← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Gerechtelijk onderzoek - Omvang - Onderzoek naar de ermee verband houdende financiële relaties en transacties en bestemming van de gelden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Inbreuken op de drugswet in vereniging - Gerechtelijk onderzoek - Omvang - Onderzoek naar de ermee verband houdende financiële relaties en transacties en bestemming van de gelden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Gerechtelijk onderzoek - Omvang - Feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugswet in vereniging - Onderzoek naar de ermee verband houdende financiële relaties en transacties en bestemming van de gelden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 De redenen dat het gevaar voor collusie en het gevaar voor het wegmaken van bewijsmateriaal blijven bestaan, gelet op het verder onderzoek naar de financiële relaties en transacties en de bestemming van de gelden die mogelijk werden gegenereerd door de ten laste gelegde feiten, hebben geen betrekking op de feiten van witwassen waarvoor de eiser niet werd overgeleverd, maar wel op de feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugwet in vereniging. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Gevaar voor collusie of wegmaking van bewijsmateriaal - Feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugswet in vereniging - Onderzoek naar de ermee verband houdende financiële relaties en transacties en bestemming van de gelden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Overlevering voor feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugswet in vereniging - Onderzoek naar de ermee verband houdende financiële relaties en transacties en bestemming van de gelden - Geen overlevering voor feiten van witwassen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1043.N J H, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: met de redenen dat de in het bevel tot aanhouding vermelde ernstige aanwijzingen van schuld actueel blijven en nog zijn versterkt door het verder onderzoek naar de SKY-accounts en dat dit niet wordt teniet gedaan door de argumentatie in de appelconclusie die een loutere eigen interpretatie betreft, beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiser dat uit geen enkel element blijkt dat hij in verband kan worden gebracht met een recente geïdentificeerde PIN “groen jas” en dat de recente aanhouding van M.G. op geen enkele wijze in verband kan worden gebracht met het beweerd aandeel van de eiser.
  3. Het arrest (p. 2, randnummer 3.2) betrekt bij de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld niet de recente aanhouding van M.G. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  4. Artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet dat overeenkomstig artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, bepaalt dat de raadkamer moet antwoorden op conclusies van de partijen. Het bepaalt ook dat indien de partijen het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten onder de vermelding van feitelijke gegevens, het onderzoeksgerecht bij een handhaving van de hechtenis aan de antwoordplicht kan voldoen door te preciseren welke gegevens dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken.
  5. Het arrest verwijst naar de in het bevel tot aanhouding vermelde ernstige aanwijzingen van schuld en oordeelt dat die nog steeds actueel zijn en nog worden versterkt door het verder onderzoek van de SKY-accounts en dat die vaststelling niet wordt ongedaan gemaakt door de argumenten in eisers appelconclusie, die louter een eigen interpretatie betreffen. Het bevel tot aanhouding (p. 2, twee laatste alinea’s, p. 3, eerste alinea) vermeldt als ernstige aanwijzingen van schuld de informatie verkregen uit het hacken van de SKY APP, het kunnen identificeren van de eiser als mogelijke gebruiker van meerdere SKY PINS waaronder de PIN TACKO wat wordt afgeleid uit de geo-localisatiegegevens en uit de communicaties in SKY zelf waarbij gegevens overeenstemmen met feitelijke gegevens eigen aan de eiser, de ongeloofwaardigheid van eisers ontkenning op dit punt, de uit de PIN-gegevens afgeleide informatie dat de eiser zou zorgen voor de aanlevering van bedrijven die worden gebruikt om containers vanuit Zuid-Amerika te laten toekomen, alsook de contacten tussen de PINS die mogelijk aan de eiser kunnen worden toegeschreven en PINS toegeschreven aan andere inverdenkinggestelden. Het bevel vermeldt ook het gegeven dat de eiser financieel adviseur is van de firma S., zijnde de firma die de bestemming was van de container waarin 2,8 ton cocaïne werd teruggevonden, alsook de aanwijzingen dat er mogelijkerwijze nog meer containers bestemd zijn voor S. en het bestaan van een contact tussen de eiser en de vader van de inverdenkinggestelde K.V.
