← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.2 Rolnummer: P.22.1036.N Zaak: N. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-02 Raadplegingen: 1179 - laatst gezien 2026-06-18 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een inverdenkinggestelde vrijwillig en wel overwogen afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een raadsman; uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde zich bij een verhoor heeft beroepen op zijn zwijgrecht, volgt niet dat hij niet vrijwillig en niet wel overwogen afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een raadsman - Afstand - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Recht op bijstand van een raadsman - Afstand - Zwijgrecht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een raadsman - Afstand - Zwijgrecht - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Verhoor - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een raadsman - Afstand - Zwijgrecht - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Fiche 6 Het in het artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde verhoor heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de inverdenkinggestelde betreffende de hem verweten feiten zodat zijn recht van verdediging is gewaarborgd; de wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde ondervraging moet verlopen en noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging, zodat het niet is vereist dat de onderzoeksrechter vragen stelt betreffende elk detail van de aan de inverdenkinggestelde verweten feiten of specifieke vragen stelt betreffende alle telastleggingen maar het noodzakelijk is maar volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging kan uitoefenen

(1).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0537.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14, AC 2022, nr. 311; Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0265.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5, AC 2019, nr. 185. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Verhoor door de onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 8 Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt voor de onderzoeksrechter de verplichting om, indien een inverdenkinggestelde zich bij een voorafgaand politioneel verhoor op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij dit niet langer doet voor de onderzoeksrechter, de inverdenkinggestelde opnieuw dezelfde vragen te stellen
(1).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0537.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14, AC 2022, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Inverdenkinggestelde die zich bij het politioneel verhoor beroepen heeft op zijn zwijgrecht - Verhoor door de onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Verhoor door de onderzoeksrechter - Inverdenkinggestelde die zich bij het politioneel verhoor beroepen heeft op zijn zwijgrecht - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.22.1036.N J C N, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Nelson Vanlocke en mr. Jean Flamme, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 juli
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de wapengelijkheid en de tegensprekelijkheid van het debat: eisers recht van verdediging is miskend door het appelgerecht en door de vervolgende partij; het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijke vordering slechts bezorgd aan de raadsman van de eiser nadat deze daarom had verzocht; dit gebeurde slechts pas korte tijd vóór de rechtszitting per e-mail en vervolgens tijdens het pleidooi van de raadsman; de eiser was bijgevolg niet in de mogelijkheid om die vordering te bestuderen en te beantwoorden; het arrest neemt die vordering over terwijl de appelrechters wisten dat de gegevens ervan de raadsman van de eiser onbekend waren; de procureur-generaal heeft zich op de rechtszitting bovendien beperkt tot een verwijzing naar die vordering.
  4. Artikel 6.1 en 6.3 EVRM zijn in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  5. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid of van de tegensprekelijkheid van het debat dat te onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. In zoverre het middel is gericht tegen het handelen van de procureur-generaal en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  8. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  9. De eiser heeft volgens het arrest (p. 7) op de rechtszitting aangevoerd dat hij de vordering van het openbaar ministerie slechts op de rechtszitting heeft ontvangen niettegenstaande hij dit reeds twee dagen voordien had gevraagd. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser daaruit een miskenning van zijn recht van verdediging heeft afgeleid of om een uitstel van behandeling van de zaak heeft verzocht om alsnog van die vordering kennis te nemen. Hij kan in die omstandigheden niet voor het eerst voor het Hof een miskenning van zijn recht van verdediging aanvoeren. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de bewijskracht van het verhoor van de eiser door de federale politie: de eiser werd eerst verhoord door de federale politie zonder bijstand van zijn raadsman; de eiser heeft bij dit verhoor meegedeeld dat mr. Jean Flamme zijn raadsman is, maar deze werd niet opgeroepen; het oordeel door het arrest dat eisers argument ter zake feitelijke grondslag mist, miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van verhoor; een afstand van het recht op bijstand moet vrijwillig en wel overwogen zijn, wat betekent dat de betrokkene moet zijn geïnformeerd over zijn rechten en over de gevolgen van een eventuele afstand; uit het feit dat de eiser zich bij het verhoor systematisch heeft beroepen op zijn zwijgrecht volgt dat de afstand, voor zover die er was, niet wel overwogen kan zijn geweest; eisers recht van verdediging is onherstelbaar miskend, waardoor de procedure niet meer kan worden verdergezet; aan het eerste verhoor kan bovendien niet de minste bewijswaarde worden toegekend daar de eiser werd niet verhoord over de feiten.
