id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.2 Rolnummer: P.22.0272.N Zaak: G. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-07-28 Raadplegingen: 1326 - laatst gezien 2026-06-19 00:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen en listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen en die determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak en die aldus in de regel die afgifte of levering voorafgaan
(1).
(1)A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 6de uitgave, pp. 366-370, nrs. 459-461. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Listige kunstgrepen - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Een mededader van het misdrijf oplichting moet niet zelf de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf in zijn persoon verenigen en het volstaat dat hij een door artikel 66 Strafwetboek bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, kennis heeft van alle omstandigheden die van de feiten een bepaalde oplichting maken en het opzet heeft om zijn medewerking aan die oplichting te verlenen; die medewerking vereist in de regel een positieve handeling van de mededader en een dergelijke handeling kan bestaan in een bewust en opzettelijk verzuim om te handelen wanneer dit, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van het misdrijf op een wijze bepaald bij artikel 66 Strafwetboek
(1).
(1)Cass. 18 februari 2020, AR P.19.1117.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.3, AC 2020, nr. 137 (misdrijf van weerspannigheid); Cass. 26 juni 2019, AR P.19.0344.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1, AC 2019, nr. 402; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, 6de uitgave, pp. 371-372, nr.
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Listige kunstgrepen - Mededaderschap aan oplichting - Medewerking aan het misdrijf - Positieve handeling - Bewust en opzettelijk verzuim - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Oplichting - Strafbare deelneming - Voorwaarde - Positieve handeling - Bewust en opzettelijk verzuim - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0272.N I
- V I L G, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Michael Verstraeten, advocaat bij de balie Gent, tegen
- W S,
- C B,
- N G,
- Luc BLOCKEEL, met kantoor te 9700 Oudenaarde, Deinzestraat 1, en Ilse VAN ROYEN, met kantoor te 9660 Brakel, Boekelstraat 63, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement ACOMAD nv, burgerlijke partijen, verweerders.
- T A E L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Steven Vermandel, advocaat bij de balie Gent, tegen
- B H,
- C V D B,
- B N,
- L G,
- S V,
- L M,
- R V D,
- K V,
- L D P,
- I C,
- W S, reeds vermeld,
- C B, reeds vermeld,
- P V H,
- C M,
- J L,
- A L B,
- S A,
- T S,
- A V,
- S D M,
- N L,
- A D P,
- RAVANA bv, met zetel te 9810 Nazareth, Deinzestraat 1, burgerlijke partijen, verweerders. II L R M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent, tegen
- B H, reeds vermeld,
- C V D B, reeds vermeld,
- B N, reeds vermeld,
- M D,
- L G, reeds vermeld,
- S V, reeds vermeld,
- L M, reeds vermeld,
- R V D, reeds vermeld,
- K V, reeds vermeld,
- L D P, reeds vermeld,
- I C, reeds vermeld,
- W S, reeds vermeld,
- C B, reeds vermeld,
- P V H, reeds vermeld,
- C M, reeds vermeld,
- J L, reeds vermeld,
- A L B, reeds vermeld,
- S A, reeds vermeld,
- T S, reeds vermeld,
- A V, reeds vermeld,
- S D M, reeds vermeld,
- N L, reeds vermeld,
- A D P, reeds vermeld,
- RAVANA bv, reeds vermeld,
- N G, reeds vermeld,
- Luc BLOCKEEL en Ilse VAN ROYEN, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement ACOMAD nv, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 januari
- De eiseres I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II doet afstand van zijn cassatieberoep op burgerrechtelijk gebied. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiseres I.1 heeft op 23 juni 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissingen die de eisers vrijspreken, zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres I.1 en tweede middel van de eiser I.2
- De middelen voeren schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart de tegen de eisers I uitgesproken straffen zonder uitdrukkelijk vast te stellen dat het met eenparigheid van stemmen is gewezen.
