← België

N. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220816.VAK.2 Rolnummer: P.22.1024.N Zaak: N. contra BELGISCHE STAAT Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-02 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-19 04:28 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch uit artikel 5.4 EVRM en artikel 74 eerste en tweede lid Vreemdelingenwet noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht de naleving van de in artikel 74, eerste lid, Vreemdelingenwet bedoelde termijn slechts kan vaststellen wanneer de beslissing tot verlenging van de opsluiting zelf vermeldt op welke datum ze werd genomen. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Verlenging opsluiting - Beslissing - Verzoekschrift - Termijn - Naleving - Onderzoeksgerechten - Controle Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Vreemdelingen - Verlenging opsluiting - Beslissing - Verzoekschrift - Termijn - Naleving - Controle Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1024.N C M J N, vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadslieden mr. Maarten De Feyter, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Twee Leeuwenweg 20 bus 83, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. Philippe Roels, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, ambtshalve tussengekomen partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 74 Vreemdelingenwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beslissing tot verlenging van de opsluiting dateert van 24 juni 2022; dat laatste is onjuist en kan niet worden nagegaan, aangezien die beslissing niet werd gedateerd; de beslissing tot verlenging dient gedateerd te zijn om de naleving van de in artikel 74 Vreemdelingenwet bedoelde termijn in het licht van artikel 5.4 EVRM te kunnen controleren; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de beslissing tot verlenging van de opsluiting op 24 juni 2022 ter kennis werd gebracht van de eiser; de vaststelling van de wettigheid van de beslissing tot verlenging van de vrijheidsberoving is dan ook niet naar recht verantwoord.
  3. Artikel 5.4 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  4. In zoverre het onderdeel gericht is tegen de beslissing tot verlenging van de opsluiting en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  5. Wanneer de bevoegde minister of staatssecretaris bij toepassing van artikel 7, zesde lid, Vreemdelingenwet een beslissing neemt tot verlenging van de opsluiting van de vreemdeling, dient hij bij toepassing van artikel 74, eerste lid, Vreemdelingenwet binnen vijf werkdagen na de verlenging een verzoekschrift in te dienen bij de raadkamer teneinde de wettigheid van die verlenging te doen beoordelen. Wanneer de zaak niet binnen die termijn bij de raadkamer aanhangig wordt gemaakt, moet de betrokkene bij toepassing van artikel 74, tweede lid, Vreemdelingenwet in vrijheid worden gesteld.
  6. Noch uit de voormelde bepalingen noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht de naleving van de in artikel 74, eerste lid, Vreemdelingenwet bedoelde termijn slechts kan vaststellen wanneer de beslissing tot verlenging van de opsluiting zelf vermeldt op welke datum ze werd genomen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet kon oordelen dat de beslissing tot verlenging van de opsluiting dateert van 24 juni 2022, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers appelconclusie waarin hij had aangevoerd dat er geen recente concrete initiatieven werden genomen om de verwijdering te doen slagen, zodat er binnen een korte termijn geen redelijk vooruitzicht meer is op een verwijdering in de zin van artikel 15, lid 4, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven; het arrest beantwoordt dit verweer niet en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed.
  9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van een ten aanzien van een vreemdeling genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving. In zoverre het onderdeel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  10. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal van 12 juli 2022 en van de beslissing van de verweerder van 24 juni 2022, oordeelt het arrest (p. 2 en p. 11) onder meer als volgt: - nadat de nodige stappen werden gezet met het oog op de verwijdering van de eiser, werd op 28 maart 2022 een update ontvangen van de Surinaamse ambassade waaruit blijkt dat de procedure in Suriname nog lopende is; - meerdere rappels werden op 2 mei 2022 en 30 mei 2022 aan de Surinaamse ambassade overgemaakt; - tot op vandaag bestaat er nog steeds een kans om de eiser binnen een redelijke termijn te verwijderen; - de voormelde redenen zijn nog steeds actueel en weerleggen de middelen en argumenten van de eiser.
  11. Met die redenen beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert miskenning aan van het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsook van de motiveringsverplichting: het oordeel dat de verweerder niet gebonden is door eisers invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom in het kader van een gerechtelijk onderzoek omdat de strafrechtelijke procedure en de verblijfsrechtelijke procedure een verschillende finaliteit hebben, is niet naar recht verantwoord; na een eerste bevel tot aanhouding werd de eiser tegen betaling van een borgsom op 4 januari 2022 in vrijheid gesteld, terwijl hij na een tweede bevel tot aanhouding op 25 februari 2022 onder voorwaarden in vrijheid werd gesteld; één van beide strafprocessen wordt op 23 september 2022 behandeld; de eiser dient zich derhalve ter beschikking te houden van het Belgische gerecht, wat haaks staat op de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel, die aldus het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel miskent; uit de redenen van het arrest blijkt ook niet hoe de eiser, na de uitvoering van de verwijderingsmaatregel, nog gevolg kan geven aan de strafprocedures waarin hij is betrokken.
  13. In zoverre het onderdeel gericht is tegen de verwijderingsmaatregel en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  14. De loutere omstandigheid dat een vreemdeling die zich op een illegale wijze op het Belgische grondgebied bevindt, als inverdenkinggestelde of beklaagde betrokken is in een Belgische strafprocedure, heeft niet tot gevolg dat hij niet het voorwerp kan uitmaken van een maatregel tot verwijdering van het grondgebied bij toepassing van de Vreemdelingenwet. De vrijheidsberoving met het oog op de uitvoering van die maatregel is als zodanig dan ook niet strijdig met het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
  15. Het onderzoeksgerecht dat bij toepassing van artikel 74 Vreemdelingenwet moet oordelen over de wettigheid van de op grond van artikel 7, zesde lid, van diezelfde wet genomen beslissing tot verlenging van de opsluiting van een vreemdeling die als inverdenkinggestelde of beklaagde betrokken is in een Belgische strafprocedure, schendt niet de motiveringsverplichting door de enkele omstandigheid dat het niet vermeldt hoe die laatste praktisch gevolg kan geven aan, en zijn rechten kan laten gelden in, de strafprocedures waarin hij is betrokken.
  16. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel, Steven Van Overbeke en Ignacio de la Serna, en in openbare rechtszitting van 16 augustus 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220816.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.