← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.7 Rolnummer: P.22.1050.N Zaak: E. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-02 Raadplegingen: 1035 - laatst gezien 2026-06-18 14:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd werd dat de beklaagde persoonlijk wenste aanwezig te zijn op de rechtszitting of dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich diende te verplaatsen naar de gevangenis, kan deze voorgehouden schending van artikel 23, 2°,Voorlopige Hechteniswet niet voor het eerst voor het Hof aangevoerd worden. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Verschijning van de inverdenkinggestelde - Kamer van inbeschuldigingstelling - Persoonlijke aanwezigheid van de beklaagde op de rechtszitting - Verplaatsing van het onderzoeksgerecht naar de gevangenis - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verschijning van de inverdenkinggestelde - Persoonlijke aanwezigheid van de beklaagde op de rechtszitting - Verplaatsing van het onderzoeksgerecht naar de gevangenis - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1050.N S E A, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1 en § 5, 21, § 4, 22, zesde en zevende lid, 23, 4° en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door het louter overnemen van de summiere en haaks op de inhoud van het strafdossier staande vordering van de procureur-generaal laat het arrest na de hechtenis van de eiser correct te motiveren op een geïndividualiseerde en concrete wijze; het arrest laat eveneens na de door eiser in zijn appelconclusie aangevoerde elementen te beantwoorden; het arrest heeft verzuimd te antwoorden op de in de conclusie geformuleerde expliciete uitnodiging tot een effectieve en concrete toetsing van de verschillende criteria voor de voorlopige hechtenis; het arrest biedt geen gemotiveerd antwoord op eisers zeer uitgebreid en actueel middel over het gevaar voor het verder onderzoek; het arrest beantwoordt ook niet het concrete verweer over de afwezigheid van onttrekkingsgevaar; het arrest maakt op basis van de inhoud van het strafdossier niet gerechtvaardigde gevolgtrekkingen; het arrest laat eisers uitgebreide conclusie met inbegrip van het bijhorende stukkenbundel wat betreft de door de raadkamer opgelegde voorwaarden en borgsom die het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking geheel neutraliseren onbeantwoord; het arrest maakt geen hernieuwde analyse in het licht van de actuele stand van het dossier; er is sprake van een verboden automatisme. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM en de artikelen 16, § 1 en § 5, 22, zesde en zevende lid, 23, 4° en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door louter de schriftelijke vordering van de procureur-generaal over te nemen doet het arrest afbreuk aan de verplichting bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis in hoger beroep rekening te houden met de concrete omstandigheden van de zaak en de persoonlijkheid van de eiser zoals ze bestaan op het ogenblik van de uitspraak.
  3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  4. Het onderzoeksgerecht moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie.
  5. Het onderzoeksgerecht dat op korte termijn moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet niet elk detail van in een conclusie aangevoerde middelen beantwoorden.
  6. Geen enkele bepaling belet het onderzoeksgerecht een conclusie van een inverdenkinggstelde te beantwoorden door loutere overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal, indien de in de conclusie aangevoerde middelen daarmee zijn ontmoet.
  7. Bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis mag het onderzoeksgerecht geen blijk geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. Dit verbod op automatisme houdt evenwel niet in dat het onderzoeksgerecht bij een hernieuwde en dus geactualiseerde beoordeling geen rekening mag houden met de elementen die het voorheen in aanmerking heeft genomen. Het staat immers aan het onderzoeksgerecht te oordelen of uit die elementen, desgevallend aangevuld met andere, rekening houdend met de voortgang van het onderzoek en het verstreken tijdsverloop, nog steeds gevaren voor recidive, collusie en onttrekking kunnen worden afgeleid die een verdere handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijk maken.
  8. Uit het enkele feit dat het onderzoeksgerecht herhaaldelijk de beslissing motiveert door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal volgt niet dat daardoor blijk wordt gegeven van een verboden automatisme, voor zover die vordering telkens een geactualiseerd beeld van de stand van het onderzoek verstrekt.