- De appelrechters (arrest, p. 201, derde alinea) stellen uitdrukkelijk vast dat zij het arrest met eenparigheid van stemmen hebben gewezen. De middelen missen feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiseres I.1
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eiseres’ verweer dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting niet in haar persoon waren verenigd en dat zij nergens listige kunstgrepen heeft gehanteerd of een valse hoedanigheid heeft gebruikt om klanten of leveranciers van Easy Built bv te misleiden (eerste onderdeel); uit de feiten die het arrest vaststelt, kan het niet wettig afleiden dat de eiseres I.1 op determinerende wijze listige kunstgrepen heeft aangewend om zich bedrieglijk gelden te doen afgeven door slachtoffers (tweede onderdeel).
- De eisers I zijn onder de telastleggingen C.2.3 tot C.2.38, C.3.1 en C.3.2 vervolgd als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek van het wanbedrijf oplichting.
- Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen.
- Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen en die determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak en die aldus in de regel die afgifte of levering voorafgaan.
- Een mededader van het misdrijf oplichting moet niet zelf de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf in zijn persoon verenigen. Het volstaat dat hij een door artikel 66 Strafwetboek bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, kennis heeft van alle omstandigheden die van de feiten een bepaalde oplichting maken en het opzet heeft om zijn medewerking aan die oplichting te verlenen. Die medewerking vereist in de regel een positieve handeling van de mededader. Een dergelijke handeling kan bestaan in een bewust en opzettelijk verzuim om te handelen wanneer dit, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van het misdrijf op een wijze bepaald bij artikel 66 Strafwetboek.
- Voor wat betreft de vermelde telastleggingen C.2, in zoverre bewezen verklaard, oordeelt het arrest (p. 69-92, 93-96 en 107-145) onder meer dat: - de feiten van oplichting erin bestonden dat Easy Built bv, een aanvankelijk bonafide firma gespecialiseerd in gevelrenovatie, vanaf 1 november 2012 klanten begon op te lichten door met hen contracten te sluiten of schijnbaar werken op te starten teneinde hen aanzienlijke voorschotten of aanvullende voorschotten te laten betalen, terwijl de feitelijke bestuurders van Easy Built bv vooraf wisten dat deze vennootschap haar contractuele verplichtingen niet kon nakomen, onder meer omdat er van de voorschotten aanzienlijke sommen in contanten werden afgehaald zonder economische verantwoording en er bijgevolg niet genoeg geld overbleef om het nodige materiaal en personeel te bekostigen voor de uitvoering van de werken, minstens volgens de regels van de kunst. Die handelwijze maakte volgens de appelrechters een listige kunstgreep uit om bedrieglijk zoveel mogelijk gelden onder de vorm van voorschotten te verkrijgen; - de eiseres I.1, gelet op haar administratieve, boekhoudkundige en financiële tussenkomsten ten bate van Easy Built bv en van de eiser II, vanaf 1 december 2012 te beschouwen is als een feitelijke medebestuurder van de vennootschap; - de eisers I wisten dat Easy Built bv niet in staat was om de reeds gesloten contracten te honoreren, zodat zij zich dienden te verzetten tegen het opvragen van bijkomende voorschotten en het aangaan van nieuwe contracten, maar zij integendeel klanten voorhielden dat het geen probleem was om met Easy Built bv te contracteren en zij meewerkten om verder voorschotten te innen, zodat hun schuld aan de telastleggingen C.2.3 tot en met C.2.38 in voorkomend geval vaststaat vanaf 1 december 2012, ongeacht dat de meeste klanten hen niet expliciet vermelden; - de eisers I ook deelden in de gelden die vanaf 1 december 2012 op de rekening van Easy Built bv toekwamen, wetend dat die gelden niet voor vennootschapsdoeleinden werden aangewend.
