← België

J. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.18 Rolnummer: P.22.0321.N Zaak: J. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 1064 - laatst gezien 2026-06-18 21:48 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- of bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet; voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de maximum gevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximum geldboete de minimum gevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimum gevangenisstraf de minimum geldboete

(1).
(1)Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0631.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1, AC 2020, nr. 58; Cass. 11 september 2018, RABG 2019/8, 593 en noot B. SPRIET, "Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf"; Cass. 29 september 1993, AR P.93.0293.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6, AC 1993, nr. 383, RW 1993-94, 1301 met noot B. SPRIET, "Vergelijking van de zwaarte van straffen". Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0321.N B F I J, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven, tegen Gunther PEETERS, met kantoor te 2230 Herselt, Aarschotsesteenweg 7, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van OFFSITE bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 februari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het arrest vermeldt niet de naam van de magistraat van het openbaar ministerie die heeft geadviseerd bij de behandeling van de zaak; de vermelding van de magistraat van het openbaar ministerie bij de uitspraak van het arrest volstaat niet.
  3. Artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis op straffe van nietigheid de naam moet vermelden van de magistraat van het openbaar ministerie die advies heeft gegeven. Deze bepaling is niet van toepassing in strafzaken.
  4. Uit geen enkele bepaling volgt dat in strafzaken in de beslissing noodzakelijk de naam moet worden vermeld van de magistraat van het openbaar ministerie die heeft gevorderd. Die naam zal in de regel blijken uit het proces-verbaal van de rechtszitting.
  5. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest maakt geen melding van de impact van de redelijketermijnoverschrijding op de duur van het uitgesproken bestuurdersverbod; het arrest motiveert niet waarom dit bestuurdersverbod moet worden opgelegd voor de maximumtermijn van tien jaar en waarom overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een herleiding.
  7. Het arrest (p. 13, randnummer 12) stelt vast dat de eiser op verregaande wijze misbruik heeft gemaakt van vennootschapsvormen om zichzelf te verrijken, waarbij hij grote schade veroorzaakte voor de publieke schuldeisers en het economisch verkeer. Zijn bedrieglijk inzicht wordt omschreven als stuitend en persistent. Om herhaling te voorkomen is volgens het appelgerecht het noodzakelijk om hem een verbod op te leggen om functies waar te nemen in een rechtspersoon en dit voor de maximale duur. Aldus vermeldt het arrest wel degelijk de redenen voor het opleggen van een bestuurdersverbod voor een maximumtermijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  8. Het staat aan de rechter die vaststelt dat bij een strafvervolging de redelijke termijn is overschreden en die overschrijding de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht van verdediging niet heeft aangetast, te oordelen op welke wijze die overschrijding moet worden geremedieerd. Die remediëring kan bestaan in het opleggen van een lagere hoofdstraf dan de hoofdstraf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding. Een remediëring vereist niet noodzakelijk dat de rechter ook de duur van de bijkomende straffen zoals het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod vermindert. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest breidt het bestuurdersverbod uit tot de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België en tot het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar, maar het stelt niet vast dat die beslissing met eenparigheid van stemmen is genomen; die eenparigheid werd enkel vastgesteld voor de hoofdgevangenisstraf.
  10. Uit het dictum van het arrest (p. 16) volgt dat de vastgestelde eenparigheid geldt voor zowel de schuldigverklaring als de aan de eiser opgelegde bestraffing en dus niet enkel slaat op de hoofdgevangenisstraf. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest dat een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, legt niettemin toch een zwaardere straf op dan de eerste rechter; daardoor is het arrest bovendien tegenstrijdig gemotiveerd.