  9. Het onderzoeksgerecht kan de met feitelijke gegevens gestaafde betwistingen betreffende het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking en de noodzaak van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor het verder onderzoek en het neutraliseren van die gevaren door het opleggen van een borgsom of voorwaarden beantwoorden en verwerpen door met verwijzing naar de dossiergegevens vast te stellen dat die gevaren wel degelijk bestaan en niet door een borgsom of voorwaarden kunnen worden geneutraliseerd.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. De vordering van de procureur-generaal waarvan het arrest de redenen overneemt dateert van 22 juli 2022 en het arrest van 26 juli
  12. In de vordering (p. 4, vijfde alinea) wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de erin vermelde omstandigheden nog voorhanden zijn op de datum van de vordering. Met het geheel van de overgenomen redenen en met eigen redenen vermeldt het arrest op concrete wijze de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser die de voorlopige hechtenis wettigen, de ernstige aanwijzingen van schuld en de feitelijke gegevens waaruit het gevaar voor recidive, onttrekking, collusie en de belemmering van het onderzoek blijken op het ogenblik van de beslissing. Het stelt ook vast dat die gevaren niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van een borgsom of voorwaarden. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest de door de eiser in zijn conclusie aangevoerde middelen en verantwoordt het de handhavingsbeslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest grondt het oordeel over het voorhanden zijn van collusiegevaar op de van de vordering van de procureur-generaal overgenomen redenen dat “Verder kan gevreesd worden dat de inverdenkinggestelde, bij eventuele invrijheidstelling zich tegen de goede gang van het verder onderzoek zal verzetten. Het valt immers te vrezen dat de inverdenkinggestelde zich zou verstaan met derden, hetzij om zijn eigen aandeel te verdoezelen, hetzij om aldus het aandeel van andere en nog niet gekende betrokkenen af te schermen, of bewijzen zou wegmaken. H.A. kan nog niet worden gearresteerd en verhoord”; dit is een geheel onterechte, niet gerechtvaardigde en voorwaardelijke stelling waarvoor geen objectieve redenen worden gegeven; er blijkt dat er geen actuele en concrete vrees bestaat; de eiser heeft bovendien volledige verklaringen afgelegd betreffende zijn rol, hij heeft zijn medewerking verleend en bovendien zal een beschikking tot mededeling worden gegeven.
  14. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  15. Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of er ernstige redenen zijn om te vrezen dat een in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde zich zou verstaan met derden in de zin van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet.
  16. Het onderzoeksgerecht moet met betrekking tot de beoordeling van het gevaar voor collusie niet vaststellen dat er ingeval van een invrijheidstelling zeker collusie zal volgen, maar enkel dat er ernstige redenen bestaan om dergelijke gevaar te vrezen.
  17. De enkele omstandigheid dat het onderzoek in een eindfase zit en dat het dossier door de onderzoeksrechter zal worden meegedeeld voor eindvordering, houdt niet in dat geen of niet langer collusiegevaar kan worden aangenomen.
  18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal vermeldt het arrest op concrete wijze waarom er op de datum van de beslissing ernstige redenen zijn om te vrezen voor collusiegevaar. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  20. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest heeft de zaak behandeld in afwezigheid van de eiser en dus zonder hem persoonlijk te horen, zonder evenwel vast te stellen dat de eiser in de onmogelijkheid was persoonlijk te verschijnen of dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet kon verplaatsen naar de gevangenis; de loutere vaststelling dat de eiser zich in preventieve quarantaine bevindt, is daartoe geen voldoende motivering; het arrest oordeelt niet of dit overmacht uitmaakt en of die afwezigheid aan de eiser is te wijten; het arrest kon dan ook de raadsman van de eiser niet machtigen de eiser te vertegenwoordigen.
  22. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de raadsman van de eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft aangevoerd dat de eiser wenste persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting of dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich diende te verplaatsen naar de gevangenis.
  23. De eiser had deze voorgehouden schending van artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet kunnen aanvoeren voor de kamer van inbeschuldigingstelling. Hij kan die niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel, Ariane Jacquemin en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 9 augustus 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.