  6. In zijn appelconclusie onder de rubriek “Aangaande ernstige aanwijzingen van schuld” (p. 5, laatste alinea, p. 6, eerste alinea) heeft de eiser enkel aangevoerd dat de gegevens eigen aan zijn beweerd aandeel en zijn persoonlijkheid geen handhaving van de voorlopige hechtenis wettigen. In de rubriek “Stand van het onderzoek” (p. 3, laatste alinea, p. 4, eerste alinea) heeft hij eiser enkel aangevoerd dat geen nader onderzoek werd gevoerd of is gepland betreffende de tot dusver ongeïdentificeerde PINS en dat een inverdenkinggstelde die zich in dezelfde situatie zou bevinden als de eiser na verhoor heeft mogen beschikken.
  7. Uit het voorgaande volgt dat het arrest in overeenstemming met artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet de door de eisers gevoerde betwisting betreffende het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen van schuld heeft beantwoord en verworpen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de M.G. niets met de eiser te maken heeft en betreffende de voortgang van het onderzoek; er blijkt niet dat enige onderzoeksdaad is gepland met betrekking tot de eiser; hij werd ook nooit grondig verhoord, maar na zijn overlevering slechts één keer gedurende twintig minuten; er is geen nieuw verhoor gepland; de laatste vier maanden heeft het onderzoek betrekking op aspecten die geen verband houden met de eiser; volgens het openbaar ministerie is het onderzoek rond en is een synthese proces-verbaal in voorbereiding.
  9. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  10. Uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde sinds geruime tijd niet meer werd verhoord of rechtstreeks het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoeksmaatregel, volgt niet noodzakelijk dat zijn voorlopige hechtenis niet of niet langer is verantwoord.
  11. De door artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet opgelegde verplichting te antwoorden op conclusies van partijen, die volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, moet, rekening houdend met de korte termijn waarbinnen het onderzoeksgerecht moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op een redelijke wijze worden ingevuld. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht weliswaar de middelen van een inverdenkinggstelde moet beantwoorden, maar niet elk detail van die middelen moet ontmoeten.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Met de redenen die het arrest onder het randnummer 3.
  14. bevat, beantwoordt dit het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet het door de eiser op grond van artikel 5.3 EVRM ontwikkelde verweer over de redelijkheid van de duur van zijn hechtenis; het oordeel van het arrest over artikel 5.
  16. EVRM vormt geen antwoord op de door de eiser aangevoerde schending van artikel 5.3 EVRM.
  17. De door artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet opgelegde verplichting te antwoorden op conclusies van partijen, die volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, moet, rekening houdend met de korte termijn waarbinnen het onderzoeksgerecht moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op een redelijke wijze worden ingevuld. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht weliswaar de middelen van een inverdenkinggstelde moet beantwoorden, maar niet elk detail van die middelen moet ontmoeten.
  18. De rechter kan een verweer dat de schending aanvoert van een verdragsbepaling beantwoorden en verwerpen, ook al verwijst hij in zijn antwoord niet uitdrukkelijk naar die verdragsbepaling.
  19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Met de redenen die het arrest bevat onder het randnummer 3.3, beantwoordt en verwerpt het ook de aangevoerde schending van artikel 5.3 EVRM. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest motiveert het gevaar voor collusie en voor het wegmaken van bewijzen door een verwijzing naar het verder onderzoek betreffende de financiële relaties en transacties en de bestemming van de gelden die mogelijk werd gegenereerd door de ten laste gelegde feiten, wat indruist tegen het specialiteitsbeginsel zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel; de eiser werd immers enkel overgeleverd voor lidmaatschap aan een criminele organisatie en handel in drugs en niet voor witwassen; de verdere aanhouding van de eiser kan niet worden gegrond op de door het arrest aangenomen redenen aangezien dit een onderzoek zou betreffen naar mogelijk witwassen van de opbrengsten van misdrijven.
