← België

E. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Strafvordering - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Berechting binnen een redelijke termijn - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 11 - 12 De rechter die bij een nieuwe beslissing alvorens recht te doen de aanvang van de pleidooien verdaagt naar een volgende rechtszitting, een datum bepaalt tot wanneer de beklaagde nog een schriftelijke repliekconclusie kan neerleggen en een bijkomende rechtsdag vastlegt waarop de beklaagde nog extra mondelinge elementen kan bijbrengen, neemt door het enkele feit dat hij de mondelinge vordering van het openbaar ministerie integraal aanhoort en daarvan nota's neemt, geen houding aan waaruit enige vooringenomenheid ten nadele van de beklaagde blijkt of die een objectief gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid verantwoordt maar eerbiedigt in tegendeel het recht van verdediging van alle partijen; noch het feit dat de beklaagde een langere conclusietermijn of een latere rechtsdag had gewenst voor het formuleren van zijn repliek of dat de rechter zijn beslissing niet laat voorafgaan door een debat over de specifieke wensen van de beklaagde inzake de duur van de conclusietermijn of de datum voor de bijkomende rechtszitting, noch de omstandigheid dat de rechter na zijn beslissing te hebben kenbaar gemaakt en de orde van de pleidooien te hebben toegelicht de rechtszitting schorst en de zittingzaal verlaat, laten toe hieruit enig gebrek aan onpartijdigheid af te leiden. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Gewettigde verdenking - Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de magistraat - Beslissing van de rechter tot verdaging van de aanvang van de pleidooien en bepaling van een datum voor een repliekconclusie van de beklaagde - Vaststelling van een bijkomende rechtsdag voor het aanbrengen van extra mondelinge elementen door de beklaagde - Aanhoren van de mondelinge vordering van het openbaar ministerie - Afwezigheid van debat over een langere conclusietermijn of een andere rechtsdag - Schorsing van de zitting - Verlaten van de zittingzaal - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht - Beslissing van de rechter tot verdaging van de aanvang van de pleidooien en bepaling van een datum voor een repliekconclusie van de beklaagde - Vaststelling van een bijkomende rechtsdag voor het aanbrengen van extra mondelinge elementen door de beklaagde - Aanhoren van de mondelinge vordering van het openbaar ministerie - Afwezigheid van debat over een langere conclusietermijn of een andere rechtsdag - Schorsing van de zitting - Verlaten van de zittingzaal - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0729.N N E H, beklaagde, verzoeker tot wraking, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, in de zaak van N E H, reeds vermeld, en

  1. F R J V,
  2. E N,
  3. J C L R,
  4. S W G D,
  5. R E O,
  6. R A,
  7. P Y,
  8. A A,
  9. S N J V D B,
  10. A A K,
  11. A V M,
  12. L Y,
  13. G V,
  14. A B,
  15. B I,
  16. E G G,
  17. S C V,
  18. C A M E P,
  19. E Y F Y,
  20. T R J V L,
  21. Y E O,
  22. S F A V,
  23. O D,
  24. T C, beklaagden. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 14 maart
  25. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 23 juni 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  26. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: geconfronteerd met de deloyale houding van het openbaar ministerie, dat binnen de hem toegemeten termijn geen schriftelijke conclusie heeft neergelegd maar ter rechtszitting van 10 februari 2022 wel een nota van 33 pagina’s heeft voorgelezen, hebben de gewraakte rechters die praktijk niet doen stoppen maar integendeel die mondelinge vordering uitvoerig genoteerd; aldus hebben de rechters objectief de schijn gewekt het deloyale gedrag van het openbaar ministerie te bekrachtigen en partij te kiezen; de rechters hebben deze objectieve schijn van partijdigheid nog versterkt door na eisers verzoek tot het bepalen van nieuwe conclusietermijnen en rechtsdagen, de rechtszitting te schorsen zonder de partijen vooraf te horen en bij terugkeer een beslissing voor te lezen die verplichtte te pleiten op 11 februari 2022, met de mogelijkheid om nog een conclusie neer te leggen tot 23 februari 2022 en mondelinge toelichting te geven op de bijkomende rechtszitting van 25 februari 2022; bovendien hebben de rechters niet geantwoord op vragen van beklaagden naar de praktische invulling van het verdere procesverloop, maar zich ertoe beperkt de rechtszitting te schorsen en per direct te verdwijnen; het arrest dat in die handelwijze geen miskenning van de objectieve plicht tot onpartijdigheid van de gewraakte rechters ziet, verantwoordt de beslissing niet naar recht.
  27. Het Handvest Grondrechten EU heeft geen algemene reikwijdte en is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is.
  28. Volgens artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt wegens gewettigde verdenking. Er is gewettigde verdenking indien de aangevoerde feiten bij de verzoeker tot wraking, de partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de magistraat niet langer op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen. Die verdenking moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot bewijs van het tegendeel wordt de rechter bovendien vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.
  29. Een partij in een strafprocedure, met inbegrip van het openbaar ministerie, is niet verplicht haar verweer of standpunt te verwoorden in een schriftelijke conclusie, ook niet wanneer haar daartoe de gelegenheid is geboden bij een beslissing alvorens recht te doen op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering. Het feit dat een partij geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid, belet haar niet om haar verweer te voeren of haar standpunt kenbaar te maken in een louter mondelinge uiteenzetting ter rechtszitting. Onder voorbehoud van het behoorlijke verloop van de rechtszitting staat het niet aan de rechter om dat recht van een partij te beknotten of te negeren.
