← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220816.VAK.1 Rolnummer: P.22.1011.N Zaak: S. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-02 Raadplegingen: 784 - laatst gezien 2026-06-19 04:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat de burgerlijke partijen zelf niet aangeven dat er te weinig schadevergoeding zou zijn betaald of afbetaald, belet de strafuitvoeringsrechtbank niet om te oordelen dat de veroordeelde te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partijen te vergoeden en om hieruit een tegenaanwijzing af te leiden voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteiten - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Vergoeding van de burgerlijke partijen - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1011.N A S, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 15 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: met het oordeel dat de eiser de feiten waarvoor hij werd veroordeeld blijft ontkennen en minimaliseren, verantwoordt de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied niet naar recht; de ontkennende en minimaliserende houding van de eiser houdt geen wettelijke tegenindicatie in voor de afwijzing van die strafuitvoeringsmodaliteit; de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt bovendien dat de eiser te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partijen te vergoeden, terwijl het slachtoffer zelf niet aangeeft dat er te weinig schadevergoeding werd afbetaald.
  3. De strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat de veroordeelde te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is, kan hieruit afleiden dat er sprake is van een tegenaanwijzing die zich verzet tegen de toekenning van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. De omstandigheid dat de burgerlijke partijen zelf niet aangeven dat er te weinig schadevergoeding zou zijn betaald of afbetaald, belet de strafuitvoeringsrechtbank niet om te oordelen dat de veroordeelde te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partijen te vergoeden en om hieruit een tegenaanwijzing af te leiden voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. De strafuitvoeringsrechtbank verantwoordt de afwijzing van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied naar recht op grond van de tegenaanwijzing zoals bedoeld in artikel 47, § 2, 4°, Wet Strafuitvoering. In zoverre het middel aanvoert dat het vonnis de ontkennende en minimaliserende houding van de eiser niet als een wettelijke tegenaanwijzing voor de toekenning van de voormelde strafuitvoeringsmodaliteit in aanmerking kan nemen, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  5. Het middel voert miskenning aan van het recht op een eerlijk proces en het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: de omstandigheid dat het vonnis geen melding maakt van de door de eiser neergelegde stukkenbundels noch van de door de eiser verstuurde e-mailberichten met bijlagen over de gezondheidstoestand van zijn moeder, levert een schijn van partijdigheid op; het vereiste van een onafhankelijke en onpartijdige rechter impliceert dat van deze stukken melding wordt gemaakt en dat deze gegevens bij de beoordeling worden betrokken; hoewel de eiser blijkens het eerdere vonnis van 29 december 2020 en blijkens zijn latere verklaringen de intentie heeft geuit dat hij naar Pakistaan wil terugkeren, wordt dit door de strafuitvoeringsrechtbank in twijfel getrokken; de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt ook dat de eiser te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partij te vergoeden, terwijl die laatste zelf niet heeft gesteld dat er te weinig schadevergoeding werd afbetaald; met het oordeel dat de eiser pas opnieuw een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kan indienen vanaf 12 juli 2023, dit is na het verstrijken van de maximale termijn, houdt de strafuitvoeringsrechtbank ten onrechte rekening met eisers houding tegenover de feiten.
  6. De loutere omstandigheid dat de rechter in zijn vonnis niet vermeldt dat er door een procespartij stukken werden neergelegd en e-mailberichten met bijlagen werden meegedeeld, levert geen miskenning op van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter, noch van het recht op een eerlijk proces. Uit die loutere omstandigheid kan evenmin worden afgeleid dat de rechter deze stukken en gegevens niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat het vonnis eisers intentie om naar Pakistan terug te keren niet in twijfel kan trekken, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  8. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank dat de eiser te weinig inspanningen heeft geleverd om de burgerlijke partij te vergoeden hoewel die laatste zelf niet heeft gesteld dat er te weinig schadevergoeding werd afbetaald, moet het om de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen worden verworpen.
  9. De strafuitvoeringsrechtbank houdt bij de bepaling van de datum waarop de eiser een nieuw verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kan indienen, geen rekening met eisers houding tegenover de feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel, Steven Van Overbeke en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 16 augustus 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220816.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.