  22. Tot het gerechtelijk onderzoek naar feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugwet in vereniging behoort ook het onderzoek naar de daarmee verband houdende financiële relaties en transacties en de bestemming van de gelden die mogelijk door die misdrijven werden gegenereerd en dit ongeacht of het gerechtelijk onderzoek ook betrekking heeft op feiten van witwassen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. De redenen dat het gevaar voor collusie en het gevaar voor het wegmaken van bewijsmateriaal blijven bestaan, gelet op het verder onderzoek naar de financiële relaties en transacties en de bestemming van de gelden die mogelijk werden gegenereerd door de ten laste gelegde feiten, hebben geen betrekking op de feiten van witwassen waarvoor de eiser niet werd overgeleverd, maar wel op de feiten van lidmaatschap aan een criminele organisatie en inbreuken op de drugwet in vereniging. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Vijfde middel
  24. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt eisers verweer over het vermeende recidive-, collusie- en vluchtgevaar slechts in algemene bewoordingen en dus niet concreet; de enkele verwijzing naar het mogelijk financieel gewin kan het bestaan van recidivegevaar niet verantwoorden; meerdere inverdenkinggestelden werden reeds in vrijheid gesteld; uit geen enkel element blijkt dat de eiser naar aanleiding van het verhoor van een inverdenkinggstelde heeft gecolludeerd; het arrest antwoordt niet op eisers aanvoering dat hij in het verleden spontaan naar België is gekomen voor verhoren, dat hij zich ter beschikking heeft gehouden van de justitie tijdens de schorsing van zijn overleveringsdetentie in Nederland en dat hij zich als gevolg van de huiszoeking op 20 oktober 2021 spontaan bij de politie heeft aangeboden, terwijl dit alle contra-indicaties zijn voor vluchtgevaar; de eiser heeft ook met stukken aangetoond dat hij zich met zijn gezin recent in België heeft gevestigd, wat zijn intentie aantoont om zich ter beschikking te houden van de Belgische justitie.
  25. In zoverre het middel onder het mom van een motiveringsgebrek opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van het bestaan van een gevaar voor collusie en een gevaar voor vlucht door het onderzoeksgerecht, is het niet ontvankelijk.
  26. De door artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet opgelegde verplichting te antwoorden op conclusies van partijen, die volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, moet, rekening houdend met de korte termijn waarbinnen het onderzoeksgerecht moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op een redelijke wijze worden ingevuld. Daaruit volgt dat indien de inverdenkinggestelde louter op grond van een aantal feitelijke gegevens aanvoert dat er geen gevaar voor collusie of vlucht is, het onderzoeksgerecht dit verweer kan beantwoorden en verwerpen door op grond van feitelijke gegevens die het vermeldt vast te stellen dat die gevaren wel aanwezig zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  27. Met de redenen die het arrest bevat onder de randnummers 3.5 en 3.6, beantwoordt en verwerpt het eisers verweer over het niet voorhanden zijn van een gevaar voor collusie en een gevaar voor vlucht. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  28. Het oordeel over het voorhanden zijn van een gevaar voor collusie en een gevaar voor vlucht verantwoordt de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet naar recht. In zoverre het middel het oordeel bekritiseert betreffende het recidivegevaar, kan het niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Zesde middel
  29. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest wijst eisers in zijn appelconclusie geformuleerd verzoek om hem in vrijheid te stellen, desgevallend onder strikte detentievervangende voorwaarden en tegen de betaling van een borgsom en ondergeschikt de hechtenis verder te zetten onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, af met de standaardformulering dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen of een hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht; hij heeft daartoe telkens meerdere feitelijke gegevens aangevoerd, waar het arrest op geen enkele wijze ingaat; het antwoordt dan ook niet concreet en geïndividualiseerd op eisers verzoeken; het arrest antwoordt evenmin op eisers stelling dat een verderzetting van eisers hechtenis in de gevangenis niet langer kan sporen met het in artikel 5 EVRM bepaalde recht op vrijheid en de beperkende voorwaarden die daarvoor gelden.
  30. Met het geheel van redenen die het arrest bevat onder de randnummers 3.2, 3.3, 3.5 en 3.6, beantwoordt en verwerpt het eisers stelling dat een verderzetting van eisers hechtenis in de gevangenis strijdig is met artikel 5 EVRM. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  31. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel door het arrest dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen, een borgsom of een hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, is het niet ontvankelijk.
  32. De door artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet opgelegde verplichting te antwoorden op conclusies van partijen, die volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, moet, rekening houdend met de korte termijn waarbinnen het onderzoeksgerecht moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, op een redelijke wijze worden ingevuld. Daaruit volgt dat indien de inverdenkinggestelde louter op grond van een aantal feitelijke gegevens aanvoert dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis kunnen worden geneutraliseerd door een invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen een borgsom of door een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht, het onderzoeksgerecht deze aanvoering kan beantwoorden en verwerpen met de reden dat dit niet het geval is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  33. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel, Ariane Jacquemin en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 9 augustus 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.