  30. Het openbaar ministerie dat uitsluitend mondeling vordert na de hem verleende conclusietermijn te hebben laten verstrijken, kan de andere partijen in het strafproces verrassen door in zijn vordering, met kennis van de reeds neergelegde schriftelijke conclusies van die partijen, redelijkerwijze door de andere partijen niet te verwachten argumenten aan te voeren met een mogelijke gewichtige impact op de uitkomst van de zaak.
  31. De rechter bepaalt in de regel onaantastbaar of en in welke mate de gezegden van het openbaar ministerie in zijn vordering vereisen dat de andere partijen daarop kunnen repliceren met navolgende conclusies of op navolgende rechtszittingen. De rechter houdt daarbij rekening met alle dienstige gegevens, waaronder het belang van de zaak voor de partijen, het voorbije procesverloop, het vereiste om de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen, het gevaar voor rechtsmisbruik en het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van alle partijen.
  32. De rechter die, geplaatst in de hier bedoelde situatie, bij een nieuwe beslissing alvorens recht te doen de aanvang van de pleidooien verdaagt naar een volgende rechtszitting, een datum bepaalt tot wanneer de beklaagde nog een schriftelijke repliekconclusie kan neerleggen en een bijkomende rechtsdag vastlegt waarop de beklaagde nog extra mondelinge elementen kan bijbrengen, neemt door het enkele feit dat hij de mondelinge vordering van het openbaar ministerie integraal aanhoort en daarvan nota’s neemt, geen houding aan waaruit enige vooringenomenheid ten nadele van de beklaagde blijkt of die een objectief gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid verantwoordt. Integendeel eerbiedigt de rechter aldus het recht van verdediging van alle partijen.
  33. Het enkele feit dat de beklaagde een langere conclusietermijn of een latere rechtsdag had gewenst voor het formuleren van zijn repliek of dat de rechter zijn beslissing niet laat voorafgaan door een debat over de specifieke wensen van de beklaagde inzake de duur van de conclusietermijn of de datum voor de bijkomende rechtszitting, laat evenmin enige partijdigheid van de rechter vermoeden.
  34. Eenmaal de rechter zijn beslissing heeft kenbaar gemaakt en heeft toegelicht dat de pleidooien zullen worden gehouden in een bepaalde volgorde, moet hij daarover niet meer in debat gaan met de partijen. Uit het enkele feit dat de rechter vervolgens de rechtszitting schorst en de zittingzaal verlaat, kan dan ook evenmin enige partijdigheid worden afgeleid.
  35. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  36. In zoverre het arrest oordeelt in dezelfde zin als vermeld, verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  37. In zoverre het arrest de wrakingsgrond van de eiser, gesteund op de houding van de gewraakte rechters ter rechtszitting, niet ontvankelijk verklaart omdat zij niet zijn opgenomen in het wrakingsverzoek maar slechts in een later neergelegde conclusie, kan dit oordeel gelet op de voormelde redenen de eiser niet grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  38. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  39. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 828, 1°, 835, 836, 838 en 839 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek om de gewraakte rechters als getuigen te horen tot staving van zijn wrakingsgrond dat het gebrek aan onpartijdigheid van de gewraakte rechters blijkt uit hun houding ter rechtszitting, namelijk het nota nemen van de mondelinge vordering van het openbaar ministerie en het weglopen na de mededeling van de aangepaste agenda; het oordeelt namelijk dat die wrakingsgrond niet is opgenomen in de wrakingsakte, zodat hij nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk is; het arrest wijst vervolgens de wrakingsvordering af als ongegrond; in conclusie is er evenwel geen nieuwe wrakingsgrond aangevoerd, maar heeft de eiser louter gerepliceerd op de verklaring van de gewraakte rechters en op de conclusie van het openbaar ministerie en heeft hij louter feitelijke toelichting gegeven bij de bestaande wrakingsgrond dat de rechtbank ter rechtszitting van 10 februari 2022 de verschalking van de verdediging door het openbaar ministerie tot de hare heeft gemaakt.
  40. Zoals blijkt uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, kan noch uit de beslissing noch uit de houding van de gewraakte rechters een miskenning van hun plicht tot onpartijdigheid ten aanzien van de eiser worden afgeleid. Bijgevolg kan de bekritiseerde beslissing de eiser niet grieven. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door eisers verzoek tot getuigenverhoor af te wijzen op grond van de motivering dat er ter rechtszitting van 7 maart 2022 een “aanvullend wrakingsmiddel” zou zijn aangevoerd, terwijl in de conclusie geen nieuwe wrakingsgrond in de zin van artikel 828 Gerechtelijk Wetboek werd aangevoerd, maar louter werd gerepliceerd op de verklaring van de gewraakte rechters en op de conclusie van het openbaar ministerie alsook verdere toelichting werd gegeven, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
  42. In zoverre het onderdeel in werkelijkheid geen motiveringsgebrek aanvoert, maar een wettigheidskritiek, faalt het naar recht.
  43. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: door eisers verzoek tot getuigenverhoor af te wijzen op grond van de motivering dat er ter rechtszitting van 7 maart 2022 een “aanvullend wrakingsmiddel” zou zijn aangevoerd, terwijl in de conclusie geen nieuwe wrakingsgrond in de zin van artikel 828 Gerechtelijk Wetboek werd aangevoerd maar louter is gerepliceerd op de verklaring van de gewraakte rechters en de conclusie van het openbaar ministerie alsook verdere toelichting werd gegeven, is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  45. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  46. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 44,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.26 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.