id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:
Art. 128- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 10 Uit artikel 128 Wetboek van Strafvordering moet worden afgeleid dat indien een burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling zonder hierin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie en de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat de strafvordering ingesteld tegen de in de beschikking vermelde inverdenkinggestelde niet ontvankelijk is, de kamer van inbeschuldigingstelling de burgerlijke partij moet veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die inverdenkinggestelde, voor zover die is bijgestaan door een raadsman. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING BURGERLIJKE RECHTSVORDERING ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.22.0218.N W S, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Nic Reynaert, advocaat bij de balie Brussel, tegen GEMEENTE LUMMEN, met kantoor te 3560 Lummen, Gemeenteplein 13, inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op een effectief rechtsmiddel: het arrest dat vaststelt dat de eiser op 20 december 2021 per e-deposit een conclusie heeft neergelegd, oordeelt ten onrechte dat bij gebrek aan een conclusiekalender deze conclusie op de rechtszitting diende te worden neergelegd; de wering van deze conclusie getuigt van een excessief formalisme.
- Met de redenen die het arrest (randnr. 3.2.1) bevat, beslist het niet tot wering van de bedoelde conclusie, maar oordeelt het wel dat het die conclusie niet in aanmerking moet nemen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In strafzaken moet behoudens in de hier niet toepasselijke regelingen van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de conclusie in de regel blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd. Bijgevolg is het geschrift uitgaande van een partij of haar advocaat dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet tijdens het debat aan de rechter is voorgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling heeft aangevoerd, in de regel geen schriftelijke conclusie waarmee de rechter rekening moet houden.
- Het niet in aanmerking nemen van een conclusie die enkel op de griffie werd ingediend maar niet op de rechtszitting is neergelegd, getuigt niet van excessief formalisme en houdt geen miskenning in van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces of het recht op een effectief rechtsmiddel. Niets belet een partij in overeenstemming met het geldend recht haar eerder op de griffie per elektronische weg ingediende conclusie ook neer te leggen op de rechtszitting, dan wel ter rechtszitting te verklaren dat zij haar op de griffie neergelegde conclusie herneemt en tot de hare maakt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsverplichting en de “objectieve elementen van het dossier”: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er onvoldoende bezwaren zijn die aantonen dat de ontslagbrief van de eiser werd gemanipuleerd; zij motiveren niet waarom de bevindingen van Bpost en de Ombudsdienst ter zake niet aannemelijk zijn; de hiertoe gehanteerde vage motivering kan niet volstaan; tevens laten de appelrechters na eisers briefgeheim te beschermen; ten onrechte en ongemotiveerd stelt het arrest vast dat de “materialiteit van de beweringen niet is bewezen”.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die zich uitspreken over de regeling van de rechtspleging. In zoverre het middel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het gegeven dat de rechter anders oordeelt dan door een partij voorgehouden, levert geen motiveringsgebrek op. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het evenzeer naar recht.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest “nalaat om op basis van een objectieve en feitelijke redenering het briefgeheim van [de eiser] te beschermen” en aldus artikel 8 EVRM schendt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 229 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen een inverdenkinggestelde geen voldoende bezwaren bestaan, zij verklaart dat er geen reden is tot vervolging.
- Onder bezwaren die de verwijzing van een inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht verantwoorden, worden de gegevens verstaan die, nadat ze op het einde van het gerechtelijk onderzoek zijn verzameld en getoetst, voldoende ernstig blijken dat een veroordeling door het vonnisgerecht waarschijnlijk lijkt. Het bestaan van bezwaren die een dergelijke verwijzing verantwoorden, wordt door het onderzoeksgerecht onaantastbaar in feite beoordeeld. In zoverre het middel, ook onder het mom van een motiveringsgebrek, opkomt tegen deze feitelijke beoordeling is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 128 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het eigendomsrecht en het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster; de eiser heeft tijdens de procedure zelf opgeworpen dat zijn klacht niet was gericht tegen de verweerster aangezien een gemeente op het ogenblik van de feiten niet strafrechtelijk aansprakelijk kon worden gesteld; het openbaar ministerie heeft aldus de verkeerde persoon geviseerd; de eiser dient voor deze fout niet op te draaien.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest het eigendomsrecht en het recht van verdediging miskent. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre gericht tegen het optreden van het openbaar ministerie en niet tegen het arrest, is het middel niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 128 Wetboek van Strafvordering veroordeelt de raadkamer in geval van buitenvervolgingstelling de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door zijn burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter, tot het betalen aan de inverdenkinggestelde van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze verplichting geldt niet enkel ten aanzien van personen die nominatim in de klacht met burgerlijkepartijstelling zijn vermeld, maar ook ten aanzien van hen die in een latere vordering van het openbaar ministerie worden vermeld als personen tegen wie de strafvordering is ingesteld.
- Uit die bepaling moet ook worden afgeleid dat indien een burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling zonder hierin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie en de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat de strafvordering ingesteld tegen de in de beschikking vermelde inverdenkinggestelde niet ontvankelijk is, de kamer van inbeschuldigingstelling de burgerlijke partij moet veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die inverdenkinggestelde, voor zover die is bijgestaan door een raadsman.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op 20 oktober 2021 hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beslissingen van de raadkamerbeschikking van 15 oktober 2021 en dus ook tegen de beslissing dat er geen reden is om de verweerster te vervolgen voor de feiten van de telastleggingen A en B.
- De appelrechters stellen vast dat de eiser “autonoom en buiten het initiatief van het openbaar ministerie” hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de verweerster. Zij bevestigen de beroepen beschikking met die wijziging dat de strafvordering, in zoverre ingesteld tegen de verweerster, niet ontvankelijk is en oordelen dat de eiser aan deze partij een rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.25 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div