  11. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een inverdenkinggestelde vrijwillig en wel overwogen afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een raadsman. Uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde zich bij een verhoor heeft beroepen op zijn zwijgrecht, volgt niet dat hij niet vrijwillig en niet wel overwogen afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Op grond van de redenen die het arrest bevat, kan het wettig oordelen dat de eiser op volkomen wettelijke wijze afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een advocaat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  13. Het arrest oordeelt met verwijzing naar het proces-verbaal nr. 3863/2022 van 2 juli 2022 van de politiezone Assenede-Evergem als volgt: - nadat de eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand, werd hem op het einde van het verhoor gevraagd of hij de bijstand van een advocaat wenste bij zijn eventuele voorleiding voor de onderzoeksrechter; - de eiser heeft daarop de naam genoemd van zijn huidige raadsman; - de eiser heeft op geen enkel moment daarvoor aangegeven dat hij de bijstand wenste van een raadsman ter gelegenheid van het politioneel verhoor; - het argument dat de eiser mr. Jean Flamme heeft aangewezen als zijn advocaat bij het verhoor door de politie mist dan ook elke feitelijke grondslag. Met dit oordeel geeft het arrest van dit proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  14. Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan de artikelen 5.2, 5.3 en 6.3.a EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het principe van de bewijskracht van akten: het arrest stelt vast dat uit het inhoud van het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter blijkt dat de eiser door de onderzoeksrechter in kennis werd gesteld van de feiten waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl dit nergens uit blijkt en ook niet is gebeurd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van akten; het verhoor door de onderzoeksrechter is gebrekkig; de onderzoeksrechter moet de inverdenkinggestelde ondervragen over alle elementen die een voorwaarde zijn voor voorlopige hechtenis; aangezien de onderzoeksrechter zelf heeft kunnen vaststellen dat het recht op bijstand bij de politionele ondervraging was miskend, had hij de eiser moeten herondervragen wat hij heeft nagelaten; de herondervraging was zeker vereist aangezien de eiser zich tegenover de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen; het verhoor door de onderzoeksrechter is bijzonder summier, algemeen en oppervlakkig; het is beperkt tot de vraag of de eiser zijn politionele verklaringen bevestigt en het gaat niet in detail in op de precieze aard van de feiten; de beroepen beschikking oordeelt ten onrechte dat een inverdenkinggestelde niet moeten worden ondervraagd over de feiten; het arrest oordeelt ten onrechte dat het verhoor door de onderzoeksrechter geen geleide ondervraging moet zijn of dat niet is vereist dat aan de eiser over alle telastleggingen specifieke vragen worden gesteld.
  16. Artikel 6.3.a EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  17. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de beroepen beschikking en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  20. Het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter (p. 2-3) vermeldt dat de onderzoeksrechter aan de eiser kennis heeft gegeven van de in de vordering van het openbaar ministerie van 2 september 2021 vervatte feiten, met vermelding van de plaats en tijdsbepaling en de omschrijvingen ervan onder de telastleggingen A tot en met D en dat de onderzoeksrechter lezing heeft gegeven van de motivering zoals aangehaald in de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek door de procureur des Konings.