- Voor wat betreft de telastleggingen C.3, oordeelt het arrest (p. 146) dat in dezelfde zin werd gehandeld tegenover leveranciers, waarbij materialen werden besteld of kredieten werden aangegaan zonder intentie tot betaling, omdat de financiële toestand van Easy Built bv dat niet toeliet. Verder oordeelt het arrest (p. 146) nog: “Wat de telastlegging C.3 betreft, werd daarenboven duidelijk de tussenkomst van [de eiseres I.1] in de onderhandelingen georganiseerd, die zich als advocaat manifesteerde en de kredietwaardigheid van de onderneming garandeerde, wat, minstens volgens de verklaringen van [de verweerder I.1.3], doorslaggevend was om het krediet toe te staan. Er zijn gelet op de hoger reeds geschetste omstandigheden wat de rol van [de eiseres I.1] in de bvba Easy Built betreft vanaf minstens 1 december 2012 geen redenen om aan de verklaringen van [de verweerder I.1.3] te twijfelen.”
- Met die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters de eiseres I.1 schuldig verklaren als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek van de feiten van de telastleggingen C.2.3 tot C.2.38, in zoverre bewezen verklaard, en C.3, beantwoorden zij eiseres’ verweer en is hun beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat zij verder moesten ingaan op elk detail van eiseres’ verweer, noch op haar doelloze verweer dat zijzelf niet de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting in haar persoon verenigde. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiseres I.1 Eerste en vierde onderdeel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 492bis Strafwetboek: het arrest verklaart de eiseres I.1 schuldig aan de telastlegging B.1.10 (misbruik van vennootschapsgoederen); dat feit was aanvankelijk omschreven als het toebrengen van nadeel aan Easy Built bv door de overschrijving aan de eiser II van een bedrag van 2.360,00 euro toebehorend aan Easy Built bv; het arrest herkwalificeert dat feit echter tot het toebrengen van nadeel aan Easy Built bv door de overschrijving aan de eiser II van een bedrag van 2.360,00 euro toebehorend aan Acomad bv; voor het plegen van misbruik van vennootschapsgoederen is vereist dat de vennootschap van wiens goederen gebruik wordt gemaakt, dezelfde is als de vennootschap in wiens nadeel de vermogensbelangen werden aangetast. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het vermelde oordeel is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- In de gedinginleidende akte zijn de misdrijven misbruik van vennootschapsgoederen vermeld onder de titel: “tenlastelegging B”. Ondertitel “B.1: m.b.t. de BVBA EASY BUILT” bevat de telastleggingen B.1.1 tot B.1.10 en ondertitel “B.2: m.b.t. de NV ACOMAD” bevat de telastleggingen B.2.1 tot B.2.6 (arrest, p. 9-13).
- Eensdeels oordeelt het arrest (p. 101-102): “De nog te beoordelen telastleggingen weerhouden onder B.1 betreffen volgens de aanhangig makende akte het misbruik van vennootschapsgoederen van de bvba Easy Built (zie echter wat B.1.10 betreft hierna), namelijk (…) verschillende transacties met geldsommen toebehorend aan de bvba Easy Built via de derdenrekening van [de eiseres I.1] (B.1.3-B.1.6 en B.1.10) (…).” Anderdeels oordeelt het arrest (p. 105) dat het bedrag van 2.360,00 euro, voorwerp van de telastlegging B.1.10, afkomstig is van Acomad nv en niet van Easy Built bv en heromschrijft het dienvolgens deze telastlegging door daarin onder meer de woorden “toebehorend aan de BVBA EASY BUILT” te vervangen door “toebehorend aan ACOMAD NV”.
- Met die redenen, waaronder het vermelde voorbehoud voor de telastlegging B.1.10, geeft het arrest te kennen dat ingevolge de overschrijving van het bedrag van 2.360,00 euro, toebehorend aan Acomad nv, wel degelijk de vermogensbelangen van Acomad nv en niet deze van Easy Built bv zijn geschonden. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvordering: in zoverre het arrest zo moet worden gelezen dat het de eiseres I.1 toch schuldig verklaart aan het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen ten nadele van Acomad nv, miskent het de saisine van de vonnisrechters omdat de eiseres I.1 niet is verwezen voor misbruik van vertrouwen ten nadele van Acomad nv.