  12. Of het appelgerecht een in hoger beroep vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft geremedieerd door het opleggen van een lagere straf moet worden beoordeeld aan de hand van de straf die dit gerecht bij niet-overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd en niet door de door het appelgerecht opgelegde straf te vergelijken met de door de eerste rechter opgelegde straf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vijfde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de voorliggende stukken niet toelaten de exacte waarde te bepalen van de verduisterde zaken; het oordeelt anderzijds zonder dat daarvoor enig bewijs voorhanden is dat er ongetwijfeld vorderingen op klanten, voorraden en bestellingen in uitvoering zullen zijn geweest op grond waarvan ze de waarde ervan bepalen op 25.000,00 euro; door de verduisterde activa te waarderen op basis van elementen waarvoor geen stukken voorhanden zijn en dus louter op basis van een vermoeden miskent het arrest de bewijskracht van de stukken uit het dossier; bovendien wordt zo ook het vermoeden van onschuld miskend.
  15. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel aanvoert. Het oordeelt immers dat: - de eiser alle activa en het verdienvermogen aan de gefailleerde vennootschap heeft onttrokken; - die feiten een aantasting van het actief hebben meegebracht; - inzake de immateriële vaste activa waarover de gefailleerde vennootschap be¬schikte niet veel meer is bekend dan dat er enkele voertuigen waren, waarvoor niet aannemelijk wordt gemaakt dat zij tegen betaling werden overgedragen aan de nieuwe vennootschap; - er immaterieel actief was onder de vorm van know how en commerciële relaties; - er ongetwijfeld ook nog vorderingen op klanten, voorraden en bestellingen in uitvoering waren; - de voorliggende stukken evenwel niet toelaten de exacte waarde te bepalen van die onderdelen van de verduisterde activa; - die naar redelijkheid worden gewaardeerd op een bedrag van 25.000,00 euro, wat kan worden aanvaard als het minimum van wat werd verduisterd. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Het Hof ontwaart de door het middel voorgehouden tegenstrijdigheid in de motivering niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  17. De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de bekritiseerde beslissing verwijst naar een geschrift en dat die beslissing aan dat geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat dit geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt.
  18. Het arrest dat voor het bekritiseerde oordeel niet verwijst naar stukken van het dossier, kan de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  19. Het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld verzet zich niet ertegen dat de rechter bij de bepaling van de waarde van verduisterde activa rekening houdt met vermoedens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het appelgerecht, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, eerste lid, Strafwetboek; - artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod
  21. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- of bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet.
  22. Het arrest veroordeelt de eiser voor de feiten van de telastleggingen A (inbreuk op artikel 489ter, eerste lid, 1°, Strafwetboek strafbaar met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 100,00 euro tot 500.000,00 euro), B (inbreuk op artikel 489bis, 1°, Strafwetboek strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en een geldboete van 100,00 euro tot 500.000,00 euro of met een van die straffen), C (inbreuk op artikel 73bis, eerste lid, Btw-wetboek strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 250,00 euro tot 500.000,00 euro of met een van die straffen) en D (inbreuk op artikel 4 Wet Beroepuitoefeningsverbod strafbaar met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en een geldboete van 1.000,00 euro tot 10.000,00 euro) bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek samen tot een hoofdgevangenisstraf, een geldboete, een vervangende gevangenisstraf en het door artikel 1 en het door artikel 1bis Wet Beroepuitoefeningsverbod bedoelde bestuurders- en koopmansverbod telkens voor een periode van tien jaar.
  23. Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de maximum gevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximum geldboete de minimum gevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimum gevangenisstraf de minimum geldboete.
  24. Bijgevolg voorziet artikel 73bis, eerste lid, Btw-wetboek in de zwaarste straf.
  25. Artikel 1bis Wet Beroepuitoefeningsverbod laat de rechter toe het facultatief koopmansverbod op te leggen ingeval van een veroordeling wegens een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis Strafwetboek.
  26. Het is niet mogelijk op basis van artikel 73bis, eerste lid, Btw-wetboek het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde koopmansverbod op te leggen.
  27. Het arrest dat aan de eiser een koopmansverbod oplegt, is niet naar recht verantwoord. Overige grieven
  28. Gelet op de vernietiging van het aan de eiser opgelegde koopmansverbod, behoeft het tweede middel, eerste onderdeel, geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest maar enkel in zoverre het aan de eiser een door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld koopmansverbod oplegt voor een periode van tien jaar. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.