  21. Met het oordeel dat uit de inhoud van het proces-verbaal van het verhoor door de onderzoeksrechter blijkt dat de eiser door de onderzoeksrechter in kennis werd gesteld van de feiten waarvoor hij wordt vervolgd, geeft het arrest (p. 9, randnr. 3.4) een uitlegging van dit proces-verbaal die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  22. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het tweede middel aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
  23. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de inverdenkinggestelde voortvluchtig is of zich verbergt de onderzoeksrechter vooraleer een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldigingstelling ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen.
  24. Dit verhoor heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de inverdenkinggestelde betreffende de hem verweten feiten zodat zijn recht van verdediging is gewaarborgd.
  25. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde ondervraging moet verlopen. Noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging. Niet is vereist dat de onderzoeksrechter vragen stelt betreffende elk detail van de aan de inverdenkinggestelde verweten feiten of specifieke vragen stelt betreffende alle telastleggingen. Het is noodzakelijk maar het volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging kan uitoefenen.
  26. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt voor de onderzoeksrechter de verplichting om, indien een inverdenkinggestelde zich bij een voorafgaand politioneel verhoor op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij dit niet langer doet voor de onderzoeksrechter, de inverdenkinggestelde opnieuw dezelfde vragen te stellen.
  27. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  28. Het arrest (p. 10) oordeelt dat uit de tekst van het eigenlijke verhoor, zoals geciteerd onder het randnummer 3.2, zeer duidelijk blijkt dat de eiser wel degelijk werd ondervraagd over de feiten die aan de vervolging ten grondslag liggen en die aanleiding konden geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en dat de inverdenkinggestelde in zijn opmerkingen werd gehoord. Het stelt verder vast dat de eiser uitdrukkelijk heeft bekend dat hij zich heeft ingelaten met phishing-activiteiten en met het ronselen van zogenaamde money-mules. Het oordeelt ten slotte dat de eiser, die bij zijn verhoor werd bijgestaan door twee raadslieden, door de onderzoeksrechter uitdrukkelijk werd ingelicht dat hij opmerkingen mocht formuleren die noodzakelijk werden geacht en dat uit de verklaring van de eiser ook blijkt dat hij van die mogelijkheid ter dege gebruik heeft gemaakt. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat de eiser werd ondervraagd zoals vereist door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan de artikelen 5.2, 5.3 en 6.3.a EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: de onderzoeksrechter heeft partijdigheid laten blijken; de vermelding van de omstandigheden eigen aan de persoonlijkheid van de eiser zijn uit de lucht gegrepen want de onderzoeksrechter heeft hem niet ondervraagd over zijn persoonlijkheid; de gegevens met betrekking tot het strafrechtelijk verleden zijn onjuist; de beoordeling van het gevaar voor de openbare veiligheid vereist een specifieke en geïndividualiseerde ondervraging over de persoonlijkheid van de eiser, onafhankelijk van de ernst van de feiten; met het oordeel over het vluchtgevaar miskent de onderzoeksrechter ook de objectieve gegevens van het dossier en de bewijskracht van akten; de eiser is geheel uit vrije wil teruggekeerd naar België wetende dat er een kans bestond dat hij zou worden opgepakt; de bevel tot aanhouding is niet gemotiveerd en bijgevolg onwettig en nietig.
  30. Artikel 6.3.a EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  31. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  32. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  33. In zoverre het onderdeel is gericht tegen het optreden van de onderzoeksrechter of het bevel tot aanhouding zelf en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  34. Uit artikel 5.2 en 5.3 EVRM en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet volgt niet dat de onderzoeksrechter verplicht is bij de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde voorafgaande ondervraging de inverdenkinggestelde ook te verhoren over zijn persoonlijkheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  35. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de beoordeling van de feiten door het onderzoeksgerecht. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 EVRM en misbruik van procesrecht: de miskenning van de basisrechten van de eiser is dusdanig dat een verderzetting van de strafprocedure niet mogelijk is en de strafvordering onontvankelijk moet worden verklaard.
  37. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel, Ariane Jacquemin en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 9 augustus 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.