- De akte van aanhangigmaking maakt bij de correctionele rechtbank niet de daarin vervatte kwalificatie aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan deze akte ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en de rechtbank, ook in hoger beroep, heeft de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging van de partijen, aan de feiten hun juiste omschrijving te geven.
- Uit de in het arrest (p. 99-106) vermelde gegevens, waaronder het verweer van de eiseres I.1 zelf, kunnen de appelrechters wettig afleiden dat de in de telastlegging B.1.10 bedoelde gelden in werkelijkheid niet toebehoorden aan Easy Built bv maar aan Acomad nv en dat de in die zin verbeterde telastlegging dezelfde feitelijke gedraging betreft als deze bedoeld in de oorspronkelijke telastlegging. Aldus gelasten de appelrechters zich niet met een nieuw feit, maar geven zij aan het bij hen aanhangig gemaakte feit zijn juiste omschrijving en is hun beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM: het arrest herkwalificeert de telastlegging B.1.10 zonder dat de appelrechters de eiseres I.1 de gelegenheid hebben gegeven zich daarop te verdedigen.
- Het arrest (p. 105) stelt vast dat het verweer van de eiseres I.1 betrekking had op de telastlegging B.1.10 zoals heromschreven, alsook (p. 100) dat de eiseres I.1 zelf heeft aangevoerd dat de telastlegging B.1.10 gelden betrof van Acomad nv en niet van Easy Built bv. Hieruit blijkt dat de eiseres I.1 wel degelijk de gelegenheid heeft gehad zich te verdedigen op de heromschreven telastlegging B.1.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiseres I.1 Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiseres I.1 voor de telastlegging E.2 (witwassen) zonder te antwoorden op haar verweer dat, behoudens het teruggestorte bedrag van 2.360,67 euro en de betaling van 5.500,00 euro aan een schuldeiser van Easy Built bv, de ontvangen derdengelden ten bedrage van 47.500,00 euro werden aangewend voor de betaling van schuldeisers van Acomad nv; de betaling aan die schuldeisers maakt het onmogelijk dat de illegale oorsprong van deze gelden erin zou bestaan dat zij aan de schuldeisers van Acomad nv werden onttrokken, zoals het arrest oordeelt.
- In haar syntheseappelconclusie heeft de eiseres I.1 aangevoerd dat het op haar derdenrekening vanwege de eiser II ontvangen bedrag van 47.500,00 euro, behoudens voor wat betreft het aan de eiser II teruggestorte deelbedrag van 2.360,67 euro, is betaald geworden aan de schuldeisers die zij heeft opgesomd, met opgave van het betaalde bedrag per schuldeiser. Zij heeft op grond daarvan de telastleggingen witwassen betwist. Het arrest beantwoordt dat verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Eerste middel van de eiser I.2
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting niet in zijn persoon waren verenigd en dat hij voor geen enkele telastlegging listige kunstgrepen heeft gehanteerd of een valse hoedanigheid heeft gebruikt om klanten of leveranciers van Easy Built bv te misleiden (eerste onderdeel); uit de feiten die het arrest vaststelt, kunnen de appelrechters niet wettig afleiden dat de eiser I.2 op determinerende wijze listige kunstgrepen heeft aangewend om zich bedrieglijk gelden te doen afgeven door slachtoffers (tweede onderdeel).
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiseres I.1, kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen.
