← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.23 Rolnummer: P.22.0829.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 653 - laatst gezien 2026-06-16 02:26 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De vordering tot herroeping van de aan een veroordeelde tot vrijheidsstraf toegekende strafuitvoeringsmodaliteit is geen vervolging voor een strafbaar feit en de herroeping van een dergelijke modaliteit is evenmin een straf; op de herroepingsvordering is derhalve artikel 6.3 EVRM niet van toepassing. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Indien de veroordeelde tot vrijheidsstraf in een conclusie zonder enige concretisering de strafuitvoeringsrechtbank vraagt de hem toegekende strafuitvoeringsmodaliteit niet te herroepen maar hem een nieuwe kans te gunnen, zonodig met een herziening of het scherper stellen van de voorwaarden of een terugzetting naar een meer stringente strafuitvoeringsmodaliteit, dan kan de strafuitvoeringsrechtbank dit verzoek beantwoorden en verwerpen louter door de inwilliging van de herroepingsvordering en het opgeven van de redenen voor die inwilliging. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.22.0829.N I A G, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 30 mei 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Vijfde middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht jaar, wat onjuist is aangezien de eiser met het vonnis van 27 maart 2018 slechts tot zes jaar gevangenisstraf werd veroordeeld; de eiser heeft er in zijn conclusie op gewezen dat dit onjuist is, maar het bestreden vonnis is bij het onjuist uitgangspunt gebleven, zodat dit het karakter van een loutere materiële vergissing overstijgt; dit gegeven is uiterst relevant en mogelijk doorslaggevend bij de besluitvorming. 2. De vermelding in het bestreden vonnis dat de eiser met het vonnis van 27 maart 2018 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar wegens opzettelijke slagen en verwondingen daar waar dit vonnis hem heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, is, zoals de eiser overigens zelf in zijn conclusie heeft aangevoerd, een materiële vergissing. Er blijkt niet dat die verschrijving de thans bekritiseerde beslissing heeft beïnvloed. Die verschrijving kan de eiser dan ook niet grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het bestreden vonnis herroept het aan de eiser toegekende elektronisch toezicht wegens de niet-naleving van andere voorwaarden dan die op grond waarvan de schorsingsbeslissing werd genomen; aldus werd de eiser op de rechtszitting verrast en kon hij zich niet verdedigen; de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit is een straf zodat daarop artikel 6.3 EVRM en de daarin vervatte rechten van toepassing zijn, zoals het recht op de hoogte te worden gebracht van de beschuldiging en over voldoende faciliteiten te beschikken voor zijn verdediging; de eiser kon aldus ook bepaalde bewijzen niet naar voor brengen. 4. Artikel 6.3 EVRM somt een aantal rechten op waarover een persoon die wordt vervolgd voor een strafbaar feit moet genieten. De vordering tot herroeping van de aan een veroordeelde tot vrijheidsstraf toegekende strafuitvoeringsmodaliteit is geen vervolging voor een strafbaar feit. De herroeping van een dergelijke modaliteit is evenmin een straf. Op de herroepingsvordering is derhalve artikel 6.3 EVRM niet van toepassing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Het openbaar ministerie heeft in de vordering tot schorsing en herroeping van de bij vonnis van 25 februari 2022 toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht uitdrukkelijk gewezen op de niet-naleving van de bijzondere voorwaarde 10, namelijk “zich op alle levensgebieden transparant opstellen ten aanzien van de justitie-assistent”. 6. De eiser had derhalve bij de behandeling van de zaak door de strafuitvoeringsrechtbank op 24 mei 2022 kennis van deze grond tot herroeping. Hij kan dan ook niet voorhouden dat hij in die mate verrast was en zich niet kon verdedigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 7. De vaststelling dat een veroordeelde één van de hem bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd, verantwoordt reeds de herroeping van die modaliteit overeenkomstig artikel 68 Wet Strafuitvoering. 8. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser voor wat betreft de gebeurtenissen waarvoor hij werd aangehouden geen blijk heeft gegeven van een transparante houding tegenover de justitie-assistente. Op grond van die vaststelling is de herroepingsbeslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. In zoverre het middel de herroepingsbeslissing wegens de niet-naleving van andere aan de eiser bij het vonnis van 25 februari 2022 opgelegde voorwaarden bekritiseert, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op de retroactieve toepassing van een strafbepaling: het bestreden vonnis herroept het aan de eiser toegekende elektronisch toezicht wegens de niet-naleving van voorwaarden, niettegenstaande de beslissing waarbij die voorwaarden waren opgelegd op het ogenblik van de voorgehouden niet-naleving nog geen kracht van gewijsde had; de feitelijkheden op grond waarvan werd herroepen dateren van 25 februari 2022; de beslissing waarbij de voorwaarden werden opgelegd dateert van 25 februari 2022 en de beslissing was toen nog niet aan de eiser betekend en de termijn om cassatieberoep in te stellen liep nog; de straf van de herroeping van het elektronisch toezicht kon niet retroactief worden toegepast. 11. De herroeping van de aan de eiser toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht wegens het niet-naleven van de voorwaarde 10 is niet gegrond op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de aanhouding van de eiser door de onderzoeksrechter, maar wel op het gebrek aan transparantie door de eiser tegenover de justitieassistente over die feiten. Dat gebrek aan transparantie situeert zich volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van 25 februari 2022. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 12. In zoverre het middel de herroepingsbeslissing wegens de niet-naleving van andere aan de eiser bij het vonnis van 25 februari 2022 opgelegde voorwaarden bekritiseert, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting; het vonnis beantwoordt niet eisers in zijn conclusie geformuleerd verzoek om bij toepassing van artikel 67 Wet Strafuitvoering een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen; dit verzoek werd ook mondeling geformuleerd op de rechtszitting en de eiser heeft ingestemd met een aanscherping van de voorwaarden of de modaliteit van de beperkte detentie. 14. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt over de vordering tot herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit. De rechtbank doet in dat geval immers geen uitspraak over de gegrondheid van een strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 15. Indien de veroordeelde tot vrijheidsstraf in een conclusie zonder enige concretisering de strafuitvoeringsrechtbank vraagt de hem toegekende strafuitvoeringsmodaliteit niet te herroepen maar hem een nieuwe kans te gunnen, zonodig met een herziening of het scherper stellen van de voorwaarden of een terugzetting naar een meer stringente strafuitvoeringsmodaliteit, dan kan de strafuitvoeringsrechtbank dit verzoek beantwoorden en verwerpen louter door de inwilliging van de herroepingsvordering en het opgeven van de redenen voor die inwilliging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 68, § 3, Wet Strafuitvoering: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser een te beperkte afbetaling aan de burgerlijke partij heeft gedaan, zonder dat de burgerlijke partij werd uitgenodigd of met betrekking tot deze stelling werd gehoord; dit is een voorwaarde opgelegd in het belang van het slachtoffer; de eiser heeft aangevoerd dat het hem niet duidelijk was hoeveel er nog diende te worden afbetaald; het slachtoffer had daarover moeten worden gehoord. 17. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel verantwoordt de vaststelling door het bestreden vonnis dat de eiser voor wat betreft de gebeurtenissen waarvoor hij werd aangehouden geen blijk heeft gegeven van een transparante houding tegenover de justitieassistente en aldus de hem met het vonnis van 25 februari 2022 opgelegde voorwaarde 10 niet heeft nageleefd, naar recht de herroepingsbeslissing. Het middel dat de herroepingsbeslissing bekritiseert in zoverre die is gesteund op de niet-naleving van de voorwaarde betreffende het leveren van inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, kan dan ook niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.23 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.