwen kan opwekken dat de termijn geen aanvangt neemt, falen ze naar recht.
  7. Uit artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR en het door die bepalingen gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt voor de overheid niet de verplichting om een beklaagde, die bij de behandeling in eerste aanleg persoonlijk aanwezig was en er verweer heeft gevoerd, die bij die behandeling werd ingelicht over de datum waarop het vonnis zou worden uitgesproken en die op het ogenblik van de termijn om hoger beroep in te stellen niet van zijn vrijheid was beroofd en dus vrij hoger beroep kon aantekenen tegen het op de voorziene datum uitgesproken vonnis, te informeren over de door hem in acht te nemen termijn om hoger beroep aan te tekenen, zoals die duidelijk is vastgelegd in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  8. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser was op de rechtszitting van 30 juni 2021 waarop de zaak door de eerste rechter werd behandeld aanwezig en heeft er verweer gevoerd; - de zaak werd door de eerste rechter op die rechtszitting in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de rechtszitting van 28 juli 2021; - de eerste rechter velde vonnis op 28 juli 2021; - het staat aan de hand van het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 juni 2021 vast dat de eiser wist op welke datum het beroepen vonnis zou worden uitgesproken; - de eiser heeft zich evenwel geen enkele moeite getroost om te informeren naar de uitspraak, niettegenstaande het een vervolging betrof wegens ernstige misdrijven. Met die redenen, waaruit niet blijkt dat het arrest aan de eiser een onterechte en onmogelijke bewijslast oplegt, verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat eisers recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces niet zijn miskend en dat het gegeven dat hij ter rechtszitting niet werd bijgestaan door een raadsman daaraan geen afbreuk doet. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
  9. Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. Onoverwinnelijke dwaling die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, veronderstelt dat de appellant heeft gehandeld als ieder normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden van tijd en plaats zou hebben gehandeld.
  10. Het arrest oordeelt dat er van overmacht of onoverwinnelijke dwaling bij de eiser geen sprake kan zijn omdat de eiser aanwezig was op de rechtszitting, zich heeft verweerd, wist op welke datum de uitspraak van de eerste rechter zou geschieden, hij zich geen enkele moeite heeft getroost om te informeren naar de uitspraak, ook al werd hij vervolgd voor ernstige misdrijven. Het oordeelt ook dat het loutere gegeven dat de griffier zou hebben nagelaten om bij toepassing van artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek een afschrift van het beroepen vonnis ter kennis te brengen van de eiser daaraan geen afbreuk doet. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.176 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.