- Naast de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel van de eiseres I.1, in zoverre die eveneens betrekking hebben op de eiser I.2, oordeelt het arrest (p. 90, 95-96 en 146) onder meer dat: - de eiser I.2 vanaf 12 augustus 2013 economisch rechthebbende blijkt te zijn op de rekeningen bij KBC van Easy Built bv; - “[De eiser I.2] volgens het hof (van beroep) zeker vanaf de publicatie van zijn aanstelling als zaakvoerder van de bvba Easy Built op 26 april 2013 duidelijk betrokken [was] bij de concrete werking van de bvba Easy Built. In dat verband merkt het hof (van beroep) op dat [de eiser I.1] kennelijk vanaf begin maart 2013 zijn tewerkstelling via B&C Trans Ltd. bij de bvba Guy Janssen stopte (…). Het hof (van beroep) merkt op dat [S.O.], die vanaf oktober 2012 als onderaannemer begon te werken voor de bvba Easy Built, verklaarde dat [de eiser I.2] hem in cash in het zwart uitbetaalde (…), waaruit blijkt dat [de eiser I.2] ook op financieel vlak reeds in 2012 een bepaald vertrouwen genoot van [de eiser II]. Het hof (van beroep) acht het mede gelet op dit gegeven en het feit dat [de eiseres I.1] de formaliteiten voor het ontslag van [S.P.] in de bvba Easy Built regelde, totaal ongeloofwaardig dat [de eiser I.2] van zijn aanstelling als zaakvoerder in rechte niet op de hoogte zou zijn geweest, daarin begrepen het feit dat die aanstelling werd gesitueerd op 1 december
- Mede gelet op het feit dat de algemene vergadering op die datum werd gesitueerd, is het hof (van beroep) van oordeel dat ook voor [de eiser I.2] moet worden aangenomen dat hij vanaf 1 december 2012 als feitelijk (mede)bestuurder van de bvba Easy Built moet worden aanzien. […]. Overigens ontkende [de eiser I.2] bij zijn verhoor in die zaak niet dat hij zaakvoerder van de bvba Easy Built was (…).” - “Wat de telastlegging C.3.1 betreft het opvallend [is] dat [de eiser I.2], die sinds eind juni, begin juli 2012 contacten had met de bvba Ravanna voor de leveringen van natuursteen aan bvba Easy Built, begin 2013 bij de bvba Ravanna kwam met [de eiser II] voor een grote bestelling van natuursteen, wat er voor het hof (van beroep) mede op wijst dat [de eiser I.2] toen al als feitelijk zaakvoerder van bvba Easy Built handelde.”
- Met die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters de eiser I.2 schuldig verklaren als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek van de feiten van de telastleggingen C.2.3 tot C.2.38, in zoverre bewezen verklaard, en C.3, beantwoorden zij eisers verweer en is hun beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat zij verder moesten ingaan op elk detail van eisers verweer, noch op zijn doelloze verweer dat hijzelf niet de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting in zijn persoon verenigde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: de appelrechters oordelen dat de hen voorgelegde feiten, die betrekking hebben op een periode tussen 15 februari 2011 en 3 december 2014, niet voortspruiten uit hetzelfde opzet als de feiten gepleegd in de periode tussen 1 maart 2009 en 19 juni 2012, waarvoor de eiser definitief is veroordeeld bij het vonnis van 11 maart 2015 van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, dit gelet op de cesuur in de tijd; aldus oordeelt het arrest dat er geen cesuur in de tijd mag zijn tussen de verschillende feiten opdat toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek; bovendien preciseert het arrest niet waar de cesuur in de tijd dan is gepositioneerd.
