id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Uitvoering - Geesteszieke - Aangepaste instelling - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Internering - Uitvoering - Geesteszieke - Aangepaste instelling - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Internering - Uitvoering - Beheer - Geesteszieke - Aangepaste instelling - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.1020.N J M, geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank, kamer voor de bescherming van de maatschappij, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en de artikelen 47 en 66 Interneringswet: het vonnis baseert zich op het niet-geactualiseerde psychiatrisch verslag van dr. Van Peteghem van 19 juni 2019 en op het verslag van dr. Marquant van 8 januari 2021 en dus niet op het meest actuele psychiatrische verslag van dr. De Varé van 14 november 2020; de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) moet volgens artikel 47 Interneringswet bij elke periodieke toetsing een beoordeling maken van de geestestoestand van de geïnterneerde op basis van een geactualiseerd multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag; het meest recente psychiatrisch onderzoek is dit van dr. De Varé van 14 november 2020 waarin wordt geoordeeld dat de eiser niet geestesgestoord is; het verslag van dr. Van Peteghem dateert van anderhalf jaar voor het verslag van dr. De Varé; de verslagen van dr. Marquant van 8 januari 2021 en van 20 januari 2022 nemen geen standpunt in over de aanwezigheid van een geestesstoornis noch zijn het verslagen in de zin van artikel 5 Interneringswet.
- Uit de omstandigheid dat de kamer niet uitdrukkelijk verwijst naar het verslag van dr. Marquant van 20 januari 2022, volgt niet dat zij dit verslag niet bij haar beoordeling heeft betrokken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit artikel 5.1.e EVRM en de artikelen 47 en 66 Interneringswet volgt voor de kamer, die uitspraak doet over het verder beheer van de internering en over de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde, niet de verplichting om: - enkel rekening te houden met een door artikel 5 Interneringswet bedoeld forensisch psychiatrisch onderzoek; - indien er meerdere verslagen van psychiaters beschikbaar zijn, zich steeds aan te sluiten bij de bevindingen van het meest recente psychiatrisch onderzoek.
- Het staat aan de kamer, als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege bevoegd voor de uitvoering van de internering, om, op basis van de in de artikelen 47 tot en met 51 Interneringswet bedoelde stukken voor wat betreft het verder beheer van de internering en op basis van de in artikel 67 Interneringswet bedoelde stukken voor wat betreft de definitieve invrijheidstelling, alsook op basis van alle andere aan de kamer regelmatig overgelegde en voor tegenspraak vatbare stukken, te beslissen over het verder beheer van de internering en over de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde.
- De kamer oordeelt in welke mate de haar overgelegde psychiatrische verslagen nog actueel zijn om te kunnen beslissen over het verder beheer van de internering en over de definitieve invrijheidstelling.
- De kamer oordeelt in welke mate niet door de Interneringswet voorgeschreven stukken nuttig zijn voor haar oordeelsvorming.
- De kamer is niet gebonden door de in de haar overgelegde stukken vermelde adviezen en ingenomen standpunten.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en artikel 66 Interneringswet: het vonnis oordeelt dat er bij de eiser sterke indicaties zijn voor psychopathie en miskent daarbij de bewijskracht van de verslagen van dr. De Varé, dr. Van Peteghem en dr. Marquant, die geen indicatie voor psychopathie aannemen; het verslag van dr. De Varé oordeelt integendeel dat de eiser een man is zonder majeure psychopathologie in de enge zin van het woord.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor het vonnis artikel 66 Interneringswet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het verslag van dr. Marquant van 8 januari 2021 (stuk 7, onderkaft 2.1) vermeldt onder de rubriek “Diagnose/psychiatrisch beeld” onder meer: “Diagnostisch is voldoende en meerdere keren vastgesteld dat betrokkene een ernstige hechtingsproblematiek heeft, wat geresulteerd heeft in een antisociale persoonlijkheidsstoornis met middelenmisbruik (cannabis, amfetamines). Een PCL-afname situeert hem als randgeval voor psychopathie (percentiel 27)”. Het arrest dat oordeelt dat “onderliggend (…) er sterke indicaties voor psychopathie (worden) weerhouden”, geeft aldus van dit verslag een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis een geestesziekte is; een geestesziekte kan niet worden gelijkgesteld met een gedrag dat niet beantwoordt aan de standaard, idealen of gebruiken; een geestesziekte moet om een vrijheidsberoving te beantwoorden ook een zekere ernst hebben; het vonnis beoordeelt de noodzaak van de handhaving van de internering uitsluitend op grond van het recidivegevaar; door een antisociale persoonlijkheidsstoornis gelijk te stellen met een geestesziekte is het vonnis in tegenspraak met het verslag van de psychiatrisch deskundige.
- Het staat aan de kamer te oordelen of een geïnterneerde op het ogenblik van haar beslissing nog steeds geestesziek is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis oordeelt als volgt: - de eiser wordt gediagnosticeerd als een persoon met een antisociale persoonlijkheidsstoornis; - onderliggend worden er sterke indicaties voor psychopathie aangenomen; - de intelligentie wordt testdiagnostisch ingeschat binnen de categorie van de laagbegaafdheid; - een verhoogde impulsiviteit en gereduceerde gedragscontrole leidt tot agressieve grensoverschrijding; - er is een ontwrichtend gedragspatroon; - er is nood aan behandeling, meer bepaald een intensief behandelingstraject binnen een forensisch beveiligde setting; - het risico op recidive wordt hoog ingeschat.
- Met die redenen is de beslissing dat de eiser geestesziek is niet louter gesteund op het oordeel dat zijn gedrag niet beantwoordt aan de standaard, idealen of gebruiken. Het vonnis beoordeelt de noodzaak van de handhaving van de internering evenmin uitsluitend op grond van het recidivegevaar. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Op grond van de voormelde redenen kan het vonnis wettig beslissen dat de eiser geestesziek is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: met het oordeel dat het uitblijven van enige behandeling de uitsluitende verantwoordelijkheid van de eiser is, negeert het vonnis de eigen initiatieven van de eiser voor een agressiebeheer; bovendien ligt de verantwoordelijkheid voor het uitblijven van passende maatregelen bij de overheid en niet bij de geïnterneerde.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De omstandigheid dat volgens artikel 5.1.e EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, op de Belgische Staat de verplichting rust om een geïnterneerde binnen een redelijke termijn een passende behandeling te verstrekken, belet niet dat de kamer bij de beoordeling van het verder beheer van de internering en het zoeken naar een instelling die een in overeenstemming met de geestesziekte passende behandeling kan verstrekken, rekening kan houden met de houding van de betrokkene tijdens de hem in het verleden verstrekte behandelingen, zoals de weigering mee te werken met therapieën en agressief gedrag tegenover behandelend personeel en medegeïnterneerden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Sabine Geubel, Ariane Jacquemin en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 augustus 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220823.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div