← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.1 Rolnummer: P.22.0976.N Zaak: A. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-08-08 Raadplegingen: 894 - laatst gezien 2026-06-15 11:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wet Strafuitvoering bepaalt dat het openbaar ministerie de zaak met het oog op herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig kan maken wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd; uit die bepaling volgt dat elke niet-naleving van een bijzondere voorwaarde, met inbegrip van een gedeeltelijke niet-naleving, de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit kan verantwoorden

(1).
(1)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0829.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Strafuitvoering - Artikel 64, 3° - Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit - Niet-naleving van een opgelegde bijzondere voorwaarde - Gedeeltelijke niet-naleving - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0976.N A A, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 1 juli
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering: met het oordeel dat de eiser de voorwaarde nr. 7 niet of minstens onvoldoende heeft nageleefd, stelt het vonnis niet vast zoals door de vermelde bepaling wordt vereist dat deze voorwaarde niet werd nageleefd; aldus is de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet naar recht verantwoord.
  4. Artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het openbaar ministerie de zaak met het oog op herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig kan maken wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd.
  5. Uit die bepaling volgt dat elke niet-naleving van een bijzondere voorwaarde, met inbegrip van een gedeeltelijke niet-naleving, de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit kan verantwoorden. In zoverre het onderdeel aanvoert dat een onvoldoende naleving van een bijzondere voorwaarde een herroeping niet kan verantwoorden, faalt het naar recht.
  6. Bij vonnis van 30 april 2021 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend onder meer onder de bijzondere voorwaarde nr. 7, namelijk “met betrekking tot uw agressieproblematiek, een ambulante behandeling door een gespecialiseerde hulpverleningsinstantie volgen, en de bewijzen hiervan voorleggen aan uw justitieassistent, en met uw behandeling niet stoppen tenzij in samenspraak met de hulpverlener en uw justitieassistent”.
  7. Het vonnis stelt vast dat aan de voorwaarde nr. 7 geen invulling meer werd gegeven na het laatste gesprek bij ZorggroepZin op 20 januari 2022, volgens de informatie verstrekt door ZorggroepZin de begeleiding al een tijdje moeilijk liep omdat de eiser niet openstond voor hulpverlening en de justitieassistent heeft gerapporteerd dat de eiser ook tegenover haar de zin van de begeleiding in vraag heeft gesteld. Het concludeert dat de eiser de voorwaarde nr. 7 niet of minstens onvoldoende heeft nageleefd. Aldus verantwoordt het vonnis de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit wegens niet-naleving van de voorwaarde nr. 7 overeenkomstig artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering: het vonnis grondt de herroepingsbeslissing mede op de vaststelling dat niet is aangetoond dat de eiser bij een eventuele invrijheidstelling opnieuw aan de slag zou kunnen bij A&A Trading of dat hij voor de agressiebegeleiding nog terechtkan bij ZorggroepZin of een gelijkwaardige dienst, terwijl die redenen volgens artikel 64 Wet Strafuitvoering geen herroeping kunnen verantwoorden van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
  9. Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat de niet-naleving van de bijzondere voorwaarde nr. 7 op zich reeds de herroeping verantwoordt van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
  10. Het onderdeel dat is gericht tegen andere redenen dan de vaststelling van de niet-naleving van de bijzondere voorwaarde nr. 7 kan dan ook niet tot cassatie leiden, zodat het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het beginsel van de tegenspraak als onderdeel van het recht op een eerlijk proces: de strafuitvoeringsrechtbank had het debat moeten heropenen teneinde de eiser in staat te stellen de nodige stukken bij te brengen betreffende de tewerkstelling bij A&A Trading en de agressiebegeleiding bij ZorggroepZin of een gelijkwaardige dienst.
  12. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, zodat het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het dossier en dus ook het proces-verbaal van de rechtszitting van 24 juni 2022 waren tijdens de termijn om een memorie in te dienen onbeschikbaar.
  14. Het onderdeel dat niet is gericht tegen het vonnis, is niet ontvankelijk. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 68, § 1, eerste lid, Wet Strafuitvoering: de zaak werd niet behandeld op de eerste nuttige zitting uiterlijk vijftien dagen na de aanhangigmaking ervan op 13 mei 2022, maar slechts op 3 juni
  16. De door artikel 68, § 1, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalde termijn van vijftien dagen om de zaak te behandelen na de aanhangigmaking door het openbaar ministerie is een ordetermijn. De overschrijding van die termijn heeft niet tot gevolg dat de strafuitvoeringsrechtbank niet over de herroepingsvordering kan oordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Sabine Geubel, Steven Van Overbeke en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 2 augustus 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.