- De rechter moet bij zijn oordeel over de eenheid van opzet in de zin van artikel 65 Strafwetboek geen rekening houden met feiten waarvoor hij de beklaagde vrijspreekt. Voor het overige oordeelt de rechter onaantastbaar of verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde strafbaar opzet, zoals bedoeld in artikel 65 Strafwetboek. Hij kan de afwezigheid van eenheid van opzet afleiden uit alle hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens, zoals het tijdsverloop tussen de reeds beoordeelde en de bij hem aanhangige feiten. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen van het arrest (p. 154) die het onderdeel bekritiseert, geven de appelrechters te kennen dat de feiten die het voorwerp uitmaken van eisers veroordeling van 11 maart 2015, namelijk feiten gepleegd vanaf januari 2006, zich situeren geruime tijd vóór de feiten waarvoor zij hem veroordelen en die zich in hoofdzaak situeren vanaf november 2012 (p. 92-94). Op grond daarvan kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de onderscheiden feiten voor wat betreft de eiser II niet zijn verbonden door eenheid van opzet in de zin van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. Met die redenen is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen dat de hen voorgelegde feiten niet voorspruiten uit hetzelfde opzet als de feiten van sociale fraude waarvoor de eiser II definitief is veroordeeld bij het vonnis van 7 juni 2017 van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, omdat de door hen bewezen verklaarde misdrijven werden gepleegd met de bedoeling om zichzelf en anderen die nauw bij hem betrokken waren te verrijken, terwijl de feiten waarvoor de eiser II werd veroordeeld bij het vermelde vonnis van 7 juni 2017 betrekking hebben op het omzeilen of overtreden van regels van tewerkstelling en dit laatste als een onderscheiden opzet moet worden beschouwd; uit het vonnis van 7 juni 2017 blijkt echter dat de eiser II ook de daarin beoordeelde feiten heeft gepleegd om zich te verrijken via Easy Built bv, terwijl de illegale tewerkstelling ook betrekking had op werven van personen die zich thans burgerlijke partij hebben gesteld.
- In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen niet dat de feiten die het voorwerp uitmaakten van eisers veroordeling van 7 juni 2017 niet werden gepleegd om de eiser II te verrijken. Zij oordelen enkel dat de verrijking waarvan sprake in hun arrest zich onderscheidt van het opzet tot ontduiking van de sociale regelgeving waarmee de eiser II de vorige feiten pleegde. Aldus geeft het arrest van het vonnis van 7 juni 2017 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: door louter en zonder verdere motivering te oordelen dat de redelijke termijn is overschreden en de straf te herleiden van gevangenisstraf van vijf jaar naar gevangenisstraf van vier jaar, laat het arrest na de voornaamste redenen tot staving van de toepassing van de redelijke termijn te vermelden.
- In zoverre het middel opkomt tegen de beslissing van de appelrechters dat de redelijke termijn voor de behandeling van eisers zaak effectief is overschreden en dat die overschrijding aanleiding moet geven tot een passend rechtsherstel, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter om te antwoorden op conclusies van partijen, maar verplicht hem daarbuiten niet om de voornaamste redenen voor zijn beslissing op de strafvordering te vermelden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige vermeldt het arrest (p. 151-156) wel degelijk de redenen op grond waarvan het wegens de overschrijding van de redelijke termijn beslist tot de reële en meetbare strafvermindering die het middel vermeldt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Omvang van de cassatie
- De vastgestelde onwettigheid van de beslissing voor wat betreft de eiseres I.1 leidt tot de vernietiging van de beslissingen tot: - de schuldigverklaring van die eiseres aan de telastlegging E.2; - de veroordeling van die eiseres tot straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten van de strafvordering; - de gegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders I.1.4 lastens die eiseres, in zoverre deze is gesteund op de telastlegging E.2; - de toewijzing aan de verweerders I.1 van het bedrag van 604,05 euro dat lastens de eiseres I.1 wordt verbeurdverklaard op grond van de telastlegging E.
- Zij laat de overige beslissingen van het arrest ongemoeid. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep II in de voormelde mate. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres I.1 schuldig verklaart aan de telastlegging E.2, haar veroordeelt tot straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten van de strafvordering, de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders I.1.4 lastens haar gegrond verklaart in zoverre die vordering is gesteund op de telastlegging E.2 en het lastens de eiseres I.1 op grond van de telastlegging E.2 verbeurdverklaarde bedrag van 604,05 euro toewijst aan de verweerders I.
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres I.1 tot twee derden van de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eisers I.2 en II tot de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 2.932,01 euro, waarvan de eisers I.1 en I.2 665,91 euro zijn verschuldigd en de eiser